haar jongere zuster bij zich in huis, die tot dien tijd in een naburig
dorp, met haar moeder samengewoond had. Je hebt mij zeker als een
tamelijk nuchter, in het minst niet romantisch persoon leeren kennen,
niet waar, beste Arendt? Welnu, ik kan je verzekeren, dat deze kleine
Filina, zoo heet de jonge Samoaansche, het bekoorlijkste schepseltje
is, dat mijn oogen ooit aanschouwd hebben; de belichaamde bevalligheid,
een fee, in den waren zin des woords. Lang heb ik tegen mijn hartstocht
voor die kleine gestreden, die mij zoo hoogst onverwachts, als een
felle koorts, te pakken had; maar, toen ik verleden jaar Vaitele moest
verlaten, om het bestuur over deze plantage op mij te nemen, kon ik het
niet over mijn hart verkrijgen, van Filina te scheiden zonder haar te
bekennen, hoe het met mij stond. In kinderlijken eenvoud beleed mij dit
zonnekind, dat ik ook haar niet onverschillig gebleven was. Ik kon toen
onmogelijk bij Tiedemann mijn hart uitstorten, omdat ik nog geen vaste
aanstelling had; maar nu de factorij, die aan mij is toevertrouwd,
bloeit en mij een ruim bestaan belooft, zijn de omstandigheden
veranderd. Nu heb ik dadelijk na Nieuwjaar aan Tiedemann geschreven, en
hem de hand van zijn schoonzuster gevraagd; verleden Zaterdag ontving
ik zijn toestemming en de uitnoodiging om zoo spoedig mogelijk naar
Vaitele over te komen. Dat was nu de reden van mijn reis.”
“Hartelijk, hartelijk gefeliciteerd met je engagement, vriend Gaedecke,
en dit glas op de gezondheid der bekoorlijke Filina!” riep ik uit,
terwijl ik de glazen vulde uit de flesch, die Sufa intusschen op tafel
gezet had.
“Je bent eigenlijk toch een leelijke stille-in-den-lande!” zeide ik,
toen wij het glas geleegd hadden. “Wij wonen nu bijna een half jaar
samen, en met geen enkele syllabe, geen enkel gebaar, heb je je
hartsgeheim verraden.”
“Ik houd er niet van over dingen te spreken, die onzeker zijn, of nog
niet tot een eindbesluit zijn gekomen,” antwoordde Gaedecke.
“En leg mij nu eens uit, wat je genoopt heeft, van Vaitele over het
gebergte hierheen te komen rijden, in plaats van naar Apia en van daar
uit, per boot naar Laulii te varen?” vroeg ik.
“Een knecht van mijnheer Tiedemann, die geboren is in een dorp in het
dal van den Vaivasa-stroom, vertelde mij, dat het volstrekt niet noodig
was, den grooten omweg over Apia te maken, om naar Laulii terug te
keeren. Hij wist een weg, die hoewel smal van de factorij Vaitele over
het gebergte naar het dal van het riviertje leidde, dat bij Laulii in
de zee uitloopt. De weg was wat moeilijk, maar te paard zeer goed
binnen vier uur af te leggen. Ik vertelde Tiedemann het voorstel van
zijn knecht, en mijn aanstaande zwager was het met hem eens; hij schonk
mij twee paarden, om voortaan de bezoeken bij mijn meisje ook langs
dien weg te komen brengen en gaf mij den Samoaner mee, om mij naar onze
factorij terug te brengen en mij tevens den weg te wijzen. Morgen zal
deze te voet naar Vaitele teruggaan, terwijl ik aanstaanden Zondag met
mijn vriend Arendt over de bergen daarheen zal rijden, om hem mijn
kleine lieveling voor te stellen. Is dat goed?”
“Aangenomen, beste vriend, dat doe ik!” riep ik uit, terwijl ik mijn
rechterhand in de zijne sloeg.
Zooals afgesproken was, stegen wij den volgenden Zondag dadelijk na
zonsopgang te paard en reden wij eerst ongeveer twee kilometer
bergopwaarts, vervolgens sloegen wij rechts, een bijna onzichtbaar,
smal pad in, dat ons boven op den westelijken rand van het dal voerde,
waar wij een hoogvlakte met zwaar geboomte begroeid, aantroffen. Het
was een heerlijke rit tusschen de prachtige boomen, door wier dichte
bladerkronen geen zonnestraal kon dringen, zoodat een koele,
verkwikkende schemering ons omringde. Na een klein half uur bereikten
wij het westelijk gedeelte der hoogvlakte, waar wij van de paarden
moesten stijgen en hen bij den teugel leiden, daar de helling tamelijk
steil was; in het dal gekomen, waardoor een vrij breede bergstroom
vloot, de Letoga, zooals Gaedecke hem noemde, reden wij een eind
stroomopwaarts tot aan een punt, waar weer een pad langs de oostelijke
helling opliep, dat ons naar een smallen bergkam leidde, van welks top
wij op kleinen afstand verscheiden watervallen zagen. De Letoga-val
leverde werkelijk een prachtig schouwspel op, want zijn zilverhelder
water stortte over den bergrand, die met bloeiende gewassen begroeid
was, van een hoogte van dertig meter, in een door de natuur gevormd
bekken. Ook den noordelijken rand van het 2570 voet hoog, liggende
kratermeer Lanuto, zagen wij duidelijk voor ons. Nadat wij door den
tamelijk ondiepen stroom Vailele, die aan den westelijken voet van den
bergkam in noordelijke richting loopt, zooals de meeste bergstroomen
van het eiland Upolu, gereden waren, kwamen wij door een ravijn, dat
zich dwars door de bergen van het Oosten naar het Westen uitstrekte, in
een derde rivierdal, Vaisasa genoemd, waarin ongeveer twee kilometer
meer zuidwaarts, de factorij Vaitele ligt, waar wij tegen negen uur
aankwamen. Mijnheer Tiedemann ontving ons zeer hartelijk en wist zich
mijner nog heel goed te herinneren, ofschoon er bijna twee jaar
verloopen waren, sedert mijn bezoek in de plantage.
Toen wij ons door een bad verfrischt hadden—want de rit van drie uur
had ons zeer warm gemaakt—begaven wij ons naar het schaduwrijk terras
in den tuin, waar wij door den rentmeester en de twee dames verwacht
werden. Mevrouw Tiedemann was een zeer knappe vrouw, wier lichtbruine
gelaatskleur haar op een Spaansche deed gelijken, en haar jongere
zuster, de verloofde van mijn collega Gaedecke, was inderdaad een
allerliefst, mooi meisje; klein, gracieus en slank van gestalte, zonder
direct mager te zijn, met de bekoorlijkste handjes en voetjes, die ik
ooit gezien had, zou men ze voor een kind hebben kunnen houden, als de
uitdrukking der groote, donkere oogen, met de buitengewoon lange
wimpers, niet de jonge, liefhebbende vrouw verraden hadden. Filina had
eveneens de lichtbruine tint der Samoaanschen, die haar nog een
eigenaardige bekoorlijkheid verleende. Mijn geleerde en overigens zoo
ernstige vriend was waarlijk te benijden.
Beide dames waren op zijn Europeesch gekleed, maar het toilet was
natuurlijk gewijzigd naar het tropisch klimaat; een lichte blouse van
dunne zijde en een rok van dezelfde stof; sierlijke, witte schoentjes,
maar geen kousen; zooals mijnheer Tiedemann verzekerde, konden zij het
zelfs in fijne zijden kousen niet uithouden; zij beweerden ook, dat ze
deze zeer hinderlijk vonden, omdat zij van jongs af blootsvoets
geloopen hadden.
Na het ontbijt ging ik met den rentmeester de cultures in de buurt eens
rond; de cacaoboom groeide er buitengewoon goed. Bij deze gelegenheid
vertelde mijnheer Tiedemann mij, dat er onder de dicht bij wonende
inlanders, allen trouwe aanhangers van den in November gekozen koning
Mataafa, sinds eenige dagen een ongewone drukte en levendigheid
heerschten, zoodat hij wel vreesde, dat er weldra een nieuwe strijd zou
ontbranden. Ik deelde hem daarop mijn avonturen mee met den Engelschen
officier in Apia, en de aanklacht van den Britschen consul tegen mij,
hetgeen hem zeer scheen te interesseeren; van de politieke
gebeurtenissen was hij, deels door de courant, deels door directeur
Beckmann, die nog kort geleden de factorij bezocht had, op de hoogte.
Toen wij tegen zeven uur van tafel opstonden, namen wij afscheid van de
vriendelijke familie en gingen naar huis; mijnheer Tiedemann wilde ons
een knecht meegeven, die goed met den weg bekend was, opdat wij in de
duisternis niet verdwalen zouden, daar de maan pas na achten opkwam;
doch Gaedecke bedankte voor het vriendelijk aanbod, met de opmerking,
dat hij den weg, dien hij tweemaal gegaan was, heel goed kende.
Uit het dal van den Vaisasa kwamen wij in het ravijn, dat dezen stroom
met de Vailele-rivier verbindt; de maan was nog niet boven den
oostelijken bergkam opgekomen; slechts enkele sterren verlichtten het
landschap, dat met een dicht oerwoud bedekt was; doch haar zwakke
stralen konden den grond van het ravijn niet bereiken, zoodat wij in
het stikdonker voortgingen.
“Zouden wij niet wachten, tot de maan opgekomen is?” vroeg ik mijn
vriend, “het zal nog maar een half uur duren; men kan geen hand voor
oogen zien.”
“Beste Arendt, wij kunnen onmogelijk verdwalen,” antwoordde Gaedecke.
“De paarden zullen ons veilig tot aan het andere einde van het ravijn
brengen.”
Meer dan een half uur konden wij in de duisternis verder zijn gekomen,
en nog kwamen wij niet aan den oostelijken uitgang van onzen weg; wel
was het mogelijk op enkele plaatsen, waar de boomen wat minder dicht
stonden, te bespeuren, dat de maan eindelijk boven den bergkam
opgekomen was, maar toen bemerkten wij tevens, dat wij ons niet meer in
het ravijn bevonden. Van een voetpad was geen spoor te ontdekken, en
bovendien gevoelden wij duidelijk aan den gang onzer paarden en hun
sterk snuiven, dat wij een steile helling opgingen.
“Ik begrijp volstrekt niet, hoe de paarden er toe gekomen zijn, uit het
ravijn dezen heuvel op te gaan,” zeide Gaedecke, die vlak voor mij
reed. “Wilde dieren zijn er op het geheele eiland niet, anders zou men
kunnen denken, dat zij er een geroken hadden.”
“Waarschijnlijk zal je je paard door een trek aan den teugel of een
lichten druk met het dijbeen, uit de rechte richting gebracht hebben,”
gaf ik ten antwoord, “en mijn Rossinant is jou ros gevolgd. Laten wij
ons hoofd daarover maar niet breken; wij moeten alleen een kleinen
omweg maken, want het dal van den Vailele kunnen wij niet misloopen;
het wordt voor ons uit al wat lichter, zoodat wij wel gauw weer op den
rechten weg zullen zijn.”
Werkelijk kwamen wij na een kleine poos, op een, naar wij meenden, vrij
groote open plek, die door de maan helder verlicht werd, en afgaande op
haar stand aan den hemel, reden wij dwars over deze vlakte heen tot aan
haar oostelijken rand, om van daar in het dal van den Vailele af te
dalen. Daar deze helling vrij steil en ook met boomen en struiken
bedekt was, moesten wij afstijgen en de paarden bij den teugel leiden;
het ging alles behalve gemakkelijk, om door deze verwarring van
struiken en boomen heen te komen, maar eindelijk bereikten wij dan toch
den voet van den rand om het dal. Ongeveer tweehonderd meter zuidelijk
van de plaats, waar wij in de open ruimte gekomen waren, zagen wij
enkele hutten, die, zooals wij heel spoedig gewaar werden, tot een
grooter Samoaansch dorp behoorden, dat vlak aan den linkeroever van de
rivier lag.
“Zou het niet goed zijn, eens naar die hutten te gaan, en een gids te
vragen, die ons naar ons dal brengt?” vroeg mijn metgezel, die zichzelf
zeker niet te best vertrouwde, wat de juiste kennis van den weg betrof.
“Dat is heusch niet noodig,” antwoordde ik; “wij slaan hier links zoo
ver af, tot wij het eind van het ravijn bereiken; daar gaan wij den
Vailele-stroom langs, en vervolgen onzen weg op het pad over den
bergkam, die zich tusschen deze rivier en de Letoga uitstrekt. Met
dezen helderen maneschijn kunnen wij den weg niet missen; in het
pikdonkere ravijn was dit eerder mogelijk.”
Toen wij op het punt stonden weer in den zadel te stijgen, zagen wij
tot onze groote verbazing een menigte inlanders, die uit het dorp
kwamen en vrij snel langs den linkeroever naar ons toe kwamen.
Voor zoo ver ik zien kon, waren al de mannen met buksen gewapend en
hadden zij patroongordels omgegespt.
Verschrikt riep Gaedecke uit: “Gauw! Te paard! Laten wij maken, dat wij
wegkomen!”
“Dat zou al heel dwaas wezen, vriendje!” gaf ik ten antwoord. “Die
menschen zouden ons dan voor vijanden aanzien en op ons schieten. Ik
ben overtuigd, dat het aanhangers van Mataafa zijn, zooals de meesten
der Samoaners, die in dit gedeelte van het eiland wonen. Dezen zijn
ons, Duitschers, genegen en zullen ons zeker geen kwaad doen, als zij
zien, wie wij zijn. Laten wij opstijgen, en hun stapvoets
tegemoetrijden; dat zal hen het spoedigste overtuigen, dat wij geen
kwaad in den zin hebben.”
Toen wij de vlug naar ons toe marcheerenden tot op een paar meters
genaderd waren, lieten wij onze paarden stilstaan en riepen hun ons:
“Talofa!” toe, dat door de voorsten vriendelijk beantwoord werd. Een
hunner trad daarop naar mij toe, gaf mij een hand en riep hartelijk
uit:
“O, nu herken ik u, Mijnheer! U bent de heer, die ons opperhoofd heeft
geholpen, toen wij bij uw factorij met de Engelschen en de soldaten van
Tanu vochten. Hoe komt ge zoo laat hier, zoo ver van uw huis? Zijt gij
verdwaald?”
“Ja, dat zijn wij, beste vriend,” antwoordde ik, zoo goed als ik dit in
het Samoaansch kon. “Mijn metgezel hier zal het u wel beter kunnen
uitleggen dan ik, want hij verstaat uw taal goed.”
Toen Gaedecke de gewenschte opheldering gegeven had, bood de
Samoaansche soldaat dadelijk aan, ons een zijner mannen mee te geven,
die ons naar de plantage zou brengen, wat eerstgenoemde op mijn
aanraden ook aannam; wij konden best nog eens verdwalen, vooral wanneer
de maan achter de hoogere bergen in het Oosten zou zijn ondergegaan.
Terwijl wij nu het dal in reden, zeide de inlander, dat zij op weg
waren naar hun koning Mataafa, die zijn aanhangers in den omtrek van
Apia bijeengeroepen had, om den strijd tegen Tanu en diens beschermers
opnieuw te beginnen.
Bij het eind van het ravijn gekomen, namen wij afscheid van de
Samoaners. Wij wenschten hun voorspoed in den aanstaanden krijg,
gingen, vergezeld van den gids, dien men ons had meegegeven, door het
wad van den Vailele en bereikten na een rit van bijna drie uur onze
factorij. Daar het reeds ver over middernacht was, hielden wij onzen
gids bij ons, gaven hem den volgenden morgen een paar sigaren en twee
dollars en lieten hem toen vertrekken.
Zooals wij uit de couranten en bij enkele bezoeken in Apia vernamen,
duurde de strijd tusschen Mataafa en zijn tegenpartij de geheele maand
Februari. Wij werden er ditmaal niet in betrokken, zooals in November
van het vorige jaar, daar de gevechten meer in het westelijk en
zuidelijk gedeelte van het district Tuamusanga plaats hadden. In de
eerste dagen van de maand Maart, kwam de Noord-Amerikaansche admiraal
Kautz, op het Amerikaansche oorlogsschip “Philadelphia” in Apia en nu
zouden er zeer spoedig groote dingen gebeuren. Reeds den elfden Maart
liet de admiraal bekend maken, dat Mataafa als koning was afgezet,
waartegen de Duitsche consul Rose op energieke wijze protesteerde.
Natuurlijk stoorden Mataafa noch zijn aanhangers zich aan die
afgekondigde afzetting, maar maakten zich in Apia en omstreken tot
krachtigen weerstand gereed. Mataafa sloeg zijn hoofdkwartier op, op
het schiereiland Mulinu, in de vroegere, zoogenaamde residentie van den
overleden koning Malietoa Laupopa, wiens zoon Tanu Mafili, den
beschermeling der Engelschen en Amerikanen, hij volkomen verslagen had.
Op den namiddag van den 11n Maart, kwam mij een bode van directeur
Beckmann, het schriftelijk bevel brengen, om nog dien zelfden avond in
de kano van den bode naar Apia te varen. Ik was niet weinig verrast
over deze onverwachte, plotselinge oproeping, pakte, wat ik van
ondergoed en kleeren noodig achtte, in een handkoffertje, schreef gauw
een paar regeltjes aan Gaedecke, waarbij ik den brief van den directeur
voegde, en begaf mij toen, door mijn trouwen Sufa vergezeld, op weg
naar Laulii; de bode was reeds vooruitgegaan. Ik kon niet, zooals het
eigenlijk behoord zou hebben, de terugkomst van Gaedecke afwachten, om
persoonlijk afscheid van hem te nemen, daar hij, zooals hij mij ’s
middags gezegd had, in de verst gelegen cultures bezig was.
De roeiers gebruikten hun korte riemen zoo vlug, dat ik nog voor het
vallen van den avond in de haven van Apia binnenkwam, waarop ik mij
dadelijk na de landing, tot directeur Beckmann begaf, terwijl ik mijn
knecht naar het Hotel International zond.
“Wel bedankt, beste Arendt, datje zoo gauw aan mijn verzoek hebt
voldaan,” zeide de directeur na de eerste begroeting; “wij gaan een
naren tijd tegemoet, want na de komst van admiraal Kauz en zijn vroeger
optreden, moet men op alles voorbereid wezen. Zooals je misschien
gehoord zult hebben, had Mataafa in zijn verschillende gevechten met de
aanhangers van Tanu, meer dan tweeduizend krijgslieden van dezen
laatste gevangen genomen. Dezen heeft hij daarna op het vereenigd
verzoek der consuls, de vrijheid geschonken, maar slechts onder de
uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij naar eenige verder gelegen eilanden,
hun eigenlijk vaderland, zooals b.v. Tutuila en Manua, gebracht zouden
worden en niet meer tegen hem, Mataafa, zouden vechten. Eenige dagen
geleden nu, heeft de admiraal het doorgezet, dat de Britsche kruiser
‘Royalist’ naar die eilanden afgezonden is, om deze tweeduizend
vrijgelaten gevangenen hierheen te brengen, en hen natuurlijk ter
beschikking te stellen van den jongen Tanu. De geheele maatregel is,
hoewel direct tegen Mataafa, echter indirect tegen de Duitschers
genomen. Heden morgen heeft mijnheer Kautz, koning Mataafa, die met
groote meerderheid van stemmen gekozen is, eenvoudig afgezet; hiertoe
had hij niet het minste recht, daar hij zonder toestemming van den
Duitschen vertegenwoordiger volstrekt niet bevoegd was, eenig verzoek
aan de inboorlingen te doen. Zoodra de ‘Royalist’ nu met de mannen van
Tanu hier binnenkomt, wat vanavond nog gebeuren kan, zal het, hoe het
ook ga, tot een gevecht midden in de stad komen, want Mataafa zal zich
zeker niet zonder hardnekkigen tegenstand overgeven. Al heb ik ook geen
aanzienlijke sommen in huis, daar de geldswaarde, zooals gij weet, voor
het grootste gedeelte in onze kantoren te Matafele is geborgen, heb ik
toch heel veel documenten, contracten en andere belangrijke stukken
onder mijn bijzondere berusting, die ik hoogst ongaarne naar Matafele
zou zien brengen. Voor het oogenblik ben ik met mijn zwarte bedienden
alleen in huis, daar mijn secretaris in Matautu bij mijnheer Koning is,
om over den aankoop van landerijen voor een nieuwe factorij te spreken.
Daarom, beste Arendt, heb ik je laten verzoeken, naar Apia te komen en
een paar dagen bij mij te blijven, opdat ik ten minste niet geheel
alleen sta, als er wat gebeuren mocht. Ik heb ook aan mijnheer Krüger
een bode gezonden, met het verzoek mij uw vriend Petersen voor een poos
af te staan; met twee zulke flinke Hamburgers bij mij, zal het mij en
mijn huis niet aan de noodige bescherming ontbreken!” besloot de
directeur lachend.
Een knecht werd nu naar het Hotel International gezonden, met de
opdracht, mijn knecht Sufa en mijn bagage te halen, daar mijnheer
Beckmann de kamer van zijn secretaris voor mij bestemd had. Den
volgenden morgen begaf ik mij naar den consul Rose, om hem te begroeten
en hem mede te deelen, dat ik door den directeur voor de eerstvolgende
dagen naar Apia ontboden was.
“Nu, dan komt gij juist van pas, beste Arendt,” zeide de consul, nadat
ik op zijn verzoek plaats had genomen. “Wij zullen dezer dagen zeer
vreemde dingen zien gebeuren! Een half uur geleden heb ik uit Mulinu
tijding ontvangen, dat admiraal Kautz aan Mataafa ten strengste bevolen
heeft, met zijn aanhangers binnen drie uur de stad Apia en omstreken te
verlaten. Ik kan moeilijk gelooven, dat Mataafa aan dit onredelijk
bevel voldoen zal, en vrees, dat het tot een strijd zal komen, zelfs
hier in de stad.”
Dat onze consul het bij het rechte eind had, zou spoedig blijken. Nog
in den loop van denzelfden dag, ontbood de Amerikaansche admiraal de
drie consuls, benevens de oudste vlootofficieren tot een onderhoud aan
boord der “Philadelphia.” Het gevolg van deze bijeenkomst was een
besluit, om het provisioneel bestuur en de genomen maatregelen op te
heffen, zoowel als de vrijstelling van een afkondiging, luidende, dat
Mataafa en zijn opperhoofden met hun soldaten, onmiddellijk naar hun
woonplaatsen moesten terugkeeren. De Duitsche consul en graaf Moltke,
de commandant van den Duitschen kruiser “Falke” waren in verzet gekomen
tegen dit besluit, doch tevergeefs; onze consul liet mij dien zelfden
dag een tweede proclamatie afkondigen, waarin hij protest aanteekende.
Tegen den avond verzamelden Mataafa zijn volgelingen allen in volle
wapenrusting en trok met hen van Mulinu naar de dorpen, ten zuiden van
Apia, nog in dat gebied der stad gelegen, die hij deed bezetten en
insluiten.
Intusschen was het Britsche oorlogsschip “Royalist,” vergezeld van
verscheiden groote kano’s, met de tweeduizend vrij gelaten Tanu-mannen
in de haven binnengeloopen. Zoodra deze aanhangers van den jongen Tanu
geland waren, namen zij plechtig bezit van de stad en riepen Tanu als
hun koning uit. Daar zij door de Engelsche, zoowel als door de
Amerikaansche oorlogsschepen, ruimschoots van wapenen en ammunitie
voorzien waren, begonnen zij de straten, op het Zuiden, te versperren
en te bezetten.
Te midden van deze ongeregeldheden was mijn vriend Hendrik van
Mulifanua aangekomen; bij mijn terugkomst uit de stad, trof ik hem ten
huize van den directeur aan. Aan tafel vertelde ik mijn chef, wat ik
van den consul en later van den eigenaar van het Hotel International,
die altijd goed op de hoogte was, over de bijeenkomst aan boord der
“Philadelphia” en den uitslag daarvan, vernomen had.
De directeur was reeds onderricht van de opheffing van het voorloopig
bestuur en van de proclamatie. “Ik begrijp niet,” zeide Petersen,
“waarom de commandant van de ‘Falke’ niet strenger opkomt tegen deze
ingrijpende handelingen der Engelschen en Amerikanen.”
“Dit zal ik je verklaren, mijn vriend,” antwoordde mijnheer Beckmann.
“Ik weet het van onzen consul, dat de commandant uit Berlijn strikt
bevel heeft ontvangen, elk krachtdadig optreden tegen de hedendaagsche
oneenigheden en verwarringen zooveel mogelijk te vermijden; de handen
zijn hem dus als het ware gebonden, en hij heeft hier genoeg verdriet
van. Wanneer jullie nu nog een loopje doen wilt in de stad, Heeren,”
ging de directeur voort, “dan heb ik daar niets tegen, maar komt niet
te laat thuis. Ik ga nog even naar den consul.”
Wij deden een kleine wandeling langs de haven, doch zagen daar niets
ongewoons; alleen trok het onze aandacht, dat wij noch een matroos,
noch iemand anders van de equipage der vier oorlogsschepen zagen, die
op kleinen afstand van den oever voor anker lagen. In den Duitschen
biertuin, troffen wij daarentegen veel gasten aan, en naar hun
levendige conversatie te oordeelen, waren het onze landgenooten; zij
hadden verscheiden tafels tegen elkaar geschoven en bespraken met
groote belangstelling de gebeurtenissen van den dag. Wij vroegen verlof
bij hen te komen zitten, en maakten ons bekend.
“Mijnheer Petersen, op uw welzijn in het bijzonder!” riep een der
aanwezigen mijn vriend toe, terwijl hij zijn glas ophief en op diens
gezondheid dronk.
Verwonderd keken wij op, en herkenden den heer, die in Januari aan ons
tafeltje had gezeten, toen Hendrik den Engelschen officier zoo kranig
den tuin uitgegooid had. Natuurlijk knikten wij den koopman vriendelijk
toe en hieven insgelijks onze glazen op. Toch was mij deze ontmoeting
volstrekt niet aangenaam, want misschien kon het nu, daar iedereen in
een opgewonden, ontevreden stemming verkeerde, tot onvriendelijke
toespelingen op onzen consul of president Raffel komen, die ons maar in
moeilijkheden zouden brengen. Daarom verzocht ik mijn vriend zachtjes,
zijn bier op te drinken en maar gauw te vertrekken; hij keek mij wat
verwonderd aan, maar ging toch mee, toen ik opstond en mij bij de
heeren verontschuldigde, daar de directeur ons wachtte.
Den volgenden dag vonden wij de straten, die naar het binnenste
gedeelte van het eiland voerden, bijna alle gebarrikadeerd en door de
soldaten van Tanu bezet; voor het huis van den Britschen consul, het
Gerechts-hof en de woningen der aanzienlijkste Engelsche kooplieden,
stonden Engelsche mariniers en matrozen op de wacht; op dezelfde wijze
werd het Amerikaansche consulaat bewaakt. Dien dag kwam het niet tot
een gevecht. Den morgen daarop zond Admiraal Kautz een laatste opdracht
aan Mataafa, inhoudende, dat deze met zijn soldaten op den middag van
15 Maart de gemeente Apia moest ontruimd hebben en dat, als hij hieraan
niet voldeed, met het beschieten van het door hem bezette gedeelte der
stad een aanvang zou worden gemaakt.