“Goddank!” riep hij uit, “God zij geloofd, mijn beste, brave, waarde

neef, en jij, mijn beste Herman, dat ik jullie weer levend voor mij

zie!” En bij deze woorden liepen den jongen man de tranen over de

wangen. “Wat zal directeur Beckmann gelukkig zijn, als kapitein

Johannsen hem vanavond nog de tijding van je gelukkige redding brengt!

Hij heeft al tweemaal door een renbode laten vragen, of ik geen bericht

van jullie had gekregen! Wij moesten wel denken, dat jullie verongelukt

waart, na ontvangst van den brief van mijnheer Koning, dien deze mij

twee dagen na dien vreeselijken storm zond en waarin hij vroeg, of de

kotter hier veilig binnengeloopen was.”

“Ja, beste jongen,” antwoordde mijnheer Krüger getroffen over de

zichtbare aandoening van den anders zoo vroolijken, zorgeloozen jongen

man. “Het heeft werkelijk niet veel gescheeld, of de kotter was met man

en muis naar ‘kapitein Jack’ gegaan, zooals de Engelschman zegt. Zoo

oud als ik ben, heb ik nog nimmer zulk een storm, zulke golven gezien.

Maar, beste vriend, bezorg ons nu zoo gauw mogelijk wat goeds te eten

en te drinken; wij verlangen daar sterk naar, want in de laatste weken

was ‘schraalhans keukenmeester’ bij ons. Onder tafel zullen wij alles

vertellen, wat wij ondervonden hebben.”

Zoodra wij een verfrisschend bad genomen, en andere kleeren

aangetrokken hadden, hetgeen ons een groot gevoel van welbehagelijkheid

gaf,—want met de ontzettende hitte had het er met ons ondergoed slecht

uitgezien —begaven wij ons weer naar de veranda, waar wij een

welvoorzienen disch gereed vonden. Toen wij het overvloedige maal alle

eer bewezen en ook eenige glazen champagne gedronken hadden, waarbij

Hendrik de opmerking ten beste gaf, dat hij ter eere van de twee

verloren en teruggevonden zonen toch iets extra’s moest doen, staken

wij een sigaar op, een genot, dat wij lang ontbeerd hadden, en toen

vertelden wij alles van de uitgestane gevaren gedurende den Taifun en

ons verblijf op het eilandje Olosenga. Vroegtijdig begaven wij ons

echter naar onze vertrekken, want, zoowel mijnheer Krüger als ik,

gevoelden ons toch vrij aangepakt door de geleden vermoeienissen.

ZESDE HOOFDSTUK.

KERSTMIS OP UPOLU

Den volgenden morgen voer mijnheer Krüger in onze groote boot naar

Apia, om directeur Beckmann persoonlijk bericht te geven van de

gebeurtenissen der laatste vier weken en in Matafele aan het

hoofdkantoor van onze maatschappij, het noodige geld in ontvangst te

nemen, om het achterstallig loon uit te betalen.

Na zijn vertrek reed ik met Petersen naar de plantage. Onder het

ontbijt had mijn vriend Hendrik mij namelijk medegedeeld, dat hij het

aan den directeur overgelaten had, den verkoop der verschillende

voortbrengselen in een kladboek te noteeren, daar hij vreesde in mijn

nette boeken verwarring te brengen. Ik was zeer in mijn schik over deze

handelwijze en vroeg hem, wat hij toch wel gedaan zou hebben, als onze

kotter vergaan was.

“Wel, dan zou de hoogedele directie wel een nieuwen boekhouder hierheen

gestuurd hebben, beste vriend,” zeide hij heel kalmpjes. “Maar,” voegde

hij er bij, terwijl hij mij hartelijk de hand drukte, “ik ben innig

dankbaar, dat het niet noodig geweest is!”

De goede heer Mertens was ook heel blij mij weder te zien, en hij

noodigde ons dadelijk uit tot een flink ontbijt, waarbij het niet aan

bier ontbrak; hij luisterde met belangstelling naar het verhaal van

onze avonturen.

Terwijl Petersen in de plantage naar het kweekgras ging kijken, liet ik

mij door den directeur hetgeen hij geboekt had, toonen en nader

verklaren en keerde daarna met mijn vriend naar het woonhuis terug, om

te dineeren.

De eerste dagen gingen met het gewone werk rustig en kalm voorbij.

Intusschen hadden wij kennis gemaakt met den directeur van het

protestantsche zendelinggenootschap in Mulifanua, een mijnheer

Forstner, die op kleinen afstand van het stadje in het

Zendelingen-gebouw woonde. Mijnheer Forstner, of liever dominee

Forstner, zooals hij doorgaans genoemd werd, was een zeer beminnelijk,

hoogst beschaafd man, van ongeveer veertig jaar, die de algemeene

liefde en achting zijner gemeente genoot, evenals zijn vrouw, met wie

hij verscheiden jaren geleden in Duitschland gehuwd was. De dominee had

bijna een jaar wegens zaken, de zending betreffende, op de

Maarschalks-eilanden, vertoefd, waardoor ik nog geen gelegenheid gehad

had, kennis met hem te maken. Ik was wel eens in gezelschap geweest met

zijn plaatsvervanger, een jonger man, toen deze bij mijnheer Krüger een

bezoek bracht; maar ik gevoelde mij niet bijzonder tot dezen heer

Sievers aangetrokken, daar hij zich zeer trotsch en allesbehalve

vriendelijk voordeed. Den eersten Zondag, nadat Dominee Forstner ons

kort na zijn terugkomst een bezoek had gebracht, begaven wij ons alle

drie naar de zendelingen-kerk om de godsdienstoefening bij te wonen.

Het kerkje met zijn gewitte muren en slanken toren lag op een heuvel,

bijna een halven kilometer van het strand en zag er bijzonder

vriendelijk uit. Door het vellen der boomen op den heuveltop, was een

open ruimte ontstaan, waarop het kerkje stond, terwijl voor de beide

geestelijken, aan den rand dezer ruimte, in de schaduw der bananen en

broodvruchtboomen, twee kleine huizen gebouwd waren, welker muren ook

gewit waren. Aan de overzijde, in de schaduw, bevond zich een ander,

grooter gebouw, dat op een lange, open loods geleek; dat was de school,

waarin de kinderen der inlanders door den dominee, den heer Sievers, en

mevrouw Forstner, in de geheimen van het lezen, schrijven en rekenen,

en eenvoudige handwerken ingewijd werden.

In het schip der kerk, waarvan deuren en vensters wijd open stonden,

vonden wij een vrij talrijk gehoor van mannen en vrouwen, die onder

begeleiding van een harmonium, door mijnheer Sievers bespeeld, een lied

zongen uit een gezangboek in de Samoaansche taal, en veel welluidender

en beter, dan men in de kerken van ons vaderland te hooren krijgt.

Op het gezang volgde een preek, die dominee Forstner natuurlijk ook in

de taal der inboorlingen hield, waarop ten slotte nog eenige coupletten

gezongen werden. Op het kerkplein stonden de meeste gemeenteleden te

wachten, om hun geachten predikant, dien zij in zulk een langen tijd

niet gezien hadden, hartelijk te begroeten. Zoowel vrouwen als mannen

gaven hem vriendelijk de hand en riepen hem hun welluidend: “Talofa!”

toe.

Daar wij zagen, hoe de dominee van alle kanten omringd werd, namen wij

afscheid, nadat mijnheer Krüger hem met zijn vrouw en mijnheer Sievers

ten eten had genoodigd, en de belofte had verkregen, dat de twee

dochtertjes ook zouden meekomen.

Op den terugweg naar het woonhuis, dat wij in een klein half uur

bereikten, gaf ik mijn verwondering te kennen, dat zulk een, naar het

scheen, hoog begaafd man, als dominee Forstner, tevreden kon zijn met

zijn tegenwoordigen, eigenlijk bijzonder bescheiden werkkring, daar hij

toch zeker op een meer omvangrijken aanspraak kon maken.

“Dat moet u niet zeggen, beste Arendt,” gaf mijnheer Krüger mij ten

antwoord, “juist personen, als onze dominee, die aan hooge geestelijke

beschaving een zeer beminnelijk, vriendelijk karakter en oprechte

goedhartigheid paren, zijn bovenal voor zendeling geschikt, vooral bij

zulk een zachtzinnigen en goedaardigen volksstam als onze Samoaners. U

hebt zooeven zelf gezien, hoe hartelijk de predikant begroet is

geworden.”

Om vijf uur kwam de dominee met zijn vrouw en dochtertjes, twee

allerliefste, blonde krulkopjes, Marie en Betsy; de eerste telde acht,

de tweede zeven jaar. Een kwartier later kwam ook mijnheer Sievers, die

door het leiden van de namiddag-godsdienstoefening, niet eerder had

kunnen komen. Onder het eten vroeg mijn chef aan den dominee, of hij al

een plan gemaakt had tot de plechtige viering van het Kerstfeest.

“Eerlijk gezegd, heb ik er volstrekt nog niet aan gedacht, waarde

mijnheer Krüger,” antwoordde de predikant. “Zooals u weet, was ik

verleden jaar niet hier, daarom zou het mij dubbel aangenaam zijn, ons

volkje nu eens goed te kunnen bedenken.”

“Nu, dominee, ik wil gaarne, zooveel ik kan, tot dit feest meewerken,”

zeide mijnheer Krüger. “Weliswaar ben ik een stijve, oude vrijer,

zooals ik tot mijn leedwezen bekennen moet, maar toch zie ik heel

gaarne mijn evenmensch, en vooral kinderen, vroolijk en blij. Ik stel

dus voor, dat wij een comité vormen; tot presidente benoemen wij

eenstemmig, uw vrouw en als leden melden zich nu dadelijk aan, mijn

twee jonge kantoorbedienden en ik. Mijnheer Sievers en u hebben het

door uw herderlijk ambt te druk, om veel tijd beschikbaar te stellen,

terwijl wij, wereldsch volkje, om dezen tijd van het jaar, minder te

doen hebben.”

Het voorstel van mijn chef werd aangenomen en wij spraken af, ons den

volgenden Dinsdag naar mevrouw Forstner te begeven, om alles verder te

bespreken. Toen wij op den bepaalden dag bij elkander waren, gaf

mevrouw ons een lijst met de namen der kinderen, jongens en meisjes,

die op den heiligen avond bedacht zonden worden. Er waren er ongeveer

vijftig.

Hendrik en ik zagen elkander eenigszins bedenkelijk aan, bij de

gedachte, hoe wij aan de vrij aanzienlijke som zouden komen, om voor

zooveel personen gepaste geschenken te kunnen aanschaffen, en de schrik

sloeg ons om het hart, toen mijnheer Krüger er kalmpjes bijvoegde:

“Ik stel voor, waarde mevrouw, ook aan de moeders van de kinderen iets

te schenken.”

“Dat zou inderdaad heel aardig zijn,” antwoordde mevrouw Forstner.

“maar ik vrees, dat onze middelen daarvoor te kort zullen schieten; u

weet toch, dat noch mijn echtgenoot, noch mijnheer Sievers zoo goed bij

kas zijn, om groote bijdragen te kunnen leveren.”

“Ja zeker, dat weet ik, maar waarom zijn wij dan in het comité? Ik

teeken voor honderd dollars, en mijn jonge vrienden teekenen samen voor

dezelfde som, zoodat wij tweehonderd dollars, of achthonderd mark,

volgens ons geld, voor den aankoop der geschenken kunnen uitgeven. Ik

geloof wel, dat men daarvoor heel wat fraaie zaken zal kunnen

aanschaffen.”

“O, zeker, mijnheer Krüger!” riep mevrouw Forstner verheugd uit. “Dat

is heel veel en meer dan ik verwacht had. Willen wij dan voor de

kinderen mooi speelgoed, dat in zoo groote menigte uit Duitschland

wordt ingevoerd en in de vele Duitsche winkels in Apia te krijgen is,

koopen? Voor de meisjes nemen wij: poppen en keukentjes, voor de

jongens: trompetten en geweren. Voor de moeders zou ik gaarne mooie,

gekleurde stoffen van dunne zijde of katoen, voor doeken of lava-lavas

nemen, en kettingen van gekleurde kralen, waarmee zij hals en haar

versieren.”

“Ik laat alles geheel aan u over, lieve mevrouw,” zeide mijnheer Krüger

beleefd. “Ik heb slechts één verzoek, of u mij een nauwkeurige opgaaf

geven wilt, van alles, wat tot den volgenden Zondag gekocht moet

worden; Maandag zullen de twee jonge heeren daarmee naar Apia varen en

de noodige inkoopen doen. Tot Kerstavond hebben wij dan nog acht dagen

tijd, ingeval er nog meer aan te schaffen mocht zijn.”

Op de terugreis zeide Hendrik lachend tot zijn neef:

“Je bent zoo vriendelijk geweest, beste neef, mijn Kerstgeschenk voor

de lieve kleinen op vijftig dollars te bepalen, maar ik moet je eerlijk

bekennen, dat ik op het oogenblik maar twintig dollars in kas heb.”

“Maar hoe is dat nu mogelijk, Hendrik?” riep mijnheer Krüger vrij boos.

“Je schijnt nog altijd dezelfde lichtzinnige knaap te zijn, als

vroeger. In Mulifanua had je waarachtig geen gelegenheid om geld uit te

geven. Wat heb je met je salaris uitgevoerd, voor den drommel?”

“Dat zal ik u eens zeggen, waarde neef,” antwoordde Petersen bedaard.

“Toen u weken lang wegbleeft, was ik naar Apia gevaren, gedeeltelijk om

een onderhoud te hebben met directeur Beckmann en hem om raad te

vragen, wat ik in mijn toestand als verlaten weesjongen doen moest,

gedeeltelijk om wat nieuwe kleeren aan te schaffen, daar het met mijn

garderobe vrij kaaltjes gesteld was. Deze uitgaven en de vier dagen,

die ik in het hotel International doorgebracht heb, hebben een

aanzienlijke bres in mijn lang niet volle beurs geschoten. U ziet dus,

dat ik aan mijn tegenwoordige armoede zoo onschuldig ben, als een

pasgeboren kind; mag ik u bovendien aan het verstandig gezegde van Oom

Bräsig herinneren: ‘Die Armut kommt von die grosze pauvreté!’”

Wij moesten beiden hartelijk lachen om de grappige manier, waarop

Hendrik de reden van zijn gebrek aan geld opgaf.

“Welaan, vriendje,” zeide mijnheer Krüger eindelijk, “dan weet ik niet

beter te doen, dan je die vijftig dollars voor te schieten, en die

later van je salaris te korten.”

“O, dan liever veertig dollars, want ik zal u zoo gauw mogelijk tien

dollars van mijn twintig geven. Ik laat mij bij zulke gelegenheden niet

graag manen,” zeide de altijd goed gehumeurde, beminnelijke Hendrik met

het ernstigste gezicht van de wereld.

Den volgenden Maandag voeren wij samen, zooals afgesproken was, in de

groote boot van de factorij naar Apia. Behalve de tweehonderd dollars,

die mijnheer Krüger aan mij, dien hij waarschijnlijk het meest

vertrouwde, had meegegeven, had ik nog vijftig dollars bij mij

gestoken, om voor mijn chef Hendrik en den directeur Mertens, alsook

voor mijn trouwen knecht Sufa, eenige aardigheidjes te koopen. In den

loop van het jaar had ik maar weinig van mijn salaris uitgegeven, daar

ik nog ruimschoots van ondergoed en bovenkleeren voorzien was; ik had

dus nog een aanzienlijke som liggen in de kas van mijnheer Krüger.

Bij onze aankomst in Apia, begaven wij ons natuurlijk naar den

directeur Beckmann en in Matafele naar de heeren der Maatschappij, die

zich daar bevonden, bij wie ik mij eenige winkels liet opgeven, waar ik

het best mijn inkoopen doen kon.

Mevrouw Forstner had wel al de opgenoemde zaken op haar lijst gezet,

maar van peperkoeken en andere zoetigheden stond er niets bij.

“Maar dat is onzin!” riep Hendrik uit, toen wij op den morgen na onze

aankomst, onder het ontbijt de lijst eens nakeken.

“Kinderen moeten met Kerstmis vooral peperkoek en marsepein hebben!

Waarmee zouden zij zich anders de maag bederven, zooals dat bij ons

thuis de gewoonte is?”

Tot onze vreugd ondervonden wij, dat verscheidenen der voornaamste

winkeliers in Apia, zich ruim voorzien hadden van alles, wat tot de

plechtige viering van het Kerstfeest noodig was; want in Apia alleen

woonden tweehonderd Duitschers, de equipage op de Duitsche schepen en

de vele beambten op de factorijen aan de kust en in het binnengedeelte

van Upolu, niet meegerekend. Behalve het speelgoed, en de

kleedingstukken, die Mevrouw Forstner op de lijst had aangegeven,

kochten wij nog heel wat koek en ander lekkers; dit alles kostte echter

tweemaal zooveel als in ons vaderland, zoodat de tweehonderd daalders,

waarover wij te beschikken hadden, heel gauw besteed waren.

Van mijn eigen geld kocht ik een mooi barnsteenen sigarenpijpje, dat ik

mijnheer Krüger vereeren wilde, die een hartstochtelijk rooker was, en

voor mijn vriend Petersen zocht ik een kleine tabakspijp van meerschuim

uit. Toen kochten Hendrik en ik, ieder een groote, sierlijk gekleede

pop, die “Papa” en “Mama” kon zeggen, voor de twee dochtertjes van den

dominee. Voor de presidente van ons comité hadden wij een keurig

werkmandje, van het noodige voorzien, uitgekozen.

Op den avond van den tweeden dag hadden wij onze gezamenlijke inkoopen

in ons hotel netjes ingepakt en gingen toen naar directeur Beckmann om

afscheid te nemen. Tot onze verwondering deelde hij ons mede, dat hij

er over dacht, den Kerstavond met ons in Mulifanua door te brengen.

Daar wij den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, de haven

van Apia zouden verlaten, kwamen wij nog voor twaalf uren ’s middags in

Mulifanua aan, en, hoewel onze beurzen leeg waren, troostten wij ons

met de gedachte, dat wij een menigte kinderen en volwassenen een echt

Duitsch, vroolijk Kerstfeest zouden kunnen bereiden.

Mijnheer Krüger was zeer in zijn schik; dat directeur Beckmann de

feestdagen bij ons wilde doorbrengen; beide heeren stonden sedert vele

jaren in vriendschappelijke betrekking en achtten elkander hoog.

Den vier en twintigsten December, brachten wij ’s morgens, geholpen

door onze bedienden, de talrijke pakjes naar het schoolgebouw van het

zendelinggenootschap. De ruime zaal was onder toezicht van mijnheer

Sievers, in dien tusschentijd heel netjes versierd; aan alle deuren en

vensters waren kransen van bladeren en bloemen opgehangen en de steenen

vloer was met matten belegd. De schooltafels waren in het midden naast

elkander gezet, en ook met veelkleurige matten bedekt; twee groote

pijnboomen, die de dennen moesten vervangen, omdat deze niet in Upolu

gevonden worden, stonden op de tafels en waren reeds door mevrouw

Forstner met kransen van gekleurd papier versierd geworden; wij voegden

hierbij de poppetjes van marsepein, het mooie, zoogenaamde vrouwenhaar

[2] en heel veel kaarsjes, zoodat de pijnboomen er werkelijk als twee

fraaie, echte Kerstboomen uitzagen.

Volgens de lijst van mevrouw Forstner, had ik de namen van de vrouwen

en kinderen op stukjes papier geschreven, die nu op de lange tafels

verdeeld werden, om ieders geschenk duidelijk aan te wijzen.

Tegen vier uur waren wij gereed met het verdeelen der cadeautjes.

Mijnheer Sievers deed de beide schooldeuren op slot, en begaf zich met

mevrouw Forstner naar de pastorie, nadat wij afgesproken hadden, even

over zessen weer bij elkaar te komen, daar de dominee besloten had, om

zeven uur, als het donker werd, met het uitdeelen der geschenken te

beginnen.

“Zonder brandende kaarsen aan den kerstboom, zou het ook geen echte,

heilige avond zijn,” zeide mevrouw Forstner, en wij waren dit volkomen

met haar eens. Toen Hendrik en ik thuis kwamen, troffen wij daar

directeur Beckmann reeds aan; hij was, zooals wij vernamen, reeds om

elf uur met zijn boot in de haven van Mulifanua aangekomen. Op verzoek

van mijnheer Krüger was de rentmeester Mertens ook verschenen. Na het

middagmaal gebruikten wij onze koffie op de veranda aan de voorzijde en

waren juist voornemens ons naar het zendelingenhuis te begeven, toen

mijnheer Beckmann ons met de woorden: “Heeren, één oogenblikje, als het

u belieft!” terughield. Tegelijk nam hij drie brieven uit zijn borstzak

en overhandigde daarvan een aan Petersen, een aan den rentmeester

Mertens en een aan mij.

Toen ik den brief opende, las ik tot mijn blijde verrassing, dat het

hoofdbestuur der Duitsche-Handel- en Plantage-Maatschappij in Hamburg,

mij een gratificatie had toegekend ten bedrage van honderd dollars,

betaalbaar bij de hoofdkas in Matafele, benevens een maandelijksche

verhooging van traktement van vijftig dollars.

Een en ander geschiedde wegens de vlijt en nauwgezetheid, die ik in den

loop van het jaar, voor de maatschappij had getoond. In het eerst kon

ik geen woorden vinden, maar toen sprong ik plotseling naar Krüger en

Beckmann af, aan wier warme aanbeveling ik deze onderscheiding te

danken had, en betuigde hun onder vreugdetranen, mijn innigen dank.

Mijn vriend Hendrik en de rentmeester Mertens hadden een dergelijk

schrijven ontvangen en wilden nu insgelijks hun dank uitstorten, toen

de directeur hun in de rede viel met de woorden:

“Het doet mij genoegen, Heeren, dat ik in staat ben u een kleine

Kerstvreugde te bereiden, maar het is nu meer dan tijd, dat wij voor

het uitdeelen der geschenken naar het schoolgebouw gaan. Ik moet

eerlijk bekennen, dat het mij waarlijk pleizier doet, weer eens zulk

een Kerstavond bij te wonen en zooveel gelukkige kindergezichtjes te

zien; dit is sedert heel veel jaren niet gebeurd.”

Bij het schoolgebouw gekomen, zagen wij daar wel vijftig jongens en

meisjes en een dertigtal vrouwen vereenigd; slechts een paar mannen

waren er onder. Naar mevrouw Forstner ons later vertelde, waren de

meeste vaders der kinderen, die een geschenkje zouden krijgen,

kieschheidshalve weggebleven, om het schoollokaal niet al te vol te

doen zijn.

Terwijl de heer Beckmann en Krüger de domineesfamilie in de pastorie

begroetten, ging ik met Hendrik en Mertens in het schoolgebouw om

mijnheer Sievers te helpen bij het aansteken der lichtjes aan de

kerstboomen. Hendrik en ik legden de poppen voor Marie en Betsy met

enkele pakjes suikergoed aan den voet van den eenen boom en zetten het

naaimandje van de moeder daar tusschen; natuurlijk vergaten wij de

naambriefjes niet. Toen alles gereed was, gaf mijnheer Sievers met de

schoolbel het teeken, dat het feest een aanvang zou nemen; ik deed

daarop de groote deur open, nadat ik mij eerst met een blik overtuigd

had, dat de dominees-familie met de heeren Beckmann en Krüger door de

andere deur binnengekomen was.

De kinderen bleven aan den ingang angstig tegen elkander staan en

waagden het volstrekt niet een stap verder te komen; met groote oogen

en open mond staarden zij naar de brandende lichtjes en de mooie

dingen, die op de tafels uitgespreid lagen. Eerst toen Sievers, Hendrik

en ik de voorsten bij de hand namen en hen met vriendelijke woordjes

naar de tafels brachten, kwam er wat leven in het troepje. Mijnheer

Sievers, die al de kinderen bij den naam kende, riep hen en ook de

moeders, hardop tot zich, en gaf ze dan aan ons over, om hen naar hun

plaatsen te brengen. Toch durfden de kleintjes, die van alles wat er

voorviel, zoo goed als niets begrepen, de aangeboden geschenken niet

aan te nemen; mijnheer Sievers had zich voor het harmonium geplaatst,

dat tusschen de twee tafels stond, en na een kort voorspel, zongen de

kinderen in koor het altijd schoone: “Heilige nacht! Stille nacht!” Dit

lied, dat ik als knaap zoo dikwijls gezongen had, maakte door de

zachte, welluidende stemmen der kleinen, natuurlijk in de Samoaansche

taal, op mij een onvergetelijken, diepen indruk. Toen het lied uit was,

riep de dominee tot de kinderen, dat zij nu al het moois, dat bij de

briefjes met hun naam lag, moesten opnemen. Binnen enkele minuten klonk

in het groot lokaal een gelach en gejuich, waaraan zich spoedig de

klank van trompetten en tromgeroffel paarde, want de jongens probeerden

hun instrumenten. De meisjes lieten elkaar haar poppen zien, beten

kleine stukjes van de heerlijke peperkoeken, die zij nog nimmer gezien

hadden en lieten onophoudelijk de mondjes gaan als een troep jonge

ganzen.

De vrouwen, die in hooge mate verrukt waren over de verrassende

geschenken van mooie stoffen en sieraden, gingen naar mevrouw Forstner

en bedankten haar met van vreugde stralende gezichten voor haar

goedheid. Toen deze haar uitlegde, dat zij de kerstgaven voornamelijk

aan mijnheer Krüger en de beide jonge Duitsche heeren te danken hadden,

kwamen de vrouwen, meest allen jong en schoon, naar ons toe, gaven ons

de hand en waren onuitputtelijk in dankbetuigingen.

Op dit oogenblik drongen de twee dochtertjes van den dominee door de

kinderen en vrouwen naar hun moeder heen en riepen met glinsterende

oogen:

“O, moesje, kijk eens, wat het Kerstkindje ons gegeven heeft!” En

tegelijkertijd hielden zij de pop, die zij van Hendrik en mij gekregen

hadden, in de hoogte.

“Mijn pop kan ‘Mama’ zeggen,” riep Marietje uit.

“En de mijne roept heel duidelijk ‘Papa,’ als ik op haar borst druk,”

voegde de kleine Betsy er bij.

De domineesvrouw wisselde een vriendelijken blik van verstandhouding

met ons en gaf ons de hand.

“Bij de poppen ligt nog een papiertje met uw naam er op, in een mandje,

moesje.” kwam het oudste zusje vertellen.

De moeder begaf zich dadelijk naar de aangewezen tafel, en nam het

mooie werkmandje op, dat zij vol bewondering bekeek.

“Wien van de twee heeren mag ik voor die lieve attentie bedanken?”

vroeg zij, terwijl zij Hendrik en mij beurtelings aanzag.

Toen mijn vriend op mij wees, stak de beminnelijke vrouw mij,

vriendelijk lachend, beide handen toe en bedankte mij met een paar

hartelijke woorden.

Een uurtje later, toen de eerste vreugde wat bedaard was, nam de

dominee de kinderen bij zich en hield hij een kleine toespraak, waarin

hij hun de beteekenis van het Kerstfeest voor het geheele Christendom

uitlegde.

Op Samoa · 第 5 / 11 段