zoover het met het koraalrif mogelijk was, in de golf voor anker gegaan
en beschoten de geheele vlakte aan beide zijden van den mond der
Letoga, met groote granaten, voornamelijk het dorp Vailina, dat spoedig
op verscheidene punten in brand stond. Van Mataafa’s troepen konden wij
aanvankelijk niets ontdekken, totdat ik eindelijk door mijn
tooneelkijker bespeurde, dat zij zich in de dichte Mongrove-bosschen
ten Westen van het dorp teruggetrokken hadden, nadat dit door het
kanonvuur in brand gestoken was. In alle geval had Mataafa den vijand
uit dit door hem bezette dorp verdreven, dat daarop dadelijk door de
oorlogsschepen beschoten werd, waardoor Mataafa genoodzaakt was het te
verlaten. Wij konden het einde van het gevecht niet afwachten, daar er
reeds verscheiden granaten in onze nabijheid gesprongen waren, waarvan
de ver uiteenspattende stukken ons licht hadden kunnen treffen. Ik kwam
namelijk nu eerst tot het besef, dat onmiddellijk onder ons niet
bijzonder hoog standpunt, zich slechts enkele minuten geleden een zeer
hevig geweervuur geopend had, ongetwijfeld tusschen een grootere
legerafdeeling van Mataafa en de krijgslieden van Tanu; door het dichte
struikgewas konden wij echter niets van het gevecht zien. Thans waren
de scheepskanonnen begonnen hun vuur op de krijgslieden van Mataafa te
richten, die zich tusschen de boomen en het kreupelhout bevonden.
Om niet voor onze nieuwsgierigheid door de in het rond vliegende
granaatsplinters gestraft te worden, daalden wij in de richting van
Laulii de helling zoo vlug mogelijk af en keerden naar huis terug.
Naar wij later vernamen, had Mataafa zich ten gevolge van de inmenging
der oorlogsschepen in het gevecht, gedrongen gezien dit te staken en
zich in de bergen terug te trekken, om zich buiten bereik te stellen
van het vernielend granaatvuur; toen daarop de Tanu-krijgers,
aangemoedigd door dit terugwijken, hem vol vuur achtervolgden, viel hij
met zooveel moed en dapperheid op zijn vervolgers aan, dat zij zeer
spoedig alle mogelijke pogingen om zich van hem meester te maken
moesten opgeven.
Deze veldslag bij Vailine was het eerste groote gevecht tusschen de
vijandelijke partijen. Den 13n Mei kwam eindelijk de internationale
commissie te Apia bijeen, om de verwikkelingen en oneenigheden op Samoa
bij te leggen. Nadat de vertegenwoordigers der drie beschermende
mogendheden, zich nauwkeurig op de hoogte gesteld hadden van de
gebeurtenissen op de eilanden der Samoagroep, waarbij de voorzitter van
den gemeenteraad, dokter Raffel, hen door zijn mededeelingen flink ter
zijde stond, besloot de commissie, den 10n Juni, Tanu als koning te
erkennen, doch alleen onder voorwaarde, dat hij dadelijk alle
aanspraken op die waardigheid zou laten varen; daarna werd het
koningschap onvoorwaardelijk afgeschaft en de regeering aan de drie
consuls overgedragen. Voorts werd er een bevel gegeven, dat allen
inboorlingen gebood hun wapens in Apia te komen brengen. Om den
Duitschers eenige voldoening te geven, werden admiraal Kautz en de
president van de rechtbank Chambers, teruggeroepen; dezen hadden door
hun intriges en dwingelandij veel bijgedragen tot de oneenigheden en
het bloedvergieten.
De ontwapening der inlanders ging zonder moeilijkheden gepaard en
spoedig heerschte er volkomen rust op dit door de natuur zoo rijk
bedeelde, verrukkelijk schoone eiland.
Ook op onze plantages bloeiden al de cultures zoo heerlijk, dat wij na
eenige weken een overvloedigen oogst, aan kopra, katoen, suikerriet en
cacao naar Laulii op buffelkarren konden laten vervoeren, waar hij op
een kotter, die uit Apia overgestuurd was, overgeladen werd. Zelfs was
onze proef met het telen van de tabaksplant zeer gunstig uitgevallen;
wij hadden zooveel tabaksblaren geoogst, dat wij niet alleen genoeg
voor ons zelf hadden, maar ook een vrij aanzienlijke hoeveelheid naar
Matafele konden zenden. Onder onze Samoaansche werklieden waren er
verscheidenen, die van de ruwe bladeren heel goed sigaren konden maken,
die Gaedecke en mij ten minste bijzonder lekker smaakten.
Toen ik in het begin van Juni naar Apia voer, om de noodige gelden voor
ons en het werkvolk in ontvangst te nemen, vond ik het grootste
gedeelte der huizen, die door het bombardement vernield waren, reeds
hernieuwd of in aanbouw. In de bijna geheel verbrande en verwoeste
dorpen in den omtrek der stad, hadden de inlanders hun eenvoudige, maar
toch zeer aardige en geriefelijke hutten weer opgebouwd; alleen zag het
er in de plantages, die erg door de granaatkogels geleden hadden, zeer
treurig uit. Wel hadden de eigenaars schadevergoeding verlangd, maar er
konden maanden verloopen voor de regeeringen van Engeland en
Noord-Amerika, het over het uitbetalen dier sommen eens waren geworden.
Directeur Beckmann gaf zijn tevredenheid over den bloei den factorij te
kennen en prees Gaedecke, die haar zoo voorzichtig en uitstekend
bestuurd had; hij gaf mij een brief voor mijn collega mee, waarin hij
dezen zijn hartelijken dank betuigde.
Van deze gunstige stemming maakte ik gebruik, om mijn chef verlof te
vragen een paar dagen naar Mulifanua te mogen gaan, waar ik zoo heel
gaarne, mijnheer Krüger en vooral mijn vriend Petersen, een bezoek zou
willen brengen. Nu de oogst binnen was en ik betrekkelijk weinig te
doen had, kon ik gemakkelijk een poosje gemist worden.
“Met alle genoegen, beste Arendt!” gaf de directeur minzaam ten
antwoord. “Breng morgen het geld naar de factorij en leg het zoo aan,
dat gij aanstaanden Maandag weer terug zijt; ik ben namelijk van plan
op dien dag zelf naar Mulifanua te gaan en wil u dan meenemen.”
Toen ik op onze plantage terug was, deelde ik Gaedecke mede, dat ik
verlof had gekregen en voegde er bij, dat ik hem aanstaanden Maandag
voor een paar dagen verlaten zou, om mijn vrienden in Mulifanua te
bezoeken.
“Je hebt gelijk, vriend, dat je dien vrijen tijd zoo gebruikt,”
antwoordde mijn collega, “maar ik zou heel gaarne zien, dat je het zoo
kondt schikken, aanstaanden Zaterdag weer hier te zijn. Ik ben
voornemens, den Zondag daarop naar Vaitele te rijden, om bruiloft te
houden, en ik noodig je bij dezen hartelijk op mijn feest. Nu de vrede
op het eiland, Goddank, en wij willen hopen voorgoed, hersteld is, zie
ik niet in, waarom ik mijn hartewensch nog langer zou moeten
uitstellen.”
“Ik denk er eveneens over en neem je uitnoodiging heel gaarne aan,”
antwoordde ik. “Je kunt er vast op rekenen, dat ik prompt op tijd weer
terug zal zijn.”
Dadelijk na zonsopgang voer ik ’s Maandags in onze kano van Laulii naar
Apia en ging onmiddellijk naar directeur Beckmann, met wien ik ontbeet
en mij daarna aan boord van de groote boot begaf, waarin de directeur
gewoonlijk kleine tochtjes naar de factorijen aan de kust, ondernam.
In de eerste uren van den middag liepen wij de haven van Mulifanua
binnen, en begaven wij ons onverwijld, naar het woonhuis, waar wij
zonder ons te laten aandienen mijnheer Krüger en Petersen op het terras
in den tuin aantroffen, onder het gebruik van een kop thee.
Met een luiden vreugdekreet sprong Hendrik op, toen hij ons zag,
begroette eerst den directeur en omhelsde mij toen, met de woorden:
“Mijn jongen! Mijn beste Herman! Blijf je nu weer bij ons?”
Ik beantwoordde deze begroeting even hartelijk, en drukte daarna de
hand van mijnheer Krüger, die hij mij vriendelijk lachend toestak,
terwijl de directeur zeide:
“Neen, waarde Petersen, uw vriend Arendt kon zijn verlangen naar u en
zijn vroegeren chef niet langer bedwingen en wilde u beiden heel gaarne
weer eens zien. Ik moest het gevraagde verlof wel toestaan en heb hem
nu maar meegebracht, omdat ik ook verlangde eenige bijzonderheden met
u, mijnheer Krüger, te bespreken.”
“U weet wel, waarde directeur, dat uw bezoek, mij altijd welkom is;
jammer, dat het zoo zelden plaats heeft,” antwoordde mijnheer Krüger.
“Verkwikt u nu met een kop thee, Heeren, en geniet van de heerlijke
koelte in deze kamer, na den langen tocht in den brandenden
zonnegloed.”
Terwijl wij nog aan de theetafel zaten, kwamen twee onzer roeiers mijn
handkoffer en dien van den directeur brengen. Behalve eenig
onontbeerlijk ondergoed en wat dunne bovenkleeren, die in dit tropisch
klimaat zoo noodig zijn, had ik tweehonderd stuks van onze
eigengemaakte sigaren uit de zelf gekweekte tabak, ingepakt; deze
overhandigde ik nu aan mijnheer Krüger en Petersen. Beiden waren,
zooals ik wist, hartstochtelijke rookers; zij staken direct eens op en
prezen zeer den smaak en geur der heerlijke tabak.
Spoedig daarop begaven de directeur en ik ons naar onze vertrekken om
wat te rusten. Na een verkwikkend bad, vonden wij onze vriendelijke
gastheeren weer op het terras, waar zij ons met een heerlijk diner
wachtten. Onder het eten vroeg Petersen mij nadere bijzonderheden van
de twee laatste groote gevechten bij Muliangi en Vailina, waarvan
Tamasese hem verteld had.
“Onze oude vriend bezocht ons dadelijk na zijn terugkomst in zijn
vroeger hoofdkwartier ‘Falelatar,’” zeide Hendrik, “en hij heeft ons
wonderen verteld van je heldenfeiten in het eerste gevecht; hij sprak
met groote dankbaarheid over je tijdige waarschuwing aangaande de
dreigende, vijandelijke overrompeling; hoewel de kogels om je heen
floten, was je toch bij hem gekomen. Waarachtig! je hebt bewezen, dat
een vroeger Duitsch soldaat, niet gemakkelijk den juisten blik op de
verrichtingen in een legerkamp verliest. Op je welzijn in het
bijzonder, oude vriend en kameraad!”
Toen moest ik uitvoerig het voorgevallene bij dat gevecht, en hoe ik
tusschenbeide was gekomen, vertellen, want de directeur wist hiervan
nog niets.
Na het diner reden wij naar de plantage, waar de opzichter Mertens ons
heel vriendelijk ontving. Al de cultures stonden in vollen bloei en
beloofden een rijken oogst, dank zij de voorzichtige leiding van
mijnheer Krüger, die hierin flink door Petersen en Mertens geholpen
werd. Naar deze mij mededeelde, hadden al de werklieden hun contracten
voor drie jaar verlengd, daar zij zich op de plantage zeer op hun gemak
gevoelden en vooral veel van Petersen hielden, die er uitstekend den
slag van had met het volk om te gaan en hun het leven aangenaam te
maken.
Den volgenden dag vertrok directeur Beckmann dadelijk na het ontbijt
naar Apia, en verzocht mij nog eens dringend hem op mijn terugreis te
komen bezoeken.
Zooals mijnheer Krüger mij vertelde, was hij zeer tevreden over mijn
opvolger in het boekhouden; het was een bescheiden jongmensch, die
spoedig op de hoogte van het werk was gekomen. Ik kon niet persoonlijk
kennis met hem maken, daar hij voor een paar dagen met verlof naar
Matafele was.
Na het diner ging ik met Hendrik naar de plantage en reed van daar
alleen naar de niet ver gelegen factorij Falelata, om mijnheer Hüsmann
en zijn familie een bezoek te brengen. Ik werd er zeer hartelijk
ontvangen; zij waren dien nacht nog niet vergeten, waarin Petersen en
ik hun te hulp waren gekomen om de overrompeling der inlanders te doen
mislukken.
Ik had te kennen gegeven, om, nu ik in Mulifanua was, ook den vorigen
koning Tamasese in zijn dorp te bezoeken, wat mijnheer Krüger
goedkeurde; vrijwillig stond hij ook Petersen toe met mij mee te gaan.
Geheel onverwacht verscheen op den middag, die voor ons uitstapje
bestemd was, Tamasese bij mijnheer Krüger, vergezeld van twee zijner
voornaamste opperhoofden; nu waren zij ongewapend. Hij had evenals al
de overige inlanders zijn wapenen moeten afleggen. Toen wij elkander
hartelijk begroet, en op het terras plaats genomen hadden, vertelde hij
ons, dat hij van een zijner lieden vernomen had, dat ik mij in
Mulifanua bevond, en nu was hij gekomen, om mij nog eens te zien. Nooit
zou hij den dienst vergeten, dien ik hem bij Muliangi bewezen had,
verzekerde hij mij, terwijl hij mij met groote hartelijkheid de hand
drukte.
Evenals vroeger smaakten verscheiden glazen Pschorrbräu Tamasese
uitstekend, maar toch schenen de jongste gebeurtenissen hem veel van
zijn zelfstandigheid als ex-pretendent naar de kroon, te hebben doen
verliezen, hij zag er ten minste tamelijk neerslachtig en ontevreden
uit.
Vrijdagmorgen nam ik afscheid van mijnheer Krüger en mijn vriend
Hendrik, die mij naar het strand bracht, waar de groote boot der
factorij op mij wachtte. Dadelijk na mijn aankomst te Apia, begaf ik
mij naar directeur Beckmann, bij wien ik bleef eten. Onder het diner
vroeg ik hem verlof, om in de nabijheid van ons woonhuis een klein
huisje te laten bouwen, daar ik na Gaedeckes huwelijk toch niet bij hem
kon blijven wonen; aanstaanden Zondag zou mijn vriend, zooals de
directeur wist, trouwen.
Glimlachend antwoordde mijnheer Beckmann: “Beste Arendt, dit verzoek
kan ik u niet toestaan.”
Toen ik hem eenigszins verbluft aankeek, vervolgde hij:
“Mijn secretaris is met de laatste stoomboot naar Auckland vertrokken
om van daar naar Duitschland terug te keeren; sedert eenige maanden was
hij aan het sukkelen, daar hij niet tegen dit klimaat kon. Daarom heb
ik besloten, de niet onbelangrijke betrekking van secretaris aan u op
te dragen, en een der jongere bedienden van de Maatschappij in
Matafele, in uw plaats naar de factorij bij Laulii te zenden. Vindt ge
dit goed, vriend?”
“O, Directeur, hoe zal ik u voor zooveel goedheid, voor dit bewijs van
vertrouwen danken!” riep ik vroolijk verrast uit. “Het zal mijn vurigst
streven zijn, mij deze goedheid waardig te maken en uw vertrouwen te
behouden.”
Mijn chef gaf mij over de tafel heen, vriendelijk lachend de hand, die
ik innig dankbaar drukte.
“Mijnheer Hellmann,” zeide mijn chef nu verder, “zoo heet uw opvolger,
dien gij bij gelegenheid van uw bezoeken in Matafele, hebt leeren
kennen, zal u morgen vroeg naar Laulii vergezellen en voorloopig bij
den opzichter Hendriksen wonen, tot er een huisje voor hem in orde
gemaakt is. Ik heb een paar dagen geleden reeds aan Gaedecke geschreven
en hem van deze schikking op de hoogte gebracht. Wat er mogelijk nog
meer te doen valt, kunnen wij overmorgen in Vaitele bij Tiedemann
bespreken, daar ik ook op de bruiloft van uw vriend genoodigd ben en
met onzen tegenwoordigen predikant daarheen wil rijden. Vannacht kunt
ge al in de kamer, die voor u bestemd is, slapen; ik zal uw koffer door
een knecht van het hotel doen halen.”
Na den maaltijd bracht de directeur mij zelf naar mijn kamer, een vrij
groot vertrek, met ramen, die op den tuin uitzagen, en liet mij toen
alleen, nadat hij mij nog gezegd had, dat ik den geheelen avond vrij
over mijn tijd kon beschikken, omdat hij een conferentie bij dokter
Raffel moest bijwonen.
Ik was zoo opgewonden over de onverwachte onderscheiding, die mij te
beurt was gevallen, dat het mij onmogelijk was thuis te blijven. Ik
stak een sigaar op, slenterde wel een uur lang de haven op en neer, en
belandde eindelijk in den Duitschen biertuin op het strand, waar ik in
gezelschap van de vroegere, bekende Duitsche kooplui een glas bier
dronk en eindelijk innig vergenoegd naar huis ging.
Den volgenden morgen gebruikte ik met den directeur vlug een kop thee
en voer toen in een boot, die men mij welwillend voor dit doel had
afgestaan, naar Laulii. Mijnheer Hellmann, die afscheid was komen nemen
van onzen chef, ging met mij mede.
Gaedecke ontving mij zeer hartelijk, feliciteerde mij met mijn
bevordering, doch gaf tevens zijn leedwezen te kennen, dat wij moesten
scheiden, daar wij tijdens ons samenwonen, met elkander op zulk een
goeden voet verkeerd hadden. Nadat mijn opvolger voor dien eersten
nacht mijn vroegere kamer betrokken had, gebruikten wij een stevig
lunch, waarna Gaedecke en ik te paard stegen om naar Vaitele te gaan.
Onze feestkleeren waren in een handkoffer gepakt, die achter het zadel
van mijn paard vastgegespt werd.
Nog voor het invallen van de duisternis kwamen wij op de plaats onzer
bestemming, waar wij met gejuich ontvangen werden, daar de familie
Tiedemann ons eerst den volgenden morgen verwacht had. De avond ging
onder gezelligen kout voorbij; alleen speet het ons, dat wij op
Duitsche manier geen “Polter-abend” [5] konden houden!
Tegen tien uur ’s morgens verschenen directeur Beckmann en de dominee
van Apia, beiden te paard, op de factorij en, nadat de heeren een
kleine hartsterking genomen hadden, voltrok de geestelijke, achter in
den tuin, op het terras, dat bijzonder mooi met bloemen en kransen
versierd was, het huwelijk. Veel meisjes, vrouwen en mannen woonden,
gedeeltelijk op de treden van het terras, gedeeltelijk op het plein
daarvoor, de plechtigheid bij.
Terwijl wij daarna aan den keurig met bloemen getooiden bruiloftsdisch
aanzaten, en ons het heerlijk toebereide maal uitstekend lieten smaken,
kwamen twaalf bekoorlijke meisjes, met bloemkransen op het hoofd en
slingers van bloemen om het bovenlijf, binnen, en voerden ter eere van
de jonge vrouw, de vriendin harer meisjesjaren, een “Siva” uit, den
bevalligsten en liefsten dans, dien men bedenken kan. Dadelijk na het
diner keerden de directeur en de dominee naar Apia terug, waarna de
jonggehuwden en mijn persoon zich gereedmaakten den tocht naar onze
factorij te aanvaarden. De bekoorlijke Filina had bruidsgewaad en
sluier voor een eenvoudiger kleed verwisseld en besteeg het voor haar
bestemde paard, dat een dameszadel had, om naar haar nieuwe woning te
rijden, daar het onmogelijk was, er op een andere manier te komen. Haar
uitzet, in groote manden gepakt, was reeds ’s morgens door verscheiden
knechts op de factorij bezorgd. Ik reed als wegwijzer vooruit, en het
druk redeneerend paar kwam achter mij aan. Zij zouden zeker niet op den
weg gelet hebben, en wij hadden dus gemakkelijk kunnen verdwalen.
Toen wij zonder ongelukken tegen den avond de plantage bereikt hadden,
sloeg ik mijn nachtkwartier op bij den opzichter Hendriksen, waar ik
mijn opvolger reeds aantrof. Ik legde mij neer onder het voorste afdak
van het huisje op een mat, dekte mij toe met een plaid en sliep
dadelijk in, daar de rit, bij de groote hitte, mij zeer vermoeid had.
Den volgenden morgen ontbeet ik in gezelschap van het jonge echtpaar op
de tuin-veranda, pakte mijn boeltje in mijn koffer en reed, na
hartelijk afscheid genomen te hebben van Gaedecke—dien ik oprecht lief
gekregen had—en zijn alleraardigst vrouwtje, naar het dal. Vóór dien
tijd had ik den opzichter Hendriksen en mijn opvolger reeds vaarwel
gezegd. Mijn trouwe Sufa had kort te voren al mijn bagage mijn geweren
en revolvers op een handwagen geladen, die door twee werklieden naar
Laulii gereden werd, waar de boot van de factorij reeds op mij wachtte,
om mij naar Apia over te zetten.
Zeer spoedig was ik op de hoogte mijner werkzaamheden, als secretaris
van den eersten ambtenaar der Duitsche Handel- en
Plantage-Maatschappij. Deze bestonden voornamelijk in het voeren der
correspondentie met de verschillende factorijen, die onze Maatschappij
op de eilanden Upolu en Savaii bezat, en het nazien en vergelijken der
berichten omtrent de opgave van den oogst, en tevens den directeur
daarvan op de hoogte te houden. Op deze wijze vernam ik toen eerst, dat
de Maatschappij ongeveer vierduizend hectaren gronds op Samoa in
eigendom had, benevens zestienhonderd stuks rundvee en verscheiden
honderd paarden. Op haar plantages werkten meer dan duizend arbeiders,
waarvan de meesten van de Tonga- de Salomons- en de Gilbert-eilanden
naar Samoa gezonden waren, daar de Samoaners zelf tot geen enkel werk,
dat inspanning vordert, te bewegen zijn. De buitengewone vruchtbaarheid
van hun schoon vaderland, vergunt hun een ongestoord Dolce far niente;
men mocht er hun dus geen verwijt van maken, dat zij dit zoete
nietsdoen niet vrijwillig wilden opgeven.
Elke maand bezocht mijn chef geregeld de factorijen op Upolu en Savaii,
om ze te inspecteeren en een noodzakelijk onderhoud te hebben met de
respectieve directeuren. Ik vergezelde hem bijna altijd op die tochten,
en dit was voor mij van veel belang, daar ik zoodoende land en volk
beter leerde kennen.
De eerste maanden gingen kalm en rustig voorbij en het jaar 1899 zou
niet eindigen, zonder ons de definitieve regeling der staatkundige
moeilijkheden op de Samoa-eilanden te brengen.
De overeenkomst, tusschen de Duitsche Regeering en Groot-Brittannië, op
den 14en November 1899 te Londen gesloten, bepaalde, dat Engeland in
het belang van Duitschland, van al zijn aanspraken op de eilanden Upolu
en Savaii, afstand deed; deze kwamen nu uitsluitend in het bezit van
Duitschland, dat wederkeerig, ten gunste van Engeland, afzag van zijn
recht op de Tonga-archipel.
Eenige weken later, werd den 2en September, te Washington, een
gelijkluidende overeenkomst gesloten, tusschen Duitschland en de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika; dezen lieten ook hun aanspraken
varen op Upolu en Savaii, waarvoor hun het bezit van het eiland Tutuila
beloofd werd. Tutuila is het derde groote eiland van de groep en ligt
zuidoostelijk van Upolu; in de haven van Pago-Pago, aan de zuidkust,
heeft het de beste aanlegplaats van alle Samoa-eilanden, en het is
overigens ook een belangrijke bezitting.
Door deze twee overeenkomsten waren de prachtige eilanden Upolu en
Savaii een kolonie van het Duitsche rijk geworden en zullen zij, naar
wij hopen, door geen twisten, of staatkundige verwikkelingen meer
verontrust worden. Zoo mogen zij, boven aller verwachting, tot den
grootsten bloei komen!
Ik ben vast besloten dit aardsch paradijs niet te verlaten, zoolang de
goede God mij gezondheid schenkt, en mijn werkkring zoo aangenaam
blijft, als deze op het oogenblik is.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] kopra = het gedroogde, vleezige gedeelte van de kokosnoot.
[2] Een soort van bladmos.
[3] Platformen van dun hout, aan één zijde van de kano’s bevestigd om
het omslaan te beletten.
[4] Onbeschaamde kerel!
[5] Feestelijke avond voor de bruiloft.