“Welnu, beste Arendt,” met deze woorden op zeer vriendelijken toon

gesproken, wendde consul Rose zich tot mij, “wat is uw antwoord op deze

vrij zonderlinge aanklacht?”

“Dat er geen enkel woord van waar is, consul!” riep ik hartstochtelijk

uit, daar ik mij ontzaglijk over deze gemeene leugen, dezen

schandelijken laster ergerde. “Als u het goed vindt, zal ik u het

voorgevallene naar waarheid mededeelen.”

“Dat is goed, vriend, ga uw gang,” antwoordde de consul.

Toen ik mijn verhaal eindigde en er de opmerking bijvoegde, dat

mijnheer Gaedecke, zoowel als mijnheer Hendriksen, de waarheid mijner

woorden konden bevestigen, daar zij getuigen van mijn onderhoud met den

Britschen officier geweest waren, zeide de consul, terwijl hij opstond:

“Ik heb het wel gedacht, dat de heele zaak gaan zou, zooals u ze mij

hebt afgeschilderd. Luitenant Robert, of hoe die waarde heer heeten

mag, heeft er behoefte aan gevoeld, zijn niet zeer roemrijken aftocht

voor de soldaten van Mataafa, door dit voorwendsel eenigszins te

vergoelijken. U zoudt den koning met een talrijke schaar van zijn

aanhangers, in den rug van het Tanu-leger hebben doen vallen, waardoor

Robert tot den terugtocht genoodzaakt was geworden.”

“Wilt u nu zoo goed zijn, mijnheer Arendt,” vervolgde mijnheer Rose,

“morgen hier te komen, dan zal ik aan een mijner bedienden uw

bescheiden dicteeren en deze als officiëel verslag meenemen, dat u dan

onderteekenen moet. Thans verzoek ik den beiden heeren, mij naar de

veranda achter het huis te willen volgen, waar wij onder een glas

Pschorrbräu en een sigaar, nog wat gezellig kunnen praten.”

Den volgenden morgen begaf ik mij op het vastgestelde uur, naar het

kantoor van onzen consul; ik moest mijn verklaring aangaande mijn

beschuldiging, herhalen, die door den secretaris woordelijk

opgeschreven en door mij onderteekend werd.

“Ik zou het zeer wenschelijk achten, mijnheer Arendt,” zeide de consul

ten slotte, “dat gij nog twee dagen hier kondt blijven. Ik ben namelijk

voornemens, mijn secretaris nog heden of morgen op zijn laatst, vroeg

naar Laulii te laten gaan, om ook van uw collega Gaedecke en den

opzichter Hendriksen, als getuigen, een officieel verslag op te maken.

Om nu zelfs den schijn te vermijden, dat u op beide heeren invloed hadt

kunnen uitoefenen, is het beter, dat u wacht, tot dat mijn secretaris

teruggekeerd is. U wilt den directeur hiervan wel in kennis stellen,

niet waar, en trachten, zoolang u in Apia zijt, elke ontmoeting met de

Engelschen te vermijden?”

Toen ik afscheid wilde nemen, hield de consul mij tegen, zeggende:

“Ik vind het toch noodig, dat dokter Raffel, als eerste ambtenaar van

het Duitsche rijk, onderricht wordt van de beschuldiging van den

Engelschen zee-officier, alsmede van de aanklacht van den consul Maxse

tegen u; daarom zou het het beste zijn, waarde mijnheer Arendt, dat u

met mij meegingt naar den voorzitter van den gemeenteraad.”

Binnen weinig minuten waren wij in het huis van dokter Raffel, dat

eveneens van hout gebouwd, en gelijkvloers door een breede veranda

omringd was; het lag op geringen afstand van het consulaat. Toen wij

bij den voorzitter kwamen, zat deze juist aan het lunch en, nadat de

consul mij had voorgesteld, werden wij uitgenoodigd daaraan deel te

nemen.

Onder dit tweede ontbijt, vertelde mijnheer Rose de toedracht der zaak

en legde toen de aanklacht van den Engelschen consul en het door mij

onderteekende verslag, voor den dokter neder.

“De geheele historie is eigenlijk zoo dom en plomp verzonnen, dat men

ze bijna niet ernstig kan opnemen,” zeide de dokter, toen hij de twee

geschriften doorgelezen had. “Mijnheer Maxse is anders zoo’n sluw,

geslepen man, dat ik werkelijk verbaasd ben over dit kinderachtig

knoeiwerk; hoogstwaarschijnlijk heeft hij op bevel van den commandant

der ‘Porpoise’ zoo gehandeld, die zeker woedend is over de schade,

welke zijn matrozen door de inlanders geleden hebben, en nu alles

beproeft om anderen de schuld van dezen smaad te geven.”

Na een korte pauze vervolgde hij: “Ik kan het niet anders dan goed

vinden, waarde consul, dat u de twee Duitsche heeren op de factorij

Laulii, eveneens als getuigen, een officieel verslag laat opmaken, en

dat u mijnheer Arendt zoolang hier houdt. De aanklacht van den

Engelschen consul, die ik u verzoek zorgvuldig te bewaren, is mij

eigenlijk zeer welkom, daar zij mij het onomstootelijk bewijs is, dat

de commandant van de ‘Porpoise’ werkelijk een afdeeling van zijn

compagnie onder bevel van een officier afgezonden heeft, om de Tanu’s

tegen de aanhangers van Mataafa bij te staan; hiertoe had hij volstrekt

geen recht, want zoo schond hij de neutraliteit. Ik zal van deze

omstandigheid ter rechter tijd gebruik weten te maken.”

Hierop nam de president met een paar vriendelijke woorden afscheid van

mij en verzocht den consul hem in zijn studeervertrek te volgen, daar

hij nog iets gewichtigs met hem te bespreken had.

Ik begaf mij onmiddellijk naar mijnheer Beckmann om hem, zoo het

behoorde, alles mede te deelen omtrent het officiëele verslag op het

consulaat en ons bezoek bij dokter Raffel.

“Hm! hm!” kwam de directeur peinzend, toen ik vertelde, welk gewicht de

voorzitter hechtte aan de aanklacht van den Engelschen consul. “Gij

zult zien, dat er al heel spoedig iets gewichtigs gebeuren zal; ik heb

dokter Raffel als een bijzonder verstandig en energiek man leeren

kennen, die den Engelschen, deze belachelijke aanklacht zeker wel

betaald zal zetten.”

In mijn hotel teruggekeerd, vond ik tot mijn groote verrassing op het

terras, de heeren Krüger en Hendrik Petersen, die wel wat laat hun

lunch gebruikten.

“Hallo! Daar is zoo waar onze Arendt!” riep Petersen uit, van zijn

stoel opspringend en mij haastig tegemoetkomend. “Welk gelukkig toeval

voert je juist vandaag naar Apia, kerel?” vervolgde hij, terwijl hij

mij hartelijk omhelsde. “Kom je ons misschien een laten

nieuwjaarswensch brengen?”

Nadat mijnheer Krüger mij ook zeer vriendelijk begroet had, nam ik

plaats, bediende mij zelf van een glas bier en een sigaar, en vertelde

toen mijn beiden vrienden uitvoerig, wat mij naar Apia gevoerd had.

“Maar dat is alleraardigst, Arendt!” riep Hendrik uit, terwijl hij zijn

glas tegen mij ophief, “dat je die verwaande Engelschen zoo getracteerd

hebt! Nu zal jij de belhamel geweest zijn, die den twist heeft doen

ontbranden! Het is al te dol!”

“Onze consul zal zijn Engelschen collega wel eens ongezouten de

waarheid zeggen,” zeide mijnheer Krüger. “Hij is er juist de man voor.

Maar nu zullen wij naar den directeur gaan, Hendrik,” vervolgde hij,

terwijl hij opstond, “en dan naar Matafele wandelen, om den collega’s

een bezoek te brengen.”

“Als u het goedkeurt, mijnheer Krüger, ga ik met u en Hendrik mee naar

Matafele,” zeide ik. “Bij den directeur ben ik al geweest, en ik zal op

u wachten, daar u weer hier langs komt.”

Na het diner bij directeur Beckmann, bij wien wij alle drie genoodigd

waren, vroeg Petersen, of ik met hem de haven eens langs wilde gaan om

wat pleizier te maken. Mijnheer Krüger bleef thuis om met den chef,

onder een glas bier nog wat te praten.

“Een collega uit Matafele heeft mij vanmiddag verteld,” zeide mijn

vriend Hendrik, toen wij de havenkade bereikten, “dat er kort geleden

een nieuwe uitspanning, geheel in Duitschen stijl, geopend is geworden;

zij ligt vlak bij het strand, niet ver van de plek, waar Matautu, het

oostelijk gedeelte van Apia, begint. Ik heb heel veel zin dit hoog

geroemd café eens te bezoeken en er een lekker glas Münchener te

drinken. Als wij het strand maar volgen, moeten wij er binnen een paar

minuten zijn.”

Werkelijk zagen wij al heel gauw een tuin, die met talrijke Chineesche

lampions verlicht was. Hij strekte zich uit tot aan dan rand van de

haven en scheen geheel op zijn Duitsch ingericht, behalve dat in plaats

van beuken en lindeboomen of oranjeboompjes in potten, de prachtigste

waaierpalmen, bananen en oranjeboomen op al de tafeltjes een heerlijke

schaduw gaven. Nadat wij den tuin eens hadden rondgeloopen, en al de

tafeltjes bezet hadden gevonden, bemerkten wij nog een vrij plekje,

vanwaar wij een ruim uitzicht hadden over het geheele oostelijk

gedeelte van de haven. Een Samoaansch kellner bracht ons, zonder een

bestelling afgewacht te hebben, twee echt Beiersche bierpotten vol

schuimend bier, dat wij dadelijk met attentie proefden, en toen eerst

begonnen wij meer te letten op de drie andere bezoekers, die reeds aan

hetzelfde tafeltje zaten. Wij hadden hen, toen wij plaats namen, alleen

door het afnemen van den hoed gegroet, en dit was door hen ook zoo

beantwoord.

Mijn vriend Hendrik, die steeds naar de ingeving van het oogenblik

handelde, zeide opeens tot den oudste der drie heeren: “Ik geloof, dat

wij landgenooten zijn, Heeren! Laat ons eens samen klinken en een

flinke teug nemen op ons wederzijdsch welzijn! Ik heet: Hendrik

Petersen, en mijn vriend hier, Herman Arendt, beiden in betrekking op

de kantoren der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij op de

Samoa-eilanden. Gezondheid!”

Na over deze grappige manier van voorstellen gelachen te hebben,

klonken wij samen, waarna de oudste heer zich bekend maakte als de

bezitter van een grooten Duitschen winkel in Apia. Zijn naam was Eduard

Helberg en hij voegde er bij, dat hij zich onzer nog heel goed

herinnerde, want wij hadden verleden jaar Kerstmis, groote inkoopen aan

speelgoed en peperkoek bij hem gedaan.

“Laat mij u,” ging hij voort, “mijnheer Baumann, dekofficier aan boord

van onzen kruiser ‘Falke’ en mijnheer Melberg, mijn collega en vriend,

voorstellen.”

Wij konden ongeveer een uurtje prettig hebben zitten praten, toen een

clubje van acht of tien man, naar het uiterlijk zeelieden, aan een leeg

geworden tafeltje, dicht bij ons, plaats nam en den kellner in het

Engelsch, bier bestelde.

“Engelsche matrozen, die zeker de brandewijnflesch dapper hebben

aangesproken,” zeide mijnheer Helberg zachtjes tot ons.

“Dat zijn geen gewone matrozen,” zeide de Duitsche dekofficier.

“Ofschoon zij in politiek zijn, herken ik er toch een paar van als mijn

collega’s op de ‘Porpoise’ en zelfs twee die officier zijn.”

“Misschien is de een wel je beroemde kennis van het gevecht bij Laulii,

Arendt.” riep Petersen hardop.

“Schreeuw toch zoo niet, Hendrik,” zeide ik verschrikt. “Als die

luitenant werkelijk bij die lui is, kon het wel eens een schandaaltje

worden, wanneer hij mij herkende, want dat gezelschap komt mij voor

vrij sterk boven zijn bier te zijn.”

Inderdaad scheen de officier, die bevel had gevoerd over de equipage

van de “Porpoise” in dat bewuste gevecht, Hendriks woorden gehoord te

hebben; al had hij ze ook niet verstaan, de namen “Laulii” en “Arendt”

moesten hem opmerkzaam gemaakt hebben, want ik kon duidelijk bespeuren,

hoe een der twee officieren zich eenigszins van zijn stoel ophief, en

een vorschenden blik naar ons tafeltje wierp. Daar hij door een lamp,

die juist boven zijn plaats hing, helder verlicht werd, herkende ik

dadelijk den officier.

“Heeren,” zeide ik, “ik stel voor, ons bier uit te drinken en den tuin

kalm te verlaten, voor het tot twisten komt, hetgeen mij, als man van

zaken zeer onaangenaam zou zijn.”

“O, waarde Heer,” antwoordde Petersen, die waarschijnlijk door het wel

wat al te ruim gebruik van bier, tot twisten geneigd scheen, “ga gerust

uw gang; wij, mijn vriend en ik, zullen toch voor die Engelsche heeren

het veld niet moeten ruimen. Niet waar, Arendt?”

Voor ik nog een woord kon antwoorden, kwam de Engelsche officier bij

ons tafeltje, nam mij minachtend lachend van het hoofd tot de voeten op

en zeide toen, natuurlijk in het Engelsch: “Het verheugt mij, u ook

eens in wat fatsoenlijker gezelschap te zien dan zooals onlangs, toen

ik kennis met u maakte, omringd van de rebelsche honden van den

ellendigen Mataafa.”

“Ik beschouw de soldaten van koning Mataafa voor vrij wat fatsoenlijker

dan een laffen, leugenachtigen lasteraar, mijnheer, wiens vernieuwde

kennismaking mij volstrekt niet tot eer kan zijn, verstaan?” riep ik

eveneens in het Engelsch, terwijl ik van mijn stoel opsprong.

“Insolent fellow!” [4] schreeuwde de Engelschman woedend; hij wendde

zich daarop naar het tafeltje, waaraan zijn landgenooten zaten en riep

ze bij zich. “Neemt dezen knaap gevangen en brengt hem aan boord. Hij

is mijn arrestant!”

“Hoho! Daarin hebben wij ook nog een woordje mee te spreken, Sir,” riep

Hendrik uit, zich strijdlustig naast mij plaatsend. “Wie zijt gij? En

wie geeft u het recht een Duitscher, een ambtenaar van de Duitsche

Handel- en Plantage-Maatschappij te arresteeren?”

“Ik ben officier van het schip van H.M. ‘Porpoise’ en neem dien man in

hechtenis, omdat hij mij beleedigd heeft,” antwoordde de luitenant.

“Waaraan kan men herkennen, dat gij een Britsch marineofficier zijt,

mijnheer? Misschien aan uw onbeschaamdheid en omdat gij dronken zijt?”

schreeuwde Hendrik hem toe.

“Brutale hond!” riep de Engelschman woedend uit, en hij gaf Petersen

een stomp tegen de borst, doch mijn vriend met zijn Hercules-gestalte

beantwoordde den slag onmiddellijk door een krachtigen slag in het

aangezicht, zoodat de geslagene achteruit waggelde; toen vatte hij hem

bij den kraag en den gordel, beurde hem op, en wierp vervolgens den

hevig spartelenden en luid brullenden snoever over den lagen

afsluitmuur van den tuin in het water. “Ziezoo, laffe schurk,” riep

Petersen diep ademhalend uit, “dat frissche bad zal je, naar ik hoop,

goeddoen!” Met een grooten sprong kwam hij weer bij ons tafeltje en

wilde nu zonder complimenten den overigen zeelieden te lijf, toen ik

hem, geholpen door mijnheer Melberg, bij de armen vasthield.

Op het oogenblik dat mijn tegenpartij in het water viel, stonden de

Engelschen op, om ons aan te vallen, doch zij bleven plotseling staan,

toen mijnheer Baumann hen tegemoettrad. Hij maakte zich bij den tweeden

Engelschen officier bekend, als dekofficier van den Duitschen kruiser

“Falke”. Enkele Engelschen herkenden hem nu ook, en hij gaf toen met

een paar woorden nadere verklaring van het beleedigende en sarrende

gedrag van den luitenant.

De officier was verstandig genoeg, den Duitschen zeeman te gelooven en

verliet dadelijk met zijn gezelschap den tuin, om iederen verderen

twist te vermijden en allereerst naar zijn kameraad te gaan zien, die

in het water geworpen was. Door het onvrijwillige bad was deze geheel

nuchter geworden en naar den oever gezwommen, zooals mijnheer Helberg

ons vertelde, die het van den tuinmuur gezien had. Ik bedankte den

Duitschen dekofficier hartelijk voor zijn tusschenkomst, die ons een

bijzonder vervelende botsing met de Engelschen bespaard had; daarop

lieten wij ons nog een potje bier brengen, dat wij voornamelijk op de

gezondheid van onzen wakkeren kampioen ledigden, die op zulk een krasse

en energieke wijze den onbeschaamden rustverstoorder uit den weg

geruimd had.

Het was bij middernacht, toen Hendrik en ik het Hotel International

bereikten.

NEGENDE HOOFDSTUK.

HET BOMBARDEMENT VAN APIA.

Den volgenden morgen deelde de hotelhouder ons verheugd mede, dat er

ten gevolge van de bemiddeling van dokter Raffel, door de drie consuls

tot herstel van de orde en rust, tusschen de verschillende partijen,

een voorloopig bestuur benoemd was, en dat dokter Raffel, als

voorzitter van den gemeenteraad, tot president was gekozen.

Hendrik en ik haastten ons met het ontbijt en begaven ons daarna naar

onzen Directeur Beckmann, waar wij mijnheer Krüger reeds aantroffen.

Deze had met het ontbijt niet op ons gewacht, daar wij den vorigen

avond wel wat te veel bier hadden gedronken en dus langer geslapen

hadden dan gewoonlijk.

Toen de twee heeren de mededeeling van den hotelhouder bevestigd

hadden, vertelde ik, zoo getrouw mogelijk, wat er in den Duitschen

biertuin voorgevallen was, en liet daarbij voornamelijk uitkomen, hoe

Petersen den ruziezoeker buiten gevecht had gesteld.

“Je bent toch een kraan van een vent, Petersen!” riep de directeur

lachend uit, toen ik mijn verhaal gedaan had. “Als je dien driftkop

niet zoo gauw op zijn plaats hadt gezet, was het den rekel misschien

toch nog gelukt, onzen vriend Arendt, met de hulp van de andere

Engelschen, naar de ‘Porpoise’ te sleepen, dat zeker tot zeer

onaangename verwikkelingen aanleiding zou gegeven hebben. Ik acht het

niet kwaad, onzen consul van dit geval in kennis te stellen, vóór zijn

Engelsche collega het hem op zijn manier komt vertellen.”

“Draagt het uw goedkeuring weg, directeur, dat ik met u mee ga naar den

consul?” vroeg mijnheer Krüger. “Ik wil afscheid van hem nemen, want

direct na het lunch, zou ik gaarne naar Mulifanua terug willen keeren.”

Consul Rose was nog onkundig van het voorgevallene; hij feliciteerde

Petersen met diens kloek optreden, en maakte zijn excuus, dat hij ons

moest verlaten, daar hij een conferentie bij president Raffel moest

bijwonen.

Wij zaten nog aan het ontbijt, waaraan directeur Beckmann ook deelnam,

toen onze consul op het terras van het hotel verscheen, zich een

couvert liet brengen, en ons toen met opgewekten toon, den afloop der

conferentie mededeelde.

“Onze dokter Raffel is toch een slim, scherpzinnig man, dat moet hem

nagegeven worden,” zeide mijnheer Rose, nadat hij zich een glas wijn

had ingeschonken. “Reeds bij het begin der zitting zette hij

ons,—d.w.z. den Engelschen en Amerikaanschen consul en mijn

persoon—uiteen, dat, door het oprichten van een provisioneel bestuur,

mijnheer Chambers voortaan geen recht meer had als president van de

rechtbank op te treden; daarom zou hij,—n.l. dokter Raffel,—als

voorzitter van den gemeenteraad, het gerechtshof doen sluiten. Ondanks

het hevig verzet van de twee andere consuls, zetten dokter Raffel en ik

de sluiting van het gerechtshof door, voorloopig ten minste, want ik

vrees wel, dat voornamelijk mijn collega Maxse het niet daarbij zal

laten, maar al het mogelijke beproeven om zijn vriend Chambers zijn

invloedrijken post weer terug te bezorgen.”

Dat onze consul zich hierin niet vergist had, bleek reeds den volgenden

dag, 7 Januari. Door toedoen van den Engelschen consul, bracht de

commandant der “Porpoise” een afdeeling mariniers en matrozen aan land,

onder wier bescherming Mr. Chambers zich naar de zitting van het

gerechtshof begaf, en verklaarde, dat hij zijn ambt als president

zooals vroeger wilde waarnemen. Een wacht mariniers bleef voor zijn

persoonlijke veiligheid voor het huis gestationneerd.

Zoowel president Raffel, als onze consul, moesten, hoewel zij

schriftelijk protesteerden, deze daad van geweld lijdelijk toelaten,

wilden zij het niet tot een hevige en gevaarlijke botsing met de

Engelschen en Amerikanen laten komen. Zooals de naaste toekomst

intusschen leeren zou, deden de beide heeren de noodige stappen bij het

Duitsche rijk, tot krachtige ondersteuning der Duitsche belangen op de

Samoa-eilanden.

Nog op den middag van den 7n Januari liet de consul mij roepen en

deelde mij mede, dat er nu geen beletselen meer voor mij waren om naar

de factorij terug te keeren, daar zijn secretaris met het officieel

verslag van de heeren Gaedecke en Hendriksen, weer thuis was gekomen.

“Ik ben overigens vast overtuigd,” besloot de consul, “dat mijn

Engelsche collega kalmpjes deze geheele zaak den kop zal indrukken, al

was het alleen om den smadelijken en belachelijken afloop van het

optreden van een zijner officieren in den Duitschen biertuin. Mocht

echter, onverhoopt, de commandant van de ‘Porpoise’ of mijnheer Maxse,

met u willen afrekenen, beste Arendt, dan zal ik u onmiddellijk daarvan

op de hoogte stellen. Vaarwel!”

Nadat ik daarop van directeur Beckmann afscheid genomen had, voer ik in

een kano, die men mij hiervoor leende, naar Laulii, waar ik nog vóór

het vallen van de duisternis aankwam.

“Goddank, beste vriend, dat gij heelhuids en gelukkig aan de handen der

Amelekieten ontkomen zijt!” riep Gaedecke uit, en hij begroette mij

hartelijk, toen ik op de veranda kwam.

Onder het souper moest ik al mijn wederwaardigheden in Apia uitvoerig

vertellen.

“Die Petersen moet toch een prachtstuk van een kerel wezen; ik zou hem

gaarne persoonlijk willen leeren kennen,” zeide mijn collega, toen ik

hem de scène in den biertuin afschilderde. “Hij schijnt in alle geval

de eenige manier te bezitten om met deze pleizierige heeren ‘Beefs’ om

te gaan. Wat nu de jongste politieke gebeurtenissen in Apia betreft,

die verontrusten mij niet bijzonder; dokter Raffel zal wel de noodige

maatregelen weten te treffen, om aan den huidigen overmoed der

Engelschen paal en perk te stellen.”

De eerstvolgende weken gingen met rustig werken op onze afgelegen

plantage voorbij. Directeur Beckmann was zoo attent, ons iederen

Zaterdag de Duitsche courant te zenden, die in Apia in druk verschijnt;

ook bracht de bode de brieven mee, die uit het vaderland voor ons waren

aangekomen; zoo bleven wij van alles goed op de hoogte.

Op een Zaterdagavond zeide collega Gaedecke, dat hij mij voor een paar

dagen alleen zou laten, daar hij den volgenden morgen vroeg naar Apia

zou vertrekken en van daar te paard naar de plantage Vaitele gaan; hij

had een schrijven ontvangen van mijnheer Tiedemann, die hem dit had

opgedragen.

“Ik kom niet later dan Dinsdag terug, beste vriend,” voegde Gaedecke er

bij. “Hendriksen kan heel goed alleen het opzicht houden over de nieuwe

cultures, zoodat jij zelf volstrekt niet gestoord zult worden.”

Toen ik den volgenden Dinsdag tegen den avond van mijn ronde op de

plantages, aan den oostelijken rand van het rivierdal naar huis keerde,

bemerkte ik beneden in het dal twee ruiters; in den voorsten herkende

ik tot mijn groote verbazing Gaedecke, terwijl de andere een Samoaner

was. Ik haastte mij zoo gauw ik kon, de helling af te loopen en kwam

bijna tegelijk met de ruiters aan het woonhuis.

“Maar om ’s Hemels wil, vriend, hoe kom jij nu van de bergen hier en

dan nog wel te paard?” riep ik uit. “Ben je misschien uit Apia over het

gebergte komen rijden?”

“Zoo dadelijk zal je alles vernemen,” antwoordde Gaedecke. “Laat mij

eerst voor mijn metgezel en de paarden zorgen.”

Onze bedienden, die intusschen waren komen aanloopen, ontvingen nu

bevel, de paarden in de nabij zijnde loodsen onder dak te brengen, en

den Samoaner mee te nemen naar hun woning, waar de kok hem te eten

moest geven.

Toen mijn vriend een verfrisschend bad had genomen en wij op de veranda

ons avondeten gebruikten, bevredigde hij eindelijk mijn

nieuwsgierigheid.

“Voor wij iets anders doen,” ving hij glimlachend aan, “zou ik vanavond

niet gaarne bier, maar een glas wijn met je drinken, vriend Arendt, en

wel op iemand, die mij onuitsprekelijk dierbaar is!”

“Drommels! Je bent toch niet hals over kop verliefd geworden en je hebt

je toch maar niet dadelijk verloofd?” riep ik verrast uit, terwijl ik

Sufa order gaf een flesch wijn uit den kelder te halen.

“Verliefd ben ik reeds lang, verloofd pas sedert gisteren. Luister maar

eens, oudje!” zeide Gaedecke met een van vreugde stralend gelaat. “Je

herinnert je nog wel mijnheer Tiedemann, in de factorij Vaitele, dien

wij kort na onze landing in Apia met directeur Beckmann bezocht hebben?

Tiedemann is gehuwd met een Samoaansche, een zeer mooie, jonge vrouw,

die wij toen niet gezien hebben, omdat zij haar man juist een baby

geschonken had.

Op Samoa · 第 8 / 11 段