Na verloop van een maand waren alle toebereidselen afgeloopen, en

mijnheer Krüger verliet ons, om naar Mulifanua terug te keeren, daar

hij overtuigd was, dat Gaedecke volkomen in staat zou zijn, het bestuur

over de jonge plantage op zich te nemen en deze tot bloei te brengen.

Intusschen was de oogst der weinige cultures van de oorspronkelijke

plantages Laulii binnengebracht; een kotter werd uit Apia ontboden om

dezen af te komen halen en ik had de handen vol met het in orde maken

der boeken en die bij te houden. Mijn vroegere makker en ik zagen

elkander alleen bij de maaltijden, als ik hem niet in mijn vrije

uurtjes een bezoek bracht op de verschillende plantages, die onder

zijne leiding aangelegd moesten worden en waarover hij het toezicht

hield. Hij had hiervoor al zijn tijd noodig. Alleen des Zondags bleef

Gaedecke in onze gemeenschappelijke woning, die wij zoo gezellig

mogelijk ingericht hadden. Alles was er zindelijk en frisch; enkele

schreden van onze deur, stroomde het heldere, koele water van het

riviertje, terwijl de bloeiende boomen en heesters de lucht met hun

welriekende geuren vervulden. Het had veel van een liefelijke idylle!

ACHTSTE HOOFDSTUK.

KONING MATAAFA.

Ongeveer tegen het midden van de maand Augustus keerden Gaedecke en ik

op een morgen van de hooger gelegen koffie- cacao- en theeplantages,

die een rijken oogst beloofden, naar ons huis terug, toen wij heel

onverwachts in het rivier-dal een talrijke menigte inlanders

tegenkwamen, die allen met buksen gewapend waren en een gordel met

patronen aangegespt hadden. Aan het hoofd der Samoaners marcheerden

twee mannen, waarvan een ons bekend voorkwam.

“Is dat niet het opperhoofd, van wien directeur Beckmann de nieuwe

landerijen gekocht heeft?” vroeg mijn vriend, die wat bijziende was.

“Ja, hij is het,” antwoordde ik, want ik herkende hem, “wat zou hij in

het schild voeren, om met zooveel volk hierheen te komen?”

Op dit oogenblik herkende het opperhoofd ons eveneens; hij zeide een

paar woorden tot den man, die naast hem liep, bleef toen staan en riep

ons heel vriendelijk zijn: “Talofa!” toe. Wij beantwoordden zijn groet

op dezelfde wijze en gaven hem de hand, toen wij bij hem gekomen waren.

Zijn metgezel, een groot, reeds bejaard Samoaner, wiens bovenkleed en

lava-lava van een fijne zijden stof vervaardigd waren, nam zijn buks

van den schouder en gaf ons toen ook vriendelijk lachend de hand.

“Onze aanstaande koning, Mataafa!” zeide het opperhoofd, op plechtig

ernstigen toon, terwij hij op dezen wees.

Gaedecke en ik bogen zeer beleefd en eerstgenoemde begroette met een

paar woorden, den koning, die uit de verbanning teruggekeerd was.

“Zoudt gij de twee mannen niet vragen, of zij bij ons willen rusten?”

vroeg ik mijn landgenoot in het Duitsch. “Wie weet, of deze dienst ons

later niet nuttig kan zijn.”

“Gij hebt zoo waar gelijk, mijn beste,” antwoordde Gaedecke. Hij

noodigde daarop Mataafa benevens het opperhoofd uit, een weinig te

rusten in onze woning vlak in de buurt, en een klein lunch te

gebruiken. De uitnoodiging in uitstekend Samoaansch gedaan, scheen den

ex-koning te verrassen en te verheugen tevens, want hij gaf ons

nogmaals de hand, er bijvoegende, dat het hem bijzonder aangenaam was,

al dadelijk in de eerste dagen van zijn terugkomst uit de verbanning,

gastvrijheid te mogen ondervinden bij Duitsche heeren, daar hij steeds,

voor alles, wat Duitsch was, de grootste achting en sympathie

gekoesterd had.

Na een klein halfuur waren wij bij ons huis; Gaedecke bracht Mataafa en

het opperhoofd naar de veranda aan de voorzijde, en ik wees het gevolg,

dat uit ongeveer veertig inlanders bestond, een plaats aan, in het

schaduwrijk boschje, aan den oever van het riviertje. Toen haastte ik

mij naar de loods en beval Sufa dadelijk eenige flesschen bier, met wat

koud vleesch en versch brood, dat onze kok om den anderen dag zelf

bakte, naar de veranda te brengen; Gaedeckes knecht en de kok moesten

vier flesschen whiskey, benevens een mand scheepsbeschuit naar het

gevolg aan den oever dragen en daar uitdeelen.

Bij mijn terugkomst op de veranda, had mijn vlugge knecht de tafel

reeds gedekt en de spijzen er op gezet.

“Op het welslagen uwer onderneming!” zeide Gaedecke, zijn glas tegen

dat van den ex-koning aanstootend, en ik volgde zijn voorbeeld.

“Dank u, Heeren, voor uw vriendelijke wenschen, die zeker vervuld

zullen worden. Daarvan ben ik vast overtuigd!” antwoordde Mataafa.

Gedurende het kleine maal, dat wij vrij haastig gebruikten, deelde

Mataafa uit zijn bijna negenjarig verblijf op het eilandje Jaluit,

eenige voorvallen mee, die ons oprecht medelijden deden krijgen met den

man, zoo wreed door het lot behandeld. Hij verzekerde ons, dat de

inboorlingen der Maarschalks-eilanden ver bij de Samoaners

achterstonden, wat beschaving, karakter en levenswijze aangaat;

misschien zou hierin echter spoedig verbetering komen, omdat er onlangs

op Jaluit een kolenstation voor de Duitsche marine was opgericht; dat

was gebeurd in de eerste jaren zijner verbanning.

Na een rust van een klein uur, vertrokken de hoofden weer met hun

gevolg. Wij hadden Mataafa het gebruik van onze booten aangeboden,

indien hij zijn reis naar Apia wellicht over zee zou willen

voortzetten; maar hij had bedankt, daar het hem beter voorkwam, in de

haven van Apia niet met zulk een sterk gewapend gevolg binnen te

loopen. Het zou de aandacht van het bestuur trekken en hem misschien

onaangenaamheden berokkenen. Hij gaf er de voorkeur aan langs de kust

verder te gaan, om zich in de enkele dorpen daar, aan zijn aanhangers

te vertoonen, die reeds vernomen hadden, dat hij uit de ballingschap

teruggekeerd was. Hij bedankte ons vriendelijk voor ons aanbod en zette

toen in snellen pas, de reis langs de kust naar Laulii voort.

Toen ik eenige dagen later naar Apia voer, om de noodige gelden in

ontvangst te nemen, vernam ik, tot mijn groote verbazing, dat Mataafa,

in de laatste dagen van November, inderdaad met groote meerderheid van

stemmen, door de Samoaners tot koning gekozen was. Zooals directeur

Beckmann mij later vertelde, had deze meerderheid het zesdubbele van de

stemmen bedragen, die voor den tegen-candidaat Tamasese, onzen ouden

vriend in Mulifanua, waren opgenomen. Tot de keus van Mataafa, hadden

de consuls, als vertegenwoordigers der drie mogendheden, reeds hun

toestemming gegeven. De directeur geloofde echter, dat deze

koningskeuze bezwaarlijk zonder verdere gevolgen zou blijven, daar

voornamelijk de Engelschen, met hun consul Maxse aan het hoofd, alle

zeilen zouden bijzetten, de keuze van Mataafa te doen mislukken; zij

waren er daarom niet mee ingenomen, omdat de nieuwe koning als een

verklaarde vriend van Duitschland bekend stond.

De naaste toekomst zou leeren, dat mijnheer Beckmann goed had gezien.

Den 31n December waren Gaedecke en ik naar Apia gevaren, om aan een

uitnoodiging van onzen directeur te voldoen en den Oudejaarsavond ten

zijnen huize, in den kring der gezamenlijke beambten der Duitsche

Handelmaatschappij, in Matafele, te vieren. Wij konden onze factorij

gerust voor eenige dagen aan de hoede toevertrouwen van een onlangs

aangesteld opzichter, dien mijnheer Krüger ons uit Mulifanua gezonden

had, om Gaedecke bij het toezicht over het werkvolk behulpzaam te zijn.

Hendriksen, zoo heette de opzichter, was reeds sedert verscheiden jaren

werkzaam geweest op de plantage Mulifanua, en had zich onder de leiding

van Mertens tot een flink, bruikbaar ambtenaar gevormd, die het ook

verstond, het werkvolk op de plantages, dat tot verschillende

volksstammen behoorde, met tact en beleid te behandelen.

Na een heerlijk souper, dat directeur Beckmann zijn gasten had

aangeboden, begaven wij ons in den fraaien, goed onderhouden tuin

achter het huis, en wachtten daar, onder levendige gesprekken, een glas

punch en een sigaar, het begin van het nieuwe jaar af. Juist hadden wij

plaats genomen aan de verschillende tafeltjes, toen onze consul,

mijnheer Rose, de opvolger van mijnheer Biermann, zich met twee heeren,

beambten van den Duitschen consul, bij ons voegde, en zich wegens zijn

late komst bij onzen directeur verontschuldigde met de woorden: “Beste

vriend, het was mij onmogelijk vroeger te komen. Toen ik op het punt

stond mij met deze heeren tot u te begeven, kreeg ik een boodschap van

dokter Raffel, om mij zoo spoedig mogelijk bij hem te vervoegen.”

“Is er dan iets bijzonders gebeurd, waarde Heer, dat de voorzitter van

den gemeenteraad u nog op zulk een vergevorderd uur wilde spreken?”

vroeg de directeur verwonderd.

“Zeker, zeker!” antwoordde de consul. “Ik zal het u en dezen anderen

heeren dadelijk vertellen; op hun stilzwijgendheid kan ik toch zeker

rekenen, maar geef mij eerst een sigaar en een glas punch, beste

Beckmann, ik heb behoefte aan een kleine hartsterking.”

“Zooals gij weet,” begon consul Rose, na zich met een glas punch

verkwikt en een sigaar opgestoken te hebben, terwijl hij zich naar de

heeren aan zijn tafel wendde, “zooals gij weet, stierf de oude Malietoa

den 22sten Augustus in Mulinu en in het begin van November keerde de

verbannen Mataafa reeds uit Jaluit terug. Eenige weken geleden is deze

met groote meerderheid van stemmen tot koning gekozen en door ons,

consuls, ook als zoodanig erkend. Zooals ik gedacht had, viel deze

keuze niet in den smaak van de heeren Engelschen en mijn beide

collega’s; de Engelsche, zoowel als de Amerikaansche consul, begonnen

dadelijk allerlei kuiperijen tegen Mataafa, hoewel zij diens keuze

goedgevonden hadden. Zonder moeite gelukte het hun dan ook, den rechter

Chambers, die zich jegens al, wat Duitsch is, alles behalve vriendelijk

getoond heeft, voor hun plannen te winnen. Naar dokter Raffel een uur

geleden medegedeeld heeft, zal morgen, 1 Januari, de keuze van Mataafa

een onderzoek moeten ondergaan, hetgeen niets anders dan een ellendige

comedie is, en de zoon van Malietoa, de jeugdige Fanu Mafili, tot

koning worden uitgeroepen. Deze Tanu is nog heel jong; hij gaat op de

Engelsche Zendelingenschool en is een volkomen willoos werktuig in de

handen der Engelschen en Amerikanen. U kunt nu gemakkelijk begrijpen,

Heeren, welke gevolgen de benoeming van Tanu voor de belangen van

Duitschland hebben zal.”

“Ik ben vast overtuigd, dat Mataafa zich niet zonder krachtig verzet

schikken zal in zijn vernedering,” zeide directeur Beckmann, toen de

consul zijn verhaal geeindigd had, dat vooral Gaedecke en mij vreemd

voorkwam, daar de heeren, die in Apia woonden, natuurlijk beter met

alles, wat er gebeurde, bekend waren.

Om twaalf uur begroetten wij het Nieuwe Jaar met onze hartelijke

wenschen voor het verdere welzijn der Duitsche Handel- en Plantage-

Maatschappij, waarna consul Rose een dronk instelde op het verre

vaderland en den Duitschen keizer, waarmee wij juichend instemden;

daarop namen wij afscheid van onzen vriendelijken gastheer.

Den volgenden dag legden wij eerst een bezoek af bij directeur Beckmann

en feliciteerden hem met het Nieuwe Jaar; wij gaven daarna onze

kaartjes af bij den, in de buurt wonenden Duitschen consul, mijnheer

Rose, die, zooals de knecht ons zeide, niet thuis was, maar zich naar

den voorzitter Raffel begeven had. In Matefele vonden wij de meeste

beambten in het huis van den directeur van het Hoofdbestuur, aan een

feestelijk ontbijt vereenigd, waaraan wij dadelijk moesten deelnemen.

Toen wij tegen den avond naar ons hotel terugkeerden, zagen wij in alle

straten en pleinen langs de haven een groote menigte inlanders, die

allerlei gebaren maakten, schreeuwden en druk heen en weerliepen,

zoodat wij dadelijk begrepen, dat de heeren Chambers en Maxse hun doel

bereikt hadden. In het Hotel International gekomen, bevestigde onze

landgenoot ons vermoeden; de rechter Chambers had de keuze van Mataafa

voor nietig verklaard, en, in overleg met den Engelschen consul Maxse,

den jeugdigen Tanu Mafili tot Koning van Samoa uitgeroepen.

Vervolgens begaven wij ons na het late diner naar directeur Beckmann om

afscheid te nemen en zijn orders te ontvangen.

“Begeeft u morgen vroeg weer naar Laulii, Mijneheeren,” zeide hij op

zijn vriendelijke manier, “en laat de factorij zoo weinig mogelijk

alleen. Ernstige gebeurtenissen wachten ons, die al uw waakzaamheid en

voorzichtigheid zullen vereischen. Zoodra ik u iets gewichtigs heb mee

te deelen, zal ik u een afzonderlijken bode zenden.”

Een paar dagen na onze terugkomst, kwam een boot uit Apia met

verscheiden timmerlieden, een paar balken en een hoogen paal, bij de

factorij aan, en overhandigden een brief van den directeur, die aan

Gaedecke geadresseerd was.

De directeur schreef. “Ik zend u eenige handwerkslieden met het noodige

materiaal om een vlaggestok op uw woonhuis te bevestigen. Het is bij de

aanstaande vijandelijkheden, die niet zullen uitblijven, meer dan

noodzakelijk, onze plantages door het uit steken van den Duitschen

rijksstandaard, als eigendom van de Duitsche Handel- en

Plantage-Maatschappij, kenbaar te maken, vooral tegenover de aanhangers

van koning Tanu Mafili, die door de Engelschen en Amerikanen op den

troon verheven is. Wees zoo goed, den vlaggestok zoo spoedig mogelijk

te laten plaatsen, en dan onmiddellijk de hiernevens gaande vlag in top

te hijschen.”

Binnen drie dagen was de stelling voor den vlaggestok gereed, en de

kleuren van ons vaderland wapperden hoog aan den top van den paal.

Nauwelijks een week later kwam mijn knecht Sufa mijn kamer

binnenstormen en riep mij toe, dat het ons bekende hoofd met een groote

menigte gewapende Samoaners daar juist in het dal, op weg naar de kust,

voorbij gekomen was. Van een der soldaten had hij vernomen, dat hun

koning Mataafa, al zijn aanhangers te wapen had geroepen om tegen de

partij van Tanu te velde te trekken. Dadelijk liet ik mijn werk, dat ik

onder handen had, in den steek, en haastte ik mij naar buiten, om mij

van de juistheid van dit bericht te overtuigen, en zag werkelijk nog de

laatsten der inlanders, allen met buksen gewapend, op ongeveer

vijfhonderd meter van het station, met versnelden pas naar de kust

oprukken. Gaedecke was in de hooger gelegen plantages bezig; ik gaf

Sufa order hem op te zoeken, hem het voorgevallene te vertellen en hem

te vragen zoo spoedig mogelijk bij mij te komen.

Wij zaten aan tafel, toen wij plotseling kanonschoten hoorden, waarop

na weinig minuten ook het zwakke geluid van het knallen van geweren

volgde. Het was duidelijk, dat in de bergen, westelijk van het

rivierdal, een gevecht plaats vond, dat zeer waarschijnlijk tot onze

factorij voortgezet zou worden. In overleg met Gaedecke, die mij, als

ex-soldaat, de verdediging onzer factorij, als het noodig was, had

toevertrouwd, liet ik dadelijk onzen opzichter Hendriksen komen, wien

ik opdroeg al de werklieden uit de plantages hier te roepen en voor ons

woonhuis bijeen te brengen.

Een uur later stonden ongeveer vijftig man, grootendeels sterke

Tonga’s, bij den vlaggestok en keken met vurigen blik in de richting,

vanwaar de schoten gehoord werden. Allen waren met groote messen

gewapend, en bovendien hielden de meesten nog speren in de rechterhand.

Gaedecke, Hendriksen en ik hadden onze buksen en revolvers gegrepen,

terwijl onze knecht en de kok eveneens van geweren en messen voorzien

waren. Nadat ik de lieden duidelijk gemaakt had, dat het ons te doen

was, de vechtenden te verhinderen, het terrein, dat tot onze factorij

behoorde, te betreden, en onze gebouwen als een vesting te gebruiken,

rukte ik met alle manschappen voort, tot aan den buitensten rand van

een groot suikerrietveld, en stelde daar ons legertje op.

Het duurde niet lang, of, tusschen de boomen aan den westelijken rand

van het dal, zagen wij de gedaanten van enkele Samoaners, die zich

langzaam terugtrokken, terwijl zij onophoudelijk op de snel

voortrukkende vijanden schoten, die wij tot nu toe nog niet hadden

kunnen zien. Maar heel spoedig bemerkten wij de tegenstanders van

Mataafa en ontdekten, tot onze groote verbazing, onder hen een

afdeeling Engelsche oorlogsmatrozen en hun bevelhebber, in de uniform

van Britsch zeeofficier. Zooals ik later vernam, was werkelijk een

luitenant met vijftig matrozen en mariniers van het Engelsche

oorlogsschip “Porpoise” naar de aanhangers van Tanu Mafili heengegaan,

om dezen in den strijd tegen Mataafa te helpen.

Van Mataafa zelf konden wij intusschen niets ontdekken, maar wel

herkenden wij heel spoedig de gestalte van ons opperhoofd, die zijn

soldaten tot volharden scheen aan te vuren, want hij liep gestadig van

het eene eind der schietlinie naar het andere. Toch duurde het niet

lang, of zijn krijgslieden hadden den voet van de helling bereikt en

zich gedekt, achter de hooge stammen der palmen, ongeveer vijfhonderd

meter van onze stelling; hier openden zij nu een moorddadig vuur op den

woest naderenden vijand, aan wiens hoofd de Engelsche officier met zijn

manschappen stond. Ten einde het opperhoofd en zijn troep, al was het

dan ook geen krachtdadige hulp, tenminste een kleinen stilstand van

wapenen te bezorgen, waarvan hij misschien partij kon trekken, om zich

op de oostelijke helling in veiligheid te brengen, haastte ik mij naar

de kampplaats, terwijl ik mijn witten zakdoek, bij wijze van

parlementairsvlag aan den loop van mijn geweer vastgebonden, heen en

weer zwaaide. Werkelijk hield het schieten van beide zijden op, toen

men mij gewaar werd.

“Wat wilt gij, Mijnheer?” riep de Engelsche officier mij in zijn

moedertaal barsch toe, terwijl hij mij een paar schreden tegemoet kwam.

“Ik wil er u even attent op maken, dat u hier op den grond eener

Duitsche factorij zijt!”

“Dat is mij om het even,” gaf hij minachtend ten antwoord. “Het is mij

te doen deze honden van opstandelingen uit te roeien, en ik zal mij

hierin in geen geval door u laten verhinderen. Verstaan, Mijnheer?”

“Welaan, dan geef ik u de verzekering, Mijnheer, dat ik, met alle

middelen, waarover ik te beschikken heb, iedere schending van ons

onzijdig, Duitsch grondgebied tegen zal gaan,” riep ik den Engelschman

toe, woedend over diens onbeschaamd optreden.

“All right!” antwoordde deze. “Ik raad u echter aan, te maken, dat u

wegkomt, anders kondt gij wel eens een paar kogels oploopen!”

Vóór ik nog kon antwoorden, vielen er achter de matrozen en de soldaten

van Fanu verscheiden schoten, en dadelijk daarop, zag ik koning Mataafa

aan het hoofd van minstens tweehonderd inlanders, die zich onder een

hevig vuur en al schreeuwende, op den vijand wierpen. Tegelijkertijd

liet ook het opperhoofd een gillenden krijgskreet hooren; hij stortte

zich op zijn tegenstanders, die onmiddellijk de helling afstormden en

het aan de matrozen overlieten, de soldaten van Mataafa tegen te

houden.

In een oogwenk begreep ik, dat de sluwe, ervaren Mataafa, deze list met

het opperhoofd had afgesproken, om den vijand tusschen twee vuren te

brengen; daarom moest het hoofd het gevecht zoolang aanhouden en zich

van lieverlede tot in het rivierdal terugtrekken, om den koning den

tijd te laten, den omweg over Laulii tot aan de kampplaats te kunnen

afleggen.

Ik liep, zoo hard ik kon, tot den rand van het suikerrietveld terug, om

niet onder de vechtenden te geraken en daarbij, mogelijk, een kogel op

te doen; mijn doel, om het met mij bevriende opperhoofd een korte

staking van het gevecht te bezorgen en tegelijk, hoewel heel toevallig,

koning Mataafa tijd te geven, zijn tegenpartij in den rug aan te

vallen, was bereikt.

Van onze standplaats af, konden wij waarnemen, hoe Mataafa, wiens

strijdkrachten die der Tanu-partij in aantal ver overtroffen, deze

steeds meer en meer de helling opdrong, ondanks den hardnekkigen

tegenstand der Engelsche matrozen, die zich dapper verweerden, maar ten

slotte toch moesten terugtrekken, wegens de zware verliezen, die zij

leden.

Noch Mataafa, noch het opperhoofd keerden dien avond in ons dal terug,

waaruit wij konden opmaken, dat zij de volkomen verslagen Tanu-soldaten

tot in Apia vervolgd hadden.

“Het is toch een groot geluk voor ons, dat wij niet genoodzaakt zijn

geweest, ons land tegen de vijanden van koning Mataafa te verdedigen,”

zeide Gaedecke op onzen weg naar huis. “Wij zouden met onze lieden, die

alleen met speren en messen gewapend waren, tegenover de Engelsche

matrozen een vrij armzalige rol gespeeld hebben, niet waar Arendt?”

“Natuurlijk” was mijn antwoord. “Maar wie had nu ook kunnen denken, dat

een Britsch officier en een geheele afdeeling matrozen van een Engelsch

oorlogsschip, gemeene zaak zouden maken met het krijgsvolk van den

jongen koning Tanu! Het is een maar al te zeker teeken van den fellen

haat, dien de Engelschen en Amerikanen tegen ons, Duitschers,

koesteren. Mataafa en zijn aanhangers moeten hem wel tamelijk

onverschillig zijn. Daarom doet het mij dubbel genoegen, dat die

brutale luitenant en zijn soldaten zoo flink klop gekregen hebben van

Mataafa en de zijnen. Ik kan mij zoo goed voorstellen, hoe woedend de

commandant van de ‘Porpoise’ over deze ongelukkige nederlaag van zijn

soldaten zijn zal.”

“Ja, dat denk ik ook,” zeide Gaedecke. “Het zal mij benieuwen, welke

gevolgen deze zegepraal voor Mataafa hebben zal. Hij, zoowel als onze

vriend het opperhoofd, moeten toch dappere, voorzichtige mannen zijn;

gedurende het geheele gevecht, kon men ze steeds in de voorste rijen

hunner krijgers zien. Maar jou heb ik toch ook bewonderd, hoor! Je hebt

je geheel alleen tot bij de vechtenden gewaagd; hoe licht had je door

een kogel getroffen kunnen worden!”

“Och kom! Zoo erg was het niet,” antwoordde ik. “De Engelschen hielden

op met schieten, toen zij mijn wel wat vreemde parlemetairsvlag zagen,

en, daar de inlanders over het algemeen vrij slechte schutters zijn,

staakten zij ook gauw het gevecht. Het was mijn hoofddoel gedeeltelijk

de strijdende partijen van ons terrein af te houden, gedeeltelijk het

in het nauw gebrachte opperhoofd eenige hulp aan te brengen; en ik ben

er in geslaagd.”

Toen wij bij onze woning kwamen, ontsloegen wij de werklieden, die naar

hun hutten konden gaan, daar het intusschen te laat geworden was hen

weer aan het werk te zetten. Den opzichter Hendriksen noodigden wij

uit, den avond bij ons door te brengen en in ons gezelschap een glas

bier te drinken.

Eenige dagen na dit gevecht, bracht een bode van directeur Beckmann mij

een brief van dezen laatste, met het verzoek, dat ik mij nog dien

zelfden dag in de kano van dien bode naar Apia zou begeven, om mij bij

den directeur te vervoegen.

“Dat staat zeker in verband met de geschiedenis van laatst, Arendt,”

zeide Gaedecke, toen ik hem bij het lunch den brief gaf. “Je zult zien,

dat ik gelijk heb; de Engelsche officier zal je bij zijn commandant

aangeklaagd hebben.”

Toen ik nog voor het vallen van den avond bij den directeur kwam, vroeg

deze mij dadelijk: “Hebt gij onlangs bij het gevecht tusschen Mataafa

en de Tonga’s, aan den eerste bijstand verleend?”

“Volstrekt niet, directeur,” antwoordde ik en vertelde daarop

uitvoerig, welke maatregelen Gaedecke en ik genomen hadden om het

grondgebied der factorij tegen iedere schending onzer neutraliteit te

beschermen, en op welke wijze ik tegen den Britschen officier

opgetreden was.

“O, dan heeft de ellendeling u maar belasterd om de schande zijner

ongelukkige nederlaag te verkleinen. Gij moet dadelijk mee naar kolonel

Rose, die van zijn Engelschen collega, den intrigant Maxse, een

aanklacht tegen u heeft ingediend, wegens het verleenen van hulp aan

den vijand. Vanmorgen vroeg heeft de consul mij laten weten, dat hij

ons vanavond na het sluiten der kantoren bij zich wacht.”

Na een korte begroeting ging de consul ons voor naar zijn

studeervertrek, dat door verscheiden lampen verlicht werd, en stelde

mij, nadat wij plaats genomen hadden, een breedvoerig schrijven in de

Engelsche taal ter hand.

Zooals de directeur reeds gezegd had, bevatte dit een aanklacht van den

Engelschen consul tegen mij, wegens het verleenen van hulp aan den

afgezetten koning Mataafa, tegen de soldaten van den rechtmatigen

koning Tanu en diens landgenoot, een officier van het schip van Hare

Majesteit “Porpoise” en zijn equipage; hierdoor had ik mij schuldig

gemaakt aan het schenden der neutraliteit.

Op Samoa · 第 7 / 11 段