waren, namen wij, Europeanen, de uitnoodiging van den predikant aan, om
ten zijnen huize een eenvoudig avondeten, door zijn gemalin gereed
gemaakt, te gebruiken. Daarna brachten wij nog een gezellig uurtje
door, onder een glas bier en een fijne sigaar en van deze gelegenheid
maakte ik gebruik, mijnheer Krüger het barnsteenen sigarenpijpje, en
mijn vriend Petersen de pijp van meerschuim te overhandigen. Beide
cadeautjes werden met hartelijken dank ontvangen en dadelijk in gebruik
genomen.
Tegen tien uur keerden wij naar ons woonhuis terug en nog dien zelfden
nacht reed Mertens ons naar de plantage. Den volgenden morgen, eersten
Kerstdag, woonden wij allen, ook directeur Beckmann, de
godsdienstoefening in de kerk bij, en na afloop daarvan nam de
directeur afscheid van den dominee en diens echtgenoot, alsook van
mijnheer Sievers, daar hij dadelijk, na het tweede ontbijt naar Apia
wilde terugkeeren.
“Ik heb mij wezenlijk goed geamuseerd op uw feestje, er eere van den
heiligen avond, heeren,” zeide mijnheer Beckmann, toen wij hem naar de
boot brachten. “Het was mij, alsof ik weer thuis was bij de mijnen en
dit is het eerste Kerstfeest, dat ik in ruim tien jaar gevierd heb.”
ZEVENDE HOOFDSTUK.
OP DE NIEUWE PLANTAGE LAULII.
De eerste maanden van het jaar 1898 gingen kalm onder beurtelings
werken en rusten voorbij en de eenige afwisseling bestond in het
regelmatig heen en weer reizen naar Apia, om de gelden tot uitbetaling
van salarissen en arbeidsloon, in ontvangst te nemen. Deze tochtjes
waren mij zeer welkom, daar zij wat vroolijkheid brachten in mijn
anders zeer eentonig bestaan.
In het begin van de maand April, wanneer op de Samoa-eilanden de winter
begint, die tot November duurt, toen er een Oostenwind woei en het
minder heet was, kregen wij een bezoek van directeur Beckmann, die
zich, na ons even gegroet te hebben, naar het bureau begaf van mijnheer
Krüger.
“Dat beduidt wat,” zeide Petersen, die bij mij op de veranda thee
dronk. “Nu, mij laat het koud,” ging hij voort, “ik ben mij ten minste
van geen kwaad bewust.”
“Het zou je waarachtig ook moeilijk vallen, hier grappen uit te halen,
vriendje,” gaf ik ten antwoord, terwijl ik lachen moest om het ernstige
gezicht van mijn vroolijken makker.
Kort hierop kwamen de twee heeren ook op de veranda, namen een kop thee
en staken een sigaar op.
“Beste Petersen,” zeide de directeur na een poos, “uw neef heeft mij
zooeven verzekerd, dat gij volkomen in staat zoudt zijn, alleen het
bestuur eener drukke factorij op u te nemen; wat dunkt u, zoudt gij het
aandurven, jongeheer?”
“Directeur,” antwoordde Hendrik tamelijk verbluft, “niemand, die mij
eenigszins kent, zal beweren, dat al te groote bescheidenheid van jongs
af een mijner deugden was; daarom ben ik zoo vrij, uw vraag met een
oprecht gemeend ‘ja’ te beantwoorden. Ik moet u echter eerlijk
bekennen, dat dit vleiend oordeel van mijn neef, mij ten hoogste
verrast.”
“Je bent een eerste deugniet geweest, Hendrik,” zeide mijnheer Krüger
ernstig, “maar in de laatste jaren ben je zeer in je voordeel veranderd
en een flink, bruikbaar mensch geworden. Met een gerust geweten kan ik
van je getuigen, dat je je volkomen op de hoogte gesteld hebt, van het
aanleggen en kweeken van al de cultures op onze plantage, en er ook
uitstekend slag van hebt, met de Tonga’s en andere eilanders om te gaan
en ze naar behooren te behandelen, zoodat de arbeiders je meer
gehoorzamen dan den rentmeester of mij, Daarom heb ik den directeur
aangeraden, het bestuur onzer factorij in de eerstvolgende maanden aan
jou toe te vertrouwen.”
“Maar, waarde neef, gaat u Mulifanua dan verlaten?” riep de jonge man
verwonderd uit.
“Slechts voor enkele maanden, beste Petersen,” antwoordde de directeur,
vóór mijnheer Krüger kon antwoorden. De zaak is deze, Mijneheeren. Een
paar weken geleden, vernam ik, dat een kleine plantage dicht bij het
dorp Laulii, oostelijk van Apia, maar nog in het district Tuamasanga
gelegen, door den eigenaar, een Noord-Amerikaan, te koop werd
aangeboden. Ik begaf mij in persoon naar Laulii om de plantage te
bezichtigen en vond deze vrij verwaarloosd, hoewel de aard van den
bodem even gunstig is als op het geheele eiland. De man had er zeker
geen verstand van gehad, de verschillende cultures ieder naar haar aard
aan te kweeken. Naar hij mij vertelde, wilde hij naar Amerika
terugkeeren, waar hem, in den staat Ohio, een groote boerderij door
erfenis ten deel was gevallen; ook kon hij niet best tegen het
tropische klimaat.”
“Daar hij een matigen prijs voor de plantage vroeg,” vervolgde mijnheer
Beckmann, “werden wij het spoedig over den koop eens, waarop de
Amerikaan mij nog meedeelde, dat de gronden, die er aan grensden, voor
het grootste gedeelte nog met oerwoud bedekt, van de eigenaars,
(inlanders) voor weinig geld te krijgen zouden zijn. Tot 1 Mei, wil de
tegenwoordige bezitter nog in de factorij blijven; dan wordt zij het
eigendom van onze maatschappij. Ik heb nu mijnheer Krüger verzocht, mij
tegen dien tijd naar Laulii te vergezellen, om ons op de hoogte te
stellen van den toestand, en de landerijen te schatten, die gekocht
moeten worden, want over die soort van dingen kan hij veel beter en
practischer oordeelen dan ik; daarna zal ik het bestuur en de verdere
uitbreiding der plantage aan mijnheer Gaedecke overdragen. Gij moet
weten, dat mijnheer Tiedemann, bij wien Gaedecke tot nu toe in de
factorij Vaitele geweest is, mij dien jongen man heeft afgeschilderd
als bijzonder begaafd in alle zaken, die betrekking hebben op den
aanleg van plantages en tropische cultures. Mijnheer Krüger zal, op
mijn verzoek, Gaedecke den eersten tijd met raad en daad bijstaan, tot
deze wat op de hoogte van een en ander gekomen is. Ook gij, beste
Arendt, vervolgde de directeur, zich tot mij wendend, zult uw chef naar
de nieuwe plantage vergezellen, om de noodige boeken in orde te brengen
en de boekhouding over te nemen, waarvan de geleerde heer Gaedecke
misschien geen begrip zal hebben.”
“Moet ik dan die afschuwelijke boeken weer gaan houden, directeur?”
vroeg Hendrik met een verschrikt gezicht.
“Neen, vriendje,” antwoordde mijnheer Beckmann glimlachend, “uw neef
heeft mij vroeger reeds in vertrouwen gezegd, dat, hoe knap en
bruikbaar gij buiten op de plantages ook zijt, het boekhouden nu juist
niet tot uw talenten behoort. Aanstaande week zal ik een bediende van
Matafele hierheen zenden, om de boeken van mijnheer Arendt over te
nemen.”
Toen ik den directeur en mijnheer Krüger mijn dank betuigd had voor het
in mij gestelde vertrouwen, reden wij naar de plantage, waar mijnheer
Beckmann den bloei der cultures in oogenschouw nam en ook den
rentmeester Mertens kennis gaf van de aanstaande veranderingen.
In de laatste dagen van April reed mijnheer Krüger met mij en onze twee
knechts naar Apia waar wij in het Hotel International onzen intrek
namen. Wij troffen daar mijn vroegeren reisgenoot, Gustaaf Gaedecke,
reeds aan, die mij hartelijk welkom heette; wij hadden elkander sinds
anderhalf jaar niet gezien. Het verblijf in het boschrijke
binnen-gedeelte van het eiland, scheen mijn landgenoot veel goed gedaan
te hebben; zijn vroeger, door het studeeren, bleek en smal gelaat was
door de tropische zon gebruind en zijn geheele verschijning maakte een
flinken, aangenamen indruk.
Onder het eten vertelde Gaedecke ons van zijn werkzaamheden in de
factorij, waar hij onder leiding van den bekwamen heer Tiedemann
geleerd had, zijn theoretische kennis in practijk te brengen. Toen ik
hem daarop onze lotgevallen gedurende onze reis op den kotter van
Matautu naar het eiland Olosenga beschreef, riep hij in verrukking uit:
“Wat moet dat interressant geweest zijn! Ik benijd je om dat
merkwaardig avontuur, beste vriend!”
“Nu, wij zouden gaarne het interessante en merkwaardige van dien tocht
hebben willen missen, waarde heer,” antwoordde mijnheer Krüger
droogjes. “Wat zegt gij, Arendt?”
“Ik weet het nog zoo net niet,” zeide ik. “Onze toestand op het kleine
schip, gedurende den vreeselijken orkaan, was weliswaar bijzonder
onaangenaam, maar het verblijf op het lapje gronds in den onmetelijken
oceaan, toch hoogst belangwekkend.”
Op den morgen van den eersten Mei, voer directeur Beckmann met ons in
zijn groote boot langs de noordkust naar het dorpje Laulii, dat
ongeveer vijf zeemijlen oostelijk van Apia ligt; Laulii is even ver van
het grootere dorp Saluafata, het Duitsche kolenstation, verwijderd. Van
een eigenlijke haven is bij het kleine Laulii geen sprake; door een
nauwe opening in het koraalrif kunnen de booten naar het strand komen;
voor grootere vaartuigen zou dit onmogelijk zijn.
Aan het strand kwam ons de Amerikaan, dien de directeur ons als Mr.
Mason voorstelde, reeds tegemoet; hij ging ons voor naar zijn woning,
die een kilometer verder landwaarts in lag, terwijl onze bedienden, met
een paar onzer roeiers, de bagage nadroegen. Het huis was niet groot en
uit gegolfd blik opgetrokken, dat in zulk een heet land als een zeer
onpractisch bouwmateriaal beschouwd mag worden; niettegenstaande de
woning in een boschje van oranje- en bananenboomen lag, heerschte er in
de kamertjes een snikheete temperatuur.
“Ja, gentlemen,” zeide Mr. Mason, toen hij ons het zweet van het
voorhoofd zag wisschen, “het is wel wat warm in huis; daarom blijf ik
meest achter op de veranda, die ik daar heb aangebracht. Mijn vrouw en
kinderen hebben het hier ook niet lang kunnen uithouden, en wonen nu
reeds sedert eenige maanden in Apia. Als het uw goedkeuring wegdraagt,
gentlemen, zullen wij ook maar naar de veranda gaan, waar ik een klein
lunch heb doen klaar zetten; onder het gebruik kunnen wij dan de zaken
afdoen.”
Onder het zeer primitieve op palen rustend bladerdak, gebruikten wij
een glas brandewijn-grog, met koud vleesch en scheepsbeschuit, en
volgden daarna den Amerikaan naar de plantage, die een paar honderd
meter verder gelegen was. Deze bestond voornamelijk uit eenige
honderden kokospalmen, broodvruchtboomen, en een uitgestrekt
suikerrietveld, waarop ongeveer twaalf arbeiders bezig waren, die
mijnheer Krüger als inboorlingen van de Gilbert-eilanden herkende.
Naar het woonhuis teruggekeerd, gebruikten wij het middagmaal, dat onze
bedienden intusschen uit den meegebrachten voorraad toebereid hadden,
waarop Mr. Mason, nadat hij van den directeur Beckmann een wissel op
ons eerste kassiershuis in Matafeli als koopsom ontvangen had, afscheid
nam, om zich in zijn eigen boot door eenigen zijner arbeiders naar Apia
te laten roeien.
“In de allereerste plaats moeten wij een geschikter verblijf zien te
krijgen dan deze broeikas,” zeide mijnheer Beckmann, toen Mr. Mason ons
verlaten had. “Mij dunkt, wij moesten voorloopig een paar eenvoudige
hutten opslaan, zooals de arme Samoaners hebben. Als onze drie knechts
en de werkman van de plantage ons helpen, kunnen wij in een paar uur
wel twee zulke hutten gereed hebben. Vannacht moeten wij ons met de
matten, die de Amerikaan achtergelaten heeft, als legerstede behelpen;
morgen zal ik de knechts met de boot naar Apia zenden om nieuwe matten,
dekens en kussens uit mijn huis te halen; zij moeten ook levensmiddelen
meebrengen, want ik ben voornemens hier nog minstens vier à vijf dagen
te blijven, om met de heeren Krüger en Gaedecke, den gekochten grond in
den naasten omtrek eens te onderzoeken. Natuurlijk gaat gij met ons
mee, Arendt,” voegde hij er glimlachend bij, toen hij mijn verwondering
op mijn gelaat las. “Gij zoudt u hier alleen doodelijk vervelen, daar
er vooreerst niets voor u te doen valt.”
Toen de zon onderging, waren de twee hutten inderdaad kant en klaar.
Zij bestonden ieder uit een dozijn jonge boomstammen, die in den grond
geheid waren; het dak was gemaakt van groote, aan elkander gebonden
bananenbladeren, en rustte op een eenigszins sterkeren paal, die in het
midden van de hut was aangebracht. Eenige naast elkaar geplaatste
matten vormden de muren, en deze konden over dag weggenomen worden. Zoo
hadden wij een onderkomen voor den nacht, dat wel heel eenvoudig, maar
daarom ook zindelijker en veel koeler was, dan het verblijf in het
snikheete blikken huis.
Na een rustigen nacht, ontbeten wij den volgenden morgen vroeg en
gingen toen op weg om den naasten omtrek in oogenschouw te nemen.
“Ik wil wel gelooven, dat Mr. Mason niet veel vrucht van zijn plantage
getrokken heeft,” zeide mijnheer Krüger, toen wij door dat gedeelte der
kleine plantage wandelden, waar de cultuur begonnen was. “Het kopra van
deze twee à driehonderd kokospalmen kan hoogstens zooveel opgebracht
hebben om de helft van het arbeidersloon te dekken, iets gunstiger
schijnt het met het suikerriet te staan; de planten zien er goed en
sterk uit, en zullen een bevredigende winst afwerpen. Gelooft gij dit
ook niet? mijnheer Gaedecke?”
“Ik ben het volkomen met u eens, mijnheer Krüger,” antwoordde Gaedecke.
“De eenigszins moerassige bodem in deze vlakte schijnt bijzonder
geschikt voor de cultuur van het suikerriet.”
Wij hadden de plantage verlaten en begonnen nu de helling te bestijgen,
die tot het noordelijk voorgebergte van den beroemden berg Lanuto
behoort. Deze helling is beplant met de prachtigste boomen van allerlei
soort, en de top Lanuto, meer dan tweeduizend voet hoog, is een
uitgebrande vulkaan, met het kratermeer van denzelfden naam, een der
grootste bezienswaardigheden van Samoa. Toen wij nog hooger gestegen
waren, konden wij den noordelijken rand van dit kratermeer duidelijk
zien en bij den helderen hemel de heerlijke bergpalmen en varenboomen
onderscheiden, waarmede de rand omzet is. In westelijke richting konden
wij over het laag gelegen voorland de geheele kuststreek tot Saluafata
en de Fangaloabaai overzien. Toen wij bij onzen terugtocht—de zon had
intusschen het zenith bereikt en het was ontzettend heet geworden—in
een vrij eng dal daalden, vonden wij een dal-rivier, een nauwelijks
vijftien meter breed stroompje, dat de voortzetting van een waterval
scheen te zijn, die ongeveer honderd meter verder, zuidelijk van den
bergrand, naar beneden bruiste. Het was inderdaad een verrukkelijk
gezicht. De kleine stroom, die niet breeder was dan vier meter, stortte
zich tusschen boomen en bloeiende heesters van de hoogte, twintig meter
diep naar omlaag, in een soort bassin, dat in den loop der tijden door
het water gevormd was, en stroomde dan klaterend en schuimend verder
naar het Noorden der kust.
“Vlug! de kleeren uit, Heeren!” riep de directeur verrukt uit. “Een
heerlijker, frisscher bad dan moeder natuur ons hier biedt, kan men
zich niet denken!”
In minder dan geen tijd, zaten wij alle vier in het kristalheldere
water van het bassin en spartelden als ondeugende kinderen daarin rond.
Na deze onverwachte verfrissching, wandelden wij langs een zijweg
verder en kwamen binnen het uur op de factorij Laulii, die slechts,
zooals wij nu eerst opmerkten, door een kleine verheffing van den
grond, van het dal gescheiden werd.
De volgende dagen besteedden wij aan verdere uitstapjes in de buurt van
Laulii, waarna directeur Beckmann in overleg met de heeren Krüger en
Gaedecke, besloot, ongeveer driehonderd hectaren gronds van het
opperhoofd, den eigenaar van die landstreek, te koopen.
Toen de koop gesloten was, gingen de directeur en mijnheer Krüger den
volgenden dag naar Apia, om zoo spoedig mogelijk het noodige aantal
arbeiders te huren, die de boomen in die boschrijke streek, moesten
vellen. Mijn vroegere reisgenoot Gaedecke en ik bleven op de factorij
achter, gedeeltelijk om toezicht te houden op het daar aanwezige
werkvolk, gedeeltelijk om plannen te maken tot het bouwen van een nieuw
woonhuis.
De directeur had ons beloofd, zoo spoedig mogelijk eenige werklieden
met het vereischte materiaal aan planken, matten enz. te zenden. Hij
had ook in het voorstel van Gaedecke toegestemd, het nieuwe woonhuis in
het dal van het kleine riviertje te laten oprichten, daar het dan meer
in het midden van de vergroote plantage zou liggen, wanneer de nieuw
aangekochte grond eenmaal in cultuur genomen was.
Ik kon mij bij de Gilbert-inboorlingen, die de Amerikaan ons had
nagelaten, vrij goed verstaanbaar maken, als ik de taal der Tonga’s
sprak, die ik in Mulifanua, door den omgang met dezen, vloeiender had
leeren spreken, dan het Samoaansche idioom, dat Gaedecke nu op zijn
beurt weer machtig was.
Een paar dagen later liepen twee groote booten uit Apia de baai van
Laulii binnen; de eene bracht drie timmerlieden met een heelen voorraad
planken, latten en ander materiaal, de andere een twintigtal
plantagewerkers, die mijnheer Beckmann van de plantages Veilele en
Vaitele had laten komen, om een begin te maken met het uitroeien der
boomen op het aangekocht terrein. Uit een brief van den directeur aan
Gaedecke vernamen wij, dat er binnen eenige weken een grooter aantal
Tonga’s en inboorlingen van de Salomons-eilanden komen zouden, die in
dien tusschentijd door de kapiteins van den naar hier gezonden kotter
aangeworven waren.
De timmerlieden werden voorloopig in het blikken huis onder dak
gebracht, terwijl het werkvolk hutten voor zich moest bouwen in het
dal.
Nadat Gaedecke de plaats voor ons toekomstig woonhuis had aangewezen,
werd er dadelijk met het bouwen een aanvang gemaakt. Binnen veertien
dagen was het huis geheel gereed. Het had natuurlijk maar één
verdieping, die aan al de vier zijden door een breede veranda, op palen
rustend, omringd was, zoodat de openingen voor de vensters niet van
glasruiten behoefden voorzien te worden. De regen kon door het ver
vooruitstekend dak, niet in de vertrekken dringen, terwijl de versche
lucht dag en nacht vrij toegang had. Deze practische manier van bouwen
in de heete luchtstreek, was gevolgd op raad van mijnheer Krüger, die
weer teruggekomen was. Het nieuwe huis bevatte vier afdeelingen: een
gemeenschappelijke werkkamer voor Gaedecke en mij: voor ieder van ons
een slaapkamertje en een grootere huiskamer. De keuken en een vertrek
voor onze twee knechts en den inlander, die als kok fungeerde, bevonden
zich in een soort van loods, achter het huis; het geheel was door
oranje- en bananenboomen omringd, wier bladerkronen het voor de
brandende zonnestralen beschutten.
Mijnheer Krüger van Gaedecke vergezeld, nam dadelijk, toen men met
bouwen begonnen was, de leiding op zich over het uitroeien der boomen
en het in orde maken van den bodem, op de hellingen van het rivier-dal
en ook hooger op, terwijl ik belast werd met het toezicht over de
timmerlieden en het andere werkvolk. De kok en de knechts moesten voor
het middag- en avondeten zorgen, niet alleen voor ons, heeren, maar
voor alle manschappen, daar deze den geheelen dag in de plantage bezig
waren.
Toen het huis gereed was, voer mijnheer Krüger met mij naar Apia om de
noodige meubelen voor de vertrekken aan te schaffen; ik moest in
Matafele geld halen ter uitbetaling van het werkloon. Mr. Mason had in
het blikken huis, behalve een paar versleten matten, geen enkel meubel
achtergelaten.
In Apia gekomen, vonden wij daar de geheele bevolking, inlanders zoowel
als Blanken, in opgewonden toestand. Volgens zeggen van den directeur
Beckmann, was eenige dagen geleden, de oude koning Malietoa Laupopa, in
Mulinu gestorven. Ik vernam nu ook enkele nadere bijzonderheden over de
merkwaardige lotgevallen van dezen Samoaanschen vorst. Malietoa had
jarenlang oorlog gevoerd met zijn twee doodvijanden, de zoogenaamde
koningen Mataafa en Tamasese; in 1887 werd hij door de drie
beschermende mogendheden, Duitschland, Engeland en de Vereenigde-Staten
van Noord-Amerika, afgezet, en naar Kamerun getransporteerd, waar hij
door het Duitsche gouvernement niet bijzonder vriendelijk behandeld
werd. Van Kamerun bracht men hem naar Hamburg en eindelijk naar de
Maarschalks-eilanden die onder Duitsche bescherming stonden, vanwaar
hij in 1889 weer naar Samoa terugkeerde, en opnieuw als koning bezit
nam van den troon, nadat zijn tegenkoning, Mataafa, naar het eiland
Jaluit, dat tot de Maarschalks-eilanden behoort, verbannen was
geworden. Malietoa kreeg van de Duitsche regeering een klein jaargeld
en leefde stil op het schiereiland Mulinu, terwijl hij het aan zijn
aanhangers overliet, hun meestal onschuldige veeten met de partij van
koning Tamasese, in het westelijk gedeelte van Upolu, zoowel als met
die van den afgezetten Mataafa in de oostelijke districten, uit te
vechten.
“Ik vrees echter zeer.” vervolgde de directeur, “dat de dood van den
ouden, onschadelijken Malietoa, groote onrust en verwarring in geheel
Samoa veroorzaken zal. Gij, waarde Krüger, zijt met de tegenwoordige
omstandigheden nauwkeurig bekend, maar voor Arendt is het zeer goed,
wanneer hij hiervan wat op de hoogte komt, opdat hij niet te eeniger
tijd een onvoorzichtigheid bega. Sedert in 1889 de u bekende
mogendheden een zoogenaamd beschermend-tractaat over Samoa hebben
gesloten, is het volk dikwijls onrustig geweest, hetgeen grootendeels
toe te schrijven is aan den naijver van Engeland en de
Vereenigde-Staten tegen Duitschland. Onze handel in Samoa, bedraagt
ruim het dubbele van dien der beide mogendheden te zamen, hetgeen een
doorn in hun oog is. Onze grootste vijanden zijn de rechter Chambers,
een geboren Noord-Amerikaan en de Engelsche consul Maxse, die er in de
laatste jaren ijverig op uit zijn, onzen dokter Raffel, den voorzitter
van den gemeenteraad in Apia, voortdurend moeilijkheden in den weg te
leggen. Dit ondervindt ook consul Biermann, die bij de hier wonende
Duitschers, evenals bij de inboorlingen zeer bemind is.”
“Het zal mij benieuwen, of onze vriend Tamasese van den dood van zijn
ouden vijand partij zal trekken, om zich tot koning te doen kiezen,”
zeide mijnheer Krüger.
“Ik acht dit zeer waarschijnlijk,” antwoordde de directeur, “doch de
aanhangers van den verbannen Mataafa, zullen dit niet kalm aanzien,
maar hun best doen, hun vroegeren koning weer op den troon te krijgen.”
“U hebt zooeven gezegd, directeur, dat deze Mataafa, naar de
Maarschalks-eilanden verbannen is,” zeide ik. “Maar deze groep ligt op
zulk een afstand, dat hij onmogelijk tijding van Malietoa’s dood
ontvangen kan.”
“O, dat is geen bezwaar, beste Arendt,” antwoordde de directeur. “De
Samoaners zijn uitstekende zeelieden en kunnen in hun groote
oorlogsbooten, die van outsiders [3] voorzien zijn, zeer groote reizen
ondernemen. Evengoed als zij in vroeger tijd naar de Tonga- en
Vitschi-eilanden konden varen, en krijgsgevangenen te maken, die zij
hier tot viering van de overwinning opaten, kunnen zij ook naar de
Maarschalks-eilanden zeilen.”
De eerstvolgende dagen besteedden mijnheer Krüger en ik tot het doen
van inkoopen wat huisraad en keukengereedschappen betrof, voor het
nieuwe woonhuis in de factorij Laulii, en voeren toen daarheen terug.
Verscheiden weken gingen onder flink werken voorbij. Kapitein Johannsen
bracht ons in zijn kotter ongeveer dertig Tonga’s, die spoedig door een
twintigtal inboorlingen gevolgd werden, zoodat mijnheer Krüger de
geleende werklieden van de factorijen Veilele en Vaitele weer naar hun
plantages kon terugzenden. Op de plaatsen, waar de boomstammen geveld
waren, werden deze, die niet voor timmerhout konden gebruikt worden,
met takken en bladeren in brand gestoken, om door de achterblijvende
asch den bodem tegelijk te bemesten. Toen alles op deze manier
behoorlijk voorbereid was, begon de eigenlijke arbeid voor den aanleg
der verschillende cultures. Verscheiden hectaren in de laagst gelegen
gedeelten werden met kokosnoten bezaaid, die zooals ik wist, pas na
zeven of acht jaar winst afwierpen. Ten einde de grond, tusschen de
gezaaide noten niet geheel braak te laten liggen, werden in de open
plekken katoenheesters geplant. Gaedecke wilde ook in de hooger gelegen
gedeelten, de proef nemen met koffie, thee en cacao, hetgeen de
goedkeuring van mijnheer Krüger ten volle wegdroeg; bovendien beloofde
deze zijn jeugdigen collega nog, hem, zoodra hij in de gelegenheid was,
een hoeveelheid tabakszaad te zenden, dat hij mijnheer Koning, uit
Matautu, zou bestellen.