De “Philadelphia” zoowel als de Engelsche kruiser “Porpoise” waren,

zoover het met het koraalrif mogelijk was, in de golf voor anker gegaan

en beschoten de geheele vlakte aan beide zijden van den mond der

Letoga, met groote granaten, voornamelijk het dorp Vailina, dat spoedig

op verscheidene punten in brand stond. Van Mataafa’s troepen konden wij

aanvankelijk niets ontdekken, totdat ik eindelijk door mijn

tooneelkijker bespeurde, dat zij zich in de dichte Mongrove-bosschen

ten Westen van het dorp teruggetrokken hadden, nadat dit door het

kanonvuur in brand gestoken was. In alle geval had Mataafa den vijand

uit dit door hem bezette dorp verdreven, dat daarop dadelijk door de

oorlogsschepen beschoten werd, waardoor Mataafa genoodzaakt was het te

verlaten. Wij konden het einde van het gevecht niet afwachten, daar er

reeds verscheiden granaten in onze nabijheid gesprongen waren, waarvan

de ver uiteenspattende stukken ons licht hadden kunnen treffen. Ik kwam

namelijk nu eerst tot het besef, dat onmiddellijk onder ons niet

bijzonder hoog standpunt, zich slechts enkele minuten geleden een zeer

hevig geweervuur geopend had, ongetwijfeld tusschen een grootere

legerafdeeling van Mataafa en de krijgslieden van Tanu; door het dichte

struikgewas konden wij echter niets van het gevecht zien. Thans waren

de scheepskanonnen begonnen hun vuur op de krijgslieden van Mataafa te

richten, die zich tusschen de boomen en het kreupelhout bevonden.

Om niet voor onze nieuwsgierigheid door de in het rond vliegende

granaatsplinters gestraft te worden, daalden wij in de richting van

Laulii de helling zoo vlug mogelijk af en keerden naar huis terug.

Naar wij later vernamen, had Mataafa zich ten gevolge van de inmenging

der oorlogsschepen in het gevecht, gedrongen gezien dit te staken en

zich in de bergen terug te trekken, om zich buiten bereik te stellen

van het vernielend granaatvuur; toen daarop de Tanu-krijgers,

aangemoedigd door dit terugwijken, hem vol vuur achtervolgden, viel hij

met zooveel moed en dapperheid op zijn vervolgers aan, dat zij zeer

spoedig alle mogelijke pogingen om zich van hem meester te maken

moesten opgeven.

Deze veldslag bij Vailine was het eerste groote gevecht tusschen de

vijandelijke partijen. Den 13n Mei kwam eindelijk de internationale

commissie te Apia bijeen, om de verwikkelingen en oneenigheden op Samoa

bij te leggen. Nadat de vertegenwoordigers der drie beschermende

mogendheden, zich nauwkeurig op de hoogte gesteld hadden van de

gebeurtenissen op de eilanden der Samoagroep, waarbij de voorzitter van

den gemeenteraad, dokter Raffel, hen door zijn mededeelingen flink ter

zijde stond, besloot de commissie, den 10n Juni, Tanu als koning te

erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat hij dadelijk alle

aanspraken op die waardigheid zou laten varen; daarna werd het

koningschap onvoorwaardelijk afgeschaft en de regeering aan de drie

consuls overgedragen. Voorts werd er een bevel gegeven, dat allen

inboorlingen gebood hun wapens in Apia te komen brengen. Om den

Duitschers eenige voldoening te geven, werden admiraal Kautz en de

president van de rechtbank Chambers, teruggeroepen; dezen hadden door

hun intriges en dwingelandij veel bijgedragen tot de oneenigheden en

het bloedvergieten.

De ontwapening der inlanders ging zonder moeilijkheden gepaard en

spoedig heerschte er volkomen rust op dit door de natuur zoo rijk

bedeelde, verrukkelijk schoone eiland.

Ook op onze plantages bloeiden al de cultures zoo heerlijk, dat wij na

eenige weken een overvloedigen oogst, aan kopra, katoen, suikerriet en

cacao naar Laulii op buffelkarren konden laten vervoeren, waar hij op

een kotter, die uit Apia overgestuurd was, overgeladen werd. Zelfs was

onze proef met het telen van de tabaksplant zeer gunstig uitgevallen;

wij hadden zooveel tabaksblaren geoogst, dat wij niet alleen genoeg

voor ons zelf hadden, maar ook een vrij aanzienlijke hoeveelheid naar

Matafele konden zenden. Onder onze Samoaansche werklieden waren er

verscheidenen, die van de ruwe bladeren heel goed sigaren konden maken,

die Gaedecke en mij ten minste bijzonder lekker smaakten.

Toen ik in het begin van Juni naar Apia voer, om de noodige gelden voor

ons en het werkvolk in ontvangst te nemen, vond ik het grootste

gedeelte der huizen, die door het bombardement vernield waren, reeds

hernieuwd of in aanbouw. In de bijna geheel verbrande en verwoeste

dorpen in den omtrek der stad, hadden de inlanders hun eenvoudige, maar

toch zeer aardige en geriefelijke hutten weer opgebouwd; alleen zag het

er in de plantages, die erg door de granaatkogels geleden hadden, zeer

treurig uit. Wel hadden de eigenaars schadevergoeding verlangd, maar er

konden maanden verloopen voor de regeeringen van Engeland en

Noord-Amerika, het over het uitbetalen dier sommen eens waren geworden.

Directeur Beckmann gaf zijn tevredenheid over den bloei den factorij te

kennen en prees Gaedecke, die haar zoo voorzichtig en uitstekend

bestuurd had; hij gaf mij een brief voor mijn collega mee, waarin hij

dezen zijn hartelijken dank betuigde.

Van deze gunstige stemming maakte ik gebruik, om mijn chef verlof te

vragen een paar dagen naar Mulifanua te mogen gaan, waar ik zoo heel

gaarne, mijnheer Krüger en vooral mijn vriend Petersen, een bezoek zou

willen brengen. Nu de oogst binnen was en ik betrekkelijk weinig te

doen had, kon ik gemakkelijk een poosje gemist worden.

“Met alle genoegen, beste Arendt!” gaf de directeur minzaam ten

antwoord. “Breng morgen het geld naar de factorij en leg het zoo aan,

dat gij aanstaanden Maandag weer terug zijt; ik ben namelijk van plan

op dien dag zelf naar Mulifanua te gaan en wil u dan meenemen.”

Toen ik op onze plantage terug was, deelde ik Gaedecke mede, dat ik

verlof had gekregen en voegde er bij, dat ik hem aanstaanden Maandag

voor een paar dagen verlaten zou, om mijn vrienden in Mulifanua te

bezoeken.

“Je hebt gelijk, vriend, dat je dien vrijen tijd zoo gebruikt,”

antwoordde mijn collega, “maar ik zou heel gaarne zien, dat je het zoo

kondt schikken, aanstaanden Zaterdag weer hier te zijn. Ik ben

voornemens, den Zondag daarop naar Vaitele te rijden, om bruiloft te

houden, en ik noodig je bij dezen hartelijk op mijn feest. Nu de vrede

op het eiland, Goddank, en wij willen hopen voorgoed, hersteld is, zie

ik niet in, waarom ik mijn hartewensch nog langer zou moeten

uitstellen.”

“Ik denk er eveneens over en neem je uitnoodiging heel gaarne aan,”

antwoordde ik. “Je kunt er vast op rekenen, dat ik prompt op tijd weer

terug zal zijn.”

Dadelijk na zonsopgang voer ik ’s Maandags in onze kano van Laulii naar

Apia en ging onmiddellijk naar directeur Beckmann, met wien ik ontbeet

en mij daarna aan boord van de groote boot begaf, waarin de directeur

gewoonlijk kleine tochtjes naar de factorijen aan de kust, ondernam.

In de eerste uren van den middag liepen wij de haven van Mulifanua

binnen, en begaven wij ons onverwijld, naar het woonhuis, waar wij

zonder ons te laten aandienen mijnheer Krüger en Petersen op het terras

in den tuin aantroffen, onder het gebruik van een kop thee.

Met een luiden vreugdekreet sprong Hendrik op, toen hij ons zag,

begroette eerst den directeur en omhelsde mij toen, met de woorden:

“Mijn jongen! Mijn beste Herman! Blijf je nu weer bij ons?”

Ik beantwoordde deze begroeting even hartelijk, en drukte daarna de

hand van mijnheer Krüger, die hij mij vriendelijk lachend toestak,

terwijl de directeur zeide:

“Neen, waarde Petersen, uw vriend Arendt kon zijn verlangen naar u en

zijn vroegeren chef niet langer bedwingen en wilde u beiden heel gaarne

weer eens zien. Ik moest het gevraagde verlof wel toestaan en heb hem

nu maar meegebracht, omdat ik ook verlangde eenige bijzonderheden met

u, mijnheer Krüger, te bespreken.”

“U weet wel, waarde directeur, dat uw bezoek, mij altijd welkom is;

jammer, dat het zoo zelden plaats heeft,” antwoordde mijnheer Krüger.

“Verkwikt u nu met een kop thee, Heeren, en geniet van de heerlijke

koelte in deze kamer, na den langen tocht in den brandenden

zonnegloed.”

Terwijl wij nog aan de theetafel zaten, kwamen twee onzer roeiers mijn

handkoffer en dien van den directeur brengen. Behalve eenig

onontbeerlijk ondergoed en wat dunne bovenkleeren, die in dit tropisch

klimaat zoo noodig zijn, had ik tweehonderd stuks van onze

eigengemaakte sigaren uit de zelf gekweekte tabak, ingepakt; deze

overhandigde ik nu aan mijnheer Krüger en Petersen. Beiden waren,

zooals ik wist, hartstochtelijke rookers; zij staken direct eens op en

prezen zeer den smaak en geur der heerlijke tabak.

Spoedig daarop begaven de directeur en ik ons naar onze vertrekken om

wat te rusten. Na een verkwikkend bad, vonden wij onze vriendelijke

gastheeren weer op het terras, waar zij ons met een heerlijk diner

wachtten. Onder het eten vroeg Petersen mij nadere bijzonderheden van

de twee laatste groote gevechten bij Muliangi en Vailina, waarvan

Tamasese hem verteld had.

“Onze oude vriend bezocht ons dadelijk na zijn terugkomst in zijn

vroeger hoofdkwartier ‘Falelatar,’” zeide Hendrik, “en hij heeft ons

wonderen verteld van je heldenfeiten in het eerste gevecht; hij sprak

met groote dankbaarheid over je tijdige waarschuwing aangaande de

dreigende, vijandelijke overrompeling; hoewel de kogels om je heen

floten, was je toch bij hem gekomen. Waarachtig! je hebt bewezen, dat

een vroeger Duitsch soldaat, niet gemakkelijk den juisten blik op de

verrichtingen in een legerkamp verliest. Op je welzijn in het

bijzonder, oude vriend en kameraad!”

Toen moest ik uitvoerig het voorgevallene bij dat gevecht, en hoe ik

tusschenbeide was gekomen, vertellen, want de directeur wist hiervan

nog niets.

Na het diner reden wij naar de plantage, waar de opzichter Mertens ons

heel vriendelijk ontving. Al de cultures stonden in vollen bloei en

beloofden een rijken oogst, dank zij de voorzichtige leiding van

mijnheer Krüger, die hierin flink door Petersen en Mertens geholpen

werd. Naar deze mij mededeelde, hadden al de werklieden hun contracten

voor drie jaar verlengd, daar zij zich op de plantage zeer op hun gemak

gevoelden en vooral veel van Petersen hielden, die er uitstekend den

slag van had met het volk om te gaan en hun het leven aangenaam te

maken.

Den volgenden dag vertrok directeur Beckmann dadelijk na het ontbijt

naar Apia, en verzocht mij nog eens dringend hem op mijn terugreis te

komen bezoeken.

Zooals mijnheer Krüger mij vertelde, was hij zeer tevreden over mijn

opvolger in het boekhouden; het was een bescheiden jongmensch, die

spoedig op de hoogte van het werk was gekomen. Ik kon niet persoonlijk

kennis met hem maken, daar hij voor een paar dagen met verlof naar

Matafele was.

Na het diner ging ik met Hendrik naar de plantage en reed van daar

alleen naar de niet ver gelegen factorij Falelata, om mijnheer Hüsmann

en zijn familie een bezoek te brengen. Ik werd er zeer hartelijk

ontvangen; zij waren dien nacht nog niet vergeten, waarin Petersen en

ik hun te hulp waren gekomen om de overrompeling der inlanders te doen

mislukken.

Ik had te kennen gegeven, om, nu ik in Mulifanua was, ook den vorigen

koning Tamasese in zijn dorp te bezoeken, wat mijnheer Krüger

goedkeurde; vrijwillig stond hij ook Petersen toe met mij mee te gaan.

Geheel onverwacht verscheen op den middag, die voor ons uitstapje

bestemd was, Tamasese bij mijnheer Krüger, vergezeld van twee zijner

voornaamste opperhoofden; nu waren zij ongewapend. Hij had evenals al

de overige inlanders zijn wapenen moeten afleggen. Toen wij elkander

hartelijk begroet, en op het terras plaats genomen hadden, vertelde hij

ons, dat hij van een zijner lieden vernomen had, dat ik mij in

Mulifanua bevond, en nu was hij gekomen, om mij nog eens te zien. Nooit

zou hij den dienst vergeten, dien ik hem bij Muliangi bewezen had,

verzekerde hij mij, terwijl hij mij met groote hartelijkheid de hand

drukte.

Evenals vroeger smaakten verscheiden glazen Pschorrbräu Tamasese

uitstekend, maar toch schenen de jongste gebeurtenissen hem veel van

zijn zelfstandigheid als ex-pretendent naar de kroon, te hebben doen

verliezen, hij zag er ten minste tamelijk neerslachtig en ontevreden

uit.

Vrijdagmorgen nam ik afscheid van mijnheer Krüger en mijn vriend

Hendrik, die mij naar het strand bracht, waar de groote boot der

factorij op mij wachtte. Dadelijk na mijn aankomst te Apia, begaf ik

mij naar directeur Beckmann, bij wien ik bleef eten. Onder het diner

vroeg ik hem verlof, om in de nabijheid van ons woonhuis een klein

huisje te laten bouwen, daar ik na Gaedeckes huwelijk toch niet bij hem

kon blijven wonen; aanstaanden Zondag zou mijn vriend, zooals de

directeur wist, trouwen.

Glimlachend antwoordde mijnheer Beckmann: “Beste Arendt, dit verzoek

kan ik u niet toestaan.”

Toen ik hem eenigszins verbluft aankeek, vervolgde hij:

“Mijn secretaris is met de laatste stoomboot naar Auckland vertrokken

om van daar naar Duitschland terug te keeren; sedert eenige maanden was

hij aan het sukkelen, daar hij niet tegen dit klimaat kon. Daarom heb

ik besloten, de niet onbelangrijke betrekking van secretaris aan u op

te dragen, en een der jongere bedienden van de Maatschappij in

Matafele, in uw plaats naar de factorij bij Laulii te zenden. Vindt ge

dit goed, vriend?”

“O, Directeur, hoe zal ik u voor zooveel goedheid, voor dit bewijs van

vertrouwen danken!” riep ik vroolijk verrast uit. “Het zal mijn vurigst

streven zijn, mij deze goedheid waardig te maken en uw vertrouwen te

behouden.”

Mijn chef gaf mij over de tafel heen, vriendelijk lachend de hand, die

ik innig dankbaar drukte.

“Mijnheer Hellmann,” zeide mijn chef nu verder, “zoo heet uw opvolger,

dien gij bij gelegenheid van uw bezoeken in Matafele, hebt leeren

kennen, zal u morgen vroeg naar Laulii vergezellen en voorloopig bij

den opzichter Hendriksen wonen, tot er een huisje voor hem in orde

gemaakt is. Ik heb een paar dagen geleden reeds aan Gaedecke geschreven

en hem van deze schikking op de hoogte gebracht. Wat er mogelijk nog

meer te doen valt, kunnen wij overmorgen in Vaitele bij Tiedemann

bespreken, daar ik ook op de bruiloft van uw vriend genoodigd ben en

met onzen tegenwoordigen predikant daarheen wil rijden. Vannacht kunt

ge al in de kamer, die voor u bestemd is, slapen; ik zal uw koffer door

een knecht van het hotel doen halen.”

Na den maaltijd bracht de directeur mij zelf naar mijn kamer, een vrij

groot vertrek, met ramen, die op den tuin uitzagen, en liet mij toen

alleen, nadat hij mij nog gezegd had, dat ik den geheelen avond vrij

over mijn tijd kon beschikken, omdat hij een conferentie bij dokter

Raffel moest bijwonen.

Ik was zoo opgewonden over de onverwachte onderscheiding, die mij te

beurt was gevallen, dat het mij onmogelijk was thuis te blijven. Ik

stak een sigaar op, slenterde wel een uur lang de haven op en neer, en

belandde eindelijk in den Duitschen biertuin op het strand, waar ik in

gezelschap van de vroegere, bekende Duitsche kooplui een glas bier

dronk en eindelijk innig vergenoegd naar huis ging.

Den volgenden morgen gebruikte ik met den directeur vlug een kop thee

en voer toen in een boot, die men mij welwillend voor dit doel had

afgestaan, naar Laulii. Mijnheer Hellmann, die afscheid was komen nemen

van onzen chef, ging met mij mede.

Gaedecke ontving mij zeer hartelijk, feliciteerde mij met mijn

bevordering, doch gaf tevens zijn leedwezen te kennen, dat wij moesten

scheiden, daar wij tijdens ons samenwonen, met elkander op zulk een

goeden voet verkeerd hadden. Nadat mijn opvolger voor dien eersten

nacht mijn vroegere kamer betrokken had, gebruikten wij een stevig

lunch, waarna Gaedecke en ik te paard stegen om naar Vaitele te gaan.

Onze feestkleeren waren in een handkoffer gepakt, die achter het zadel

van mijn paard vastgegespt werd.

Nog voor het invallen van de duisternis kwamen wij op de plaats onzer

bestemming, waar wij met gejuich ontvangen werden, daar de familie

Tiedemann ons eerst den volgenden morgen verwacht had. De avond ging

onder gezelligen kout voorbij; alleen speet het ons, dat wij op

Duitsche manier geen “Polter-abend” [5] konden houden!

Tegen tien uur ’s morgens verschenen directeur Beckmann en de dominee

van Apia, beiden te paard, op de factorij en, nadat de heeren een

kleine hartsterking genomen hadden, voltrok de geestelijke, achter in

den tuin, op het terras, dat bijzonder mooi met bloemen en kransen

versierd was, het huwelijk. Veel meisjes, vrouwen en mannen woonden,

gedeeltelijk op de treden van het terras, gedeeltelijk op het plein

daarvoor, de plechtigheid bij.

Terwijl wij daarna aan den keurig met bloemen getooiden bruiloftsdisch

aanzaten, en ons het heerlijk toebereide maal uitstekend lieten smaken,

kwamen twaalf bekoorlijke meisjes, met bloemkransen op het hoofd en

slingers van bloemen om het bovenlijf, binnen, en voerden ter eere van

de jonge vrouw, de vriendin harer meisjesjaren, een “Siva” uit, den

bevalligsten en liefsten dans, dien men bedenken kan. Dadelijk na het

diner keerden de directeur en de dominee naar Apia terug, waarna de

jonggehuwden en mijn persoon zich gereedmaakten den tocht naar onze

factorij te aanvaarden. De bekoorlijke Filina had bruidsgewaad en

sluier voor een eenvoudiger kleed verwisseld en besteeg het voor haar

bestemde paard, dat een dameszadel had, om naar haar nieuwe woning te

rijden, daar het onmogelijk was, er op een andere manier te komen. Haar

uitzet, in groote manden gepakt, was reeds ’s morgens door verscheiden

knechts op de factorij bezorgd. Ik reed als wegwijzer vooruit, en het

druk redeneerend paar kwam achter mij aan. Zij zouden zeker niet op den

weg gelet hebben, en wij hadden dus gemakkelijk kunnen verdwalen.

Toen wij zonder ongelukken tegen den avond de plantage bereikt hadden,

sloeg ik mijn nachtkwartier op bij den opzichter Hendriksen, waar ik

mijn opvolger reeds aantrof. Ik legde mij neer onder het voorste afdak

van het huisje op een mat, dekte mij toe met een plaid en sliep

dadelijk in, daar de rit, bij de groote hitte, mij zeer vermoeid had.

Den volgenden morgen ontbeet ik in gezelschap van het jonge echtpaar op

de tuin-veranda, pakte mijn boeltje in mijn koffer en reed, na

hartelijk afscheid genomen te hebben van Gaedecke—dien ik oprecht lief

gekregen had—en zijn alleraardigst vrouwtje, naar het dal. Vóór dien

tijd had ik den opzichter Hendriksen en mijn opvolger reeds vaarwel

gezegd. Mijn trouwe Sufa had kort te voren al mijn bagage mijn geweren

en revolvers op een handwagen geladen, die door twee werklieden naar

Laulii gereden werd, waar de boot van de factorij reeds op mij wachtte,

om mij naar Apia over te zetten.

Zeer spoedig was ik op de hoogte mijner werkzaamheden, als secretaris

van den eersten ambtenaar der Duitsche Handel- en

Plantage-Maatschappij. Deze bestonden voornamelijk in het voeren der

correspondentie met de verschillende factorijen, die onze Maatschappij

op de eilanden Upolu en Savaii bezat, en het nazien en vergelijken der

berichten omtrent de opgave van den oogst, en tevens den directeur

daarvan op de hoogte te houden. Op deze wijze vernam ik toen eerst, dat

de Maatschappij ongeveer vierduizend hectaren gronds op Samoa in

eigendom had, benevens zestienhonderd stuks rundvee en verscheiden

honderd paarden. Op haar plantages werkten meer dan duizend arbeiders,

waarvan de meesten van de Tonga- de Salomons- en de Gilbert-eilanden

naar Samoa gezonden waren, daar de Samoaners zelf tot geen enkel werk,

dat inspanning vordert, te bewegen zijn. De buitengewone vruchtbaarheid

van hun schoon vaderland, vergunt hun een ongestoord Dolce far niente;

men mocht er hun dus geen verwijt van maken, dat zij dit zoete

nietsdoen niet vrijwillig wilden opgeven.

Elke maand bezocht mijn chef geregeld de factorijen op Upolu en Savaii,

om ze te inspecteeren en een noodzakelijk onderhoud te hebben met de

respectieve directeuren. Ik vergezelde hem bijna altijd op die tochten,

en dit was voor mij van veel belang, daar ik zoodoende land en volk

beter leerde kennen.

De eerste maanden gingen kalm en rustig voorbij en het jaar 1899 zou

niet eindigen, zonder ons de definitieve regeling der staatkundige

moeilijkheden op de Samoa-eilanden te brengen.

De overeenkomst, tusschen de Duitsche Regeering en Groot-Brittannië, op

den 14en November 1899 te Londen gesloten, bepaalde, dat Engeland in

het belang van Duitschland, van al zijn aanspraken op de eilanden Upolu

en Savaii, afstand deed; deze kwamen nu uitsluitend in het bezit van

Duitschland, dat wederkeerig, ten gunste van Engeland, afzag van zijn

recht op de Tonga-archipel.

Eenige weken later, werd den 2en September, te Washington, een

gelijkluidende overeenkomst gesloten, tusschen Duitschland en de

Vereenigde Staten van Noord-Amerika; dezen lieten ook hun aanspraken

varen op Upolu en Savaii, waarvoor hun het bezit van het eiland Tutuila

beloofd werd. Tutuila is het derde groote eiland van de groep en ligt

zuidoostelijk van Upolu; in de haven van Pago-Pago, aan de zuidkust,

heeft het de beste aanlegplaats van alle Samoa-eilanden, en het is

overigens ook een belangrijke bezitting.

Door deze twee overeenkomsten waren de prachtige eilanden Upolu en

Savaii een kolonie van het Duitsche rijk geworden en zullen zij, naar

wij hopen, door geen twisten, of staatkundige verwikkelingen meer

verontrust worden. Zoo mogen zij, boven aller verwachting, tot den

grootsten bloei komen!

Ik ben vast besloten dit aardsch paradijs niet te verlaten, zoolang de

goede God mij gezondheid schenkt, en mijn werkkring zoo aangenaam

blijft, als deze op het oogenblik is.

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] kopra = het gedroogde, vleezige gedeelte van de kokosnoot.

[2] Een soort van bladmos.

[3] Platformen van dun hout, aan één zijde van de kano’s bevestigd om

het omslaan te beletten.

[4] Onbeschaamde kerel!

[5] Feestelijke avond voor de bruiloft.

Op Samoa · 第 11 / 11 段