“Ik zal trachten,” zeide de kapitein, “het schip door uitpompen zoolang

vlot te houden, tot wij op een der eilandjes kunnen landen, die hier in

de buurt moeten liggen. Tot mijn spijt kan ik volstrekt niet bepalen,

waar wij ons op het oogenblik bevinden, want met deze duisternis ben ik

niet in staat de vereischte berekeningen dienaangaande te maken. Voor

zoover ik echter kan nagaan, moeten wij honderd zeemijlen noordelijk

van Savaii zijn. De vreeselijke orkaan heeft den kotter zelfs met

razende snelheid juist naar het Noorden over het water gejaagd. God

geve, dat wij spoedig land mogen zien, anders zijn wij verloren, want

het uitpompen zal wel niet veel helpen.”

“Het spreekt van zelf, kapitein,” zeide mijnheer Krüger, “dat wij,

zooveel als in ons vermogen is, onze hulp bij het pompen verleenen; uw

Tonga’s zullen wel spoedig geheel uitgeput zijn.”

“Ik neem uw aanbod in dank aan, mijnheer Krüger,” antwoordde kapitein

Johannsen. “De stuurman zal zich ook naar de scheepspomp begeven,

terwijl ik het roer overneem.”

Gelukkig had de regen opgehouden, toen wij naar den romp van den

gebroken mast gingen, waar de scheepspompen waren; wij bleven dus ten

minste van boven droog, want tot aan de knieën stonden wij in het

water, daar de onstuimige zee nog van tijd tot tijd hooge golven over

het dek wierp.

Langer dan een uur hadden wij onafgebroken den pompslinger op en neer

bewogen; het zweet brak ons van alle kanten uit. Een massa vuil water

hadden wij uit het ruim op het dek gepompt; het vloeide nu door de

spuigaten (opening in het dek) in de zee, maar toch bleef de waterstand

in het ruim even hoog, zooals de stuurman door dikwijls herhaalde

peilingen gewaar werd; maar stijgen deed hij ook niet. Het kwam er dus

op aan, het werk met alle kracht voort te zetten. Eindelijk, het liep

tegen vijf uur, riep een der matrozen, die vooraan op den boeg stond:

“De branding vlak voor ons!”

Werkelijk zagen wij recht voor ons uit, een geweldige branding, maar

wij waren er nog wel een zeemijl van verwijderd. Het was duidelijk, dat

zich daar een uitgestrekt koraalrif bevond, waartegen de golven met

groot geweld braken, zoodat wij het schuim hoog zagen opspatten. Noch

de kapitein aan het roer, noch de stuurman konden met hun verrekijkers

een opening ontdekken in het rif, waar de wind ons in rechte lijn heen

dreef; een schipbreuk kwam ons dus onvermijdelijk voor. Op dit

oogenblik riep de kapitein verscheiden matrozen op het achterdek, liet

het zeil aan den bezaansmast inbinden en wierp het roer naar stuurboord

om, hetgeen tengevolge had, dat de kotter niet veel vooruitkwam en

spoedig eenigszins afdreef. Toen daarop de grootere bezaan, evenals het

kleinere stormzeil vastgemaakt waren, veranderde het schip na enkele

minuten van koers en voer langzaam in oostelijke richting langs het

rif, nauwelijks een kwartmijl van de gevaarlijke branding verwijderd.

Ondertusschen gingen wij onafgebroken met pompen voort, tot de kotter

de oostpunt van het rif omzeilde, waarin wij zeer spoedig een opening

ontdekten. De zee was daar aanmerkelijk kalmer dan aan de zuidzijde; de

branding was er ook niet zoo sterk en vlak voor de opening was de zee

zelfs zoo effen als een spiegel. Het gelukte den kapitein, den kotter

veilig door den tamelijk nauwen ingang, in een breede lagune

(strandmeer) te brengen, waarvan het water zoo kalm en helder was, dat

wij tot op den bodem konden zien. Juist hadden eenige matrozen mijnheer

Krüger en mij afgelost en stonden wij vooraan op den boeg, toen ons in

het midden der lagune een eiland in het oog viel, dat, voorzoover wij

zien konden, niet heel groot was. Het geheele strand van het eiland was

met hooge kokospalmen bedekt, waar tusschen wij verscheiden hutten

zagen; in de nabijheid lagen ook eenige kano’s aan den oever. Toen ik

mijn bevreemding uitdrukte, dat men in het ongewoon heldere water den

bodem kon zien, legde mijnheer Krüger mij uit, dat de kleine

koraaldiertjes alleen in zulk helder, schoon water hun riffen kunnen

vormen; dit kan men bij alle eilanden in de Zuidzee waarnemen.

Niet ver van het strand liet kapitein Johannsen het anker vallen, en

dadelijk hierop zagen wij, dat een kano, met een twaalftal inlanders

bemand, van den oever stak en snel den kotter naderde. Na een paar

minuten legde de boot bij onzen kotter aan en de eilanders klommen

langs de valreep op het dek. Te oordeelen naar hun lichtbruine

huidkleur, behoorden zij tot het Polynesische ras; tot kleeding hadden

zij niets dan een lendendoek, gemaakt van palmvezels; de armen en het

bovenlichaam waren overal getatoeëerd en ieder had in de linkerhand een

korte speer.

Het opperhoofd van de kleine schaar, die zich alleen van zijn

metgezellen onderscheidde door een snoer van kralen, gekleurde steenen

of schelpen, dat door het dikke haar geslingerd was, sprak den

kapitein, die hem tegemoet trad aan, in een taal, waarvan wij geen

enkel woord verstonden. De kapitein riep toen een van zijn Tonga’s en

nu bleek het, dat deze zich, al was het dan ook gebrekkig, bij de

eilanders verstaanbaar kon maken.

“Vraag het opperhoofd eens, hoe dit eiland heet,” gebood de kapitein.

“Olosenga, kapitein,” luidde het antwoord.

“O, nu kom ik op de hoogte,” zeide Johannsen, terwijl hij zich tot ons

wendde, want wij waren natuurlijk dadelijk op het achterdek gekomen,

toen de inboorlingen aan boord kwamen. “Zooals de kaart aanwijst, is

het een klein eiland, aan alle zijden door een koraalrif omringd, en

ongeveer honderd zeemijlen noordwaarts van Savaii gelegen. Het heet

Olosenga of Swain, als ik mij niet vergis. Wij zullen hier, vrees ik,

niet in de gelegenheid zijn, den kotter weer zeevaardig te maken,

mijneheeren, maar, komaan, een echt zeeman verliest niet gauw den

moed.”

Op een wenk van den kapitein volgde het opperhoofd ons nu in de roef,

waar wij hem een groot glas cognac gaven, dat hij met zichtbaar

welgevallen ledigde. De eilanders, die op het dek gebleven waren,

ontvingen van den stuurman eveneens een glas van het geliefkoosde

vuurwater.

Nu liet de kapitein het opperhoofd door den matroos, die als tolk

diende, vragen, of er aan het strand van het eiland ook een open vlakte

was, waar de kotter onmiddellijk aan den oever, in het ondiepe water

vastgelegd kon worden.

“Het is totaal onmogelijk,” zeide kapitein Johannsen, “het schip nog

langer vlot te houden. Wij moeten het zonder mankeeren op het strand

laten loopen, om de verschillende lekken te kunnen stoppen. Daar de

orkaan onze eenige boot uit de davids (draaibare kranen) losgerukt en

in zee geworpen heeft, kunnen wij het eiland niet verlaten, voor de

kotter weer zeevaardig is. In de kleine kano’s der inlanders mogen wij

het niet wagen, de reis naar het meer dan honderd zeemijlen verwijderde

Savaii te ondernemen; het zou zelfs in onze boot, die maar een jol was,

gevaarlijk geweest zijn, daar wij, bij den thans heerschenden

west-moesson, ieder oogenblik door storm konden worden overvallen.”

Op dit oogenblik kwam de Tonga-matroos ons mededeelen, dat volgens

zeggen van het opperhoofd, het strand aan de noordkust van het kleine

eiland veel vlakker was, dan de kust, die voor ons lag. Dadelijk liet

de kapitein het anker weer lichten en zette den kotter langzaam in

beweging, terwijl het opperhoofd met zijn metgezellen in de kano steeg

en vooruit roeide om ons tegelijkertijd tot loods te dienen. Daar

enkele matrozen voortdurend waren blijven pompen, was het water in het

ruim ten minste niet gestegen en behoefden wij niet te vreezen

plotseling in de diepte te verzinken.

Door den zwakken wind verliep er wel een half uur, vóór wij de

noordkust van het eiland bereikten, waar wij, ongeveer tien minuten

later, een kleinen bocht in het lage, zandige strand ontdekten. Het

opperhoofd wenkte met de hand en wees op de uitmonding van een klein

riviertje in het verst gelegen gedeelte van den bocht. De kapitein liet

de zeilen reven, en de kotter gleed langzaam in die uitmonding en zat

weldra in het ondiepe water aan den grond, zonder een hevigen stoot

gekregen te hebben.

De matrozen moesten met pompen ophouden en eenige planken aan den oever

leggen, die ons tot loopplank dienen konden. Wij haalden onze kleine

bagage uit de kajuiten en gingen aan land, waar wij ons voorloopig in

de schaduw van eenige bananen en oranjeboomen nedervlijden.

Intusschen waren er nog verscheiden eilanders bij gekomen, die onder

aanvoering van hun opperhoofd, den kapitein en den matrozen de

behulpzame hand boden om den kotter, op de lekke bakboordzijde, zoo

dicht mogelijk aan den oever van de beek op te trekken, waar hij

vervolgens vast gelegd werd en dus geen water meer kon innemen. De

matroos, die als kok fungeerde, had zijn ketels en eenige eetwaren aan

land gebracht, en was, op een haard van eigen vinding, begonnen een

krachtigen maaltijd klaar te maken, waaraan wij allen dringend behoefte

hadden, want sinds vele uren hadden wij niets gegeten.

Het opperhoofd en de overige eilanders kregen tot belooning voor hun

hulp eenige flesschen brandewijn en verwijderden zich toen weer in hun

kano’s.

VIJFDE HOOFDSTUK.

MIDDEN IN DEN GROOTEN OCEAAN.

Terwijl de kapitein en de stuurman het opzicht hielden over de matrozen

bij het lossen van den ballast, uit het scheepsruim, nadat het

binnengestroomde water na weinig tijds uitgepompt was, hingen mijnheer

Krüger en ik onze buksen over den schouder en gebruikten wij de weinige

uren voor het invallen van de duisternis, om ten minste eenigszins op

de hoogte te komen van den naasten omtrek onzer landingsplaats.

Wij gingen in westelijke richting langs het strand, dat overal met

kokospalmen, bananen en broodvruchtboomen beplant was, doch konden noch

beek, noch bron ontdekken, zoodat het kleine, nietige stroompje, waarin

de kotter vastgelegd was, het eenige water op het eiland scheen te

zijn. Ook zagen wij enkele hutten, maar deze waren geheel anders dan

die op Upolu en Savaii; zij waren veel eenvoudiger, uit boomstammen

opgetrokken en de daken bestonden uit breede bananenblâren. De bewoners

dezer hutten schenen goedaardige menschen te zijn, want de mannen

lachten ons vriendelijk toe; enkele gaven ons zelfs de hand en spraken

eenige woorden, die wij natuurlijk niet verstonden, maar die in ieder

geval een groet moesten beteekenen.

Het binnenste gedeelte van het eiland scheen geheel vlak; wij konden

ten minste geen enkele verheffing van den grond bespeuren; een dicht

bosch bedekte de geheele oppervlakte.

Na een goed uur kwamen wij weer op de landingsplaats en deden den

kapitein verslag, van hetgeen wij op onze wandeling gezien hadden. “Ja,

het is een zoogenaamde Atol (koraalrif) met een eilandje in het midden,

waarop de storm ons heengedreven heeft,” antwoordde de kapitein. “Ik

heb vroeger de zeekaart van dit gedeelte van den Grooten Oceaan,

benevens de daarop betrekking hebbende verklaringen, bestudeerd en

herinner mij nu, dat Olosenga tot de groep der Tokelau-eilanden behoort

en het zuidelijkste eiland dezer groep is. Het is nog niet eens zoo

groot als Apolina, dat, zooals gij ziet, het kleinste der

Samoa-eilanden is en heeft een oppervlakte van ongeveer anderhalve

Engelsche vierkante mijl; ook is het slechts schraal bevolkt. Toch

moeten wij den goeden God van ganscher harte danken, dat wij dat eiland

bereikt hebben, vóór de kotter lek werd; het zou onmogelijk geweest

zijn, hem, bij die hooge zee ook maar enkele uren vlot te houden.”

“Gij hebt gelijk, kapitein, wij hebben groote reden tot dankbaarheid,”

antwoordde mijnheer Krüger. “Hoe lang, dunkt u, zullen wij op dit

kleine lapje gronds midden in den Grooten Oceaan moeten blijven?”

“Dat kan wel verscheiden weken duren, beste mijnheer Krüger,” was het

antwoord. “Mijn Tonga’s zijn niet zeer geoefend in het kalefateren

(dichtstoppen) en het uitwerpen van den ballast neemt minstens vier of

vijf dagen in beslag, en, voor het scheepsruim geheel leeg is, kan er

met het dichtmaken der planken volstrekt niet begonnen worden.”

“Dat is een heel treurig vooruitzicht, kapitein,” zeide mijn chef.

“Mijn neef in Mulifanua zal zeer ongerust worden over ons lang

uitblijven en zeker gelooven, dat wij op de een of andere manier

verongelukt zijn. Mijnheer Beckmann zal dit ook denken, als er in zulk

een langen tijd geen bericht van den kotter in Apia komt.”

“Zou het niet mogelijk zijn, kapitein, dat ik in een kano van de

inlanders, met het opperhoofd en een paar zijner lieden naar Savaii

overvoer, om ten minste mijnheer Koning bericht te geven van ons

tegenwoordig verblijf,” vroeg ik. “Daar hij van het losbreken van den

vreeselijken Taifun, kort na ons vertrek van Matautu, gehoord moet

hebben, zal hij zeker overtuigd zijn, dat de kotter in den storm is

vergaan.”

“Aan een tocht naar het eiland Savaii, honderd mijlen hier van daan, in

een kano, valt niet te denken, mijn waarde heer,” antwoordde kapitein

Johannsen. “Deze kleine bootjes kunnen alleen op de lagune, voor de

vischvangst gebruikt worden; zij kunnen zich niet eens op de zee,

buiten het rif wagen, daar zij bij de geringste hooge zee dadelijk

zouden omslaan. Als de inlanders hier zulke groote oorlogsvaartuigen

als de Samoaners hadden, zou het eerder te beproeven zijn. Wij moeten

dus geduld hebben, heeren, tot de kotter weer zee kan bouwen. Bovendien

is geduld een noodzakelijke deugd voor iederen zeeman, en voorloopig

moet gij u maar als zeelui beschouwen, wien een ongeluk overkomen is.”

“Tot mijn spijt moet ik u volkomen gelijk geven, kapitein Johannsen,”

antwoordde mijnheer Krüger. “Met deze ontzettende hitte is het verblijf

in de kleine roef en in de kajuiten bijna ondragelijk; dus daarom stel

ik voor, om onder de bananen een tent op te slaan, waarin wij ten

minste de nachten wat aangenamer kunnen doorbrengen.”

“Uitstekend, mijnheer Krüger. Ik zal den stuurman dadelijk last geven,

om uit een paar reservezeilen en stokken zulk een tent in orde te doen

maken, die voor ons vieren ruimte genoeg tot slapen heeft; ik zal het

linnen ook met teer laten bestrijken, dan hebben wij ten minste bij de

nu dikwijls neerstroomende regens een droog verblijf.”

In den loop van den volgenden voormiddag was de tent geheel gereed; de

grond werd met matten belegd, die ons tot legerstede zouden dienen.

De scheepskok had zijn tijd besteed, om in een kano, die het opperhoofd

ter onzer beschikking gesteld had, naar het koraalrif te varen, en

daarvan verscheiden stukken af te breken, die hij gebruikte om een

tamelijken haard in elkaar te zetten, want noch op het strand, noch in

het binnen-gedeelte was een enkele steen te vinden. Naar de kapitein

ons meedeelde, bevatten de meeste der kleinere eilanden in den Grooten

Oceaan geen steenen.

Nadat wij onze bagage in de tent gebracht hadden, gingen mijn chef en

ik naar de oostkust van het eiland, om het opperhoofd uit naam van den

kapitein een flesch brandewijn te brengen. Het was in ons belang de

vriendschappelijke betrekkingen met dezen man te onderhouden, want hij

kon het ons, indien hij wilde, onaangenaam genoeg maken.

Daar wij geen gesprek met hem konden voeren, stelden wij er ons mee

tevreden, hem met een vriendelijk lachje de flesch te overhandigen; ze

werd aangenomen met een handdruk, een grijnslach en enkele uitroepen,

waarvan wij natuurlijk geen woord verstonden. Toen wij na eenigen tijd,

van onze wandeling door het binnenste van het eiland weer op onze

landingsplaats kwamen, liet de kok ons een vrij groote mand, uit

boomschors vervaardigd vol versch gevangen visch zien, die het

opperhoofd juist in persoon was komen brengen, waarschijnlijk als een

bewijs van zijn dankbaarheid voor den brandewijn.

Mijnheer Krüger en ik hadden op onzen weg door het binnen-gedeelte van

het eiland, dat geheel met boomen beplant was, geen andere dieren

kunnen ontdekken dan een menigte allerliefste kleine vogeltjes, en bij

de hutten, die hier en daar aan het strand lagen, eenige varkens. Mijn

chef dacht, dat deze jaren geleden van Savaii, of van een der kleine

eilanden der Tokelau groep, ingevoerd waren.

Er was bijna een week verloopen, voor men den ballast zoover verwijderd

had, dat men er aan denken kon aan het kalefateren der los geraakte

planken te beginnen. Hiertoe moest de kotter zoo ver naar stuurboordzij

omgehaald worden, dat de bakboordzij geheel boven water lag, aan dit

werk moesten wij allen meehelpen, want de negen matrozen waren niet bij

machte het zware schip door middel van hefboomen op een kant te leggen.

Tegen den avond waren wij hierin geslaagd, maar wij, Europeanen, waren

doodaf, want het was inderdaad geen kleinigheid, onder de gloeiende

zonnestralen alle krachten zoo in te spannen.

Daar de kotter slechts een zeer kleine hoeveelheid werk aan boord had,

moesten alle touwen uitgerafeld worden, om het noodige stopmateriaal te

verkrijgen, dat dan onder toezicht van den stuurman, door de matrozen

in de reten der planken gestopt en met vloeibaar teer bestreken werd.

Den Tonga’s, die weinig verstand van zulk werk hadden, ging het

kalefateren langzaam van de hand, zoodat er bijna een week verliep,

voor het lek zoo goed als gestopt was.

Mijnheer Krüger en ik hielden ons in dien tusschentijd bezig met

visschen in de lagune, waarbij wij van een kleine kano gebruik maakten,

die kapitein Johannsen van het opperhoofd voor een scheepsbijl

ingeruild had. Wij deden dit niet alleen voor ons genoegen, maar ook

ter wille van onze gemeenschappelijke keuken. De kapitein had ons

namelijk op een morgen verteld, dat hij behalve wat pekelvleesch, nog

maar enkele scheepsbeschuiten bezat, want de kotter had met de proviand

niet op zulk een lange afwezigheid van Apia gerekend. Hij had gemeend,

niet langer dan acht dagen op reis te zullen zijn.

Van de eilandbewoners was volstrekt niets te krijgen, wat wij voor ons

levensonderhoud hadden kunnen gebruiken, daar zij zich uitsluitend met

visch, kokosnoten en bananen voedden. Slechts zeer zelden gingen zij er

toe over, een der weinige varkens te slachten, die zij bezaten. Toch

was ik zoo gelukkig een varken in te ruilen voor een bijl, die de

kapitein mij tot dit doel gaf. Het dagelijksch gebruik van visch met

beschuit, zonder een enkelen aardappel, stond ons spoedig tegen, zoodat

wij, Europeanen, hartelijk naar een flink stuk vleesch verlangden.

Op een avond zaten wij voor onze tent en gebruikten ons bescheiden

avondeten, waarbij kapitein Johannsen een van de weinige flesschen

brandewijn schonk, die hij nog bezat, om een glas grog te kunnen

drinken, en wij waren zeer in onzen schik, toen de kapitein ons

mededeelde, dat de kotter binnen twee dagen dicht zou zijn, en weer te

water zou kunnen gaan.

“Goddank!” riep mijnheer Krüger uit. “Het wordt waarlijk meer dan tijd,

dat wij dit ellendig eiland verlaten! Het eeuwig visch eten met

beschuit, gaat mij al geducht tegenstaan; ik geloof, dat ik in geen

maanden visch zal kunnen zien.”

“Dat zal met ons ook wel het geval zijn, beste Heer,” antwoordde de

kapitein. “Binnen enkele dagen zal de scheepsbeschuit ook op zijn. Het

is nog een geluk, dat het beekje hier ten minste goed drinkwater heeft,

anders hadden wij onzen dorst met het brakke regenwater, dat op enkele

plaatsen in den grond zakt, moeten lesschen; de eilanders, die verder

van de kust wonen, hebben niet anders dan dezen walgelijken drank.

“Wanneer wij overmorgen den kotter te water gelaten hebben,” vervolgde

de kapitein, “hebben wij nog een dag noodig, om op de plaats van den

afgebroken hoofdmast een noodmast te maken, waarvoor wij een der

voorhanden zijnde reservespaken gebruiken kunnen. Met de kleine zeilen

aan den bezaansmast, zouden er verscheiden dagen mede heengaan, voor

wij Mulifanua bereiken.”

“Kunt u dan niet naar Savaii overvaren, kapitein?” vroeg mijnheer

Krüger. “Dat zal toch veel dichter bij zijn dan Mulifanua.”

“Het verschil is niet zoo heel groot, mijnheer Krüger,” antwoordde

kapitein Johannsen; “als de kotter, naar ik hoop, zee kan bouwen, zal

ik, in plaats van dadelijk naar het Zuiden te gaan, naar het Zuidoosten

koers zetten, dan kunnen wij, als de wind eenigszins gunstig is, in

vier en twintig uren te Mulifanua zijn.”

Juist wilden wij onze leden in de tent, op de neergelegde matten

uitstrekken, toen wij door een luid geschreeuw, dat nader kwam,

verhinderd werden; kort daarop verscheen het opperhoofd met een geheele

schaar van zijn stamgenooten, en riep ons verscheiden woorden toe, die

wij natuurlijk niet verstonden. Met een door angst verwrongen gelaat,

wees hij naar de richting waarin zijn hutten lagen.

Spoedig kwam de Tonga-neger, die zich bij de eilanders eenigszins

verstaanbaar kon maken, aanloopen en vertelde ons, dat het kleine dorp

van het opperhoofd overvallen was geworden door een groote menigte

zijner vijandelijke stamgenooten, die in hun oorlogskano’s overgekomen

waren van het eiland Fanualoa, dat ongeveer vijftig mijlen verder lag.

Het opperhoofd en de zijnen, wier aantal veel te gering was, om zich

tegen de vijanden te kunnen verdedigen, waren dadelijk naar ons

gevlucht om onze hulp in te roepen.

“Zeker, wij willen de arme stakkers helpen, niet waar heeren?” riep de

kapitein.

Vlug namen wij onze geweren en revolvers, terwijl de Tonga’s zich met

bijlen en messen wapenden.

Nauwelijks waren de vrouwen en kinderen voor de tent neergehurkt, toen

ongeveer zestig eilanders zich door de struiken een weg baanden en

onder vreeselijk getier op ons afstormden, terwijl zij hun lange speren

boven hun hoofden zwaaiden en korte, dikke stokken naar ons toe

slingerden.

Zonder een oogenblik te aarzelen, schoten wij onze buksen op den

razenden troep af, die bij het ongewone geluid van het knallen der

geweren en het flikkeren van het kruit, eerst doodelijk ontsteld bleven

staan, om daarop met groote sprongen in de struiken te verdwijnen.

Na enkele oogenblikken schenen zij zich echter hersteld te hebben, want

zij kwamen weer te voorschijn, wierpen enkele speren naar ons toe en

drongen op ons in; maar, toen wij een onafgebroken vuur openden, dat op

dezen kleinen afstand zijn uitwerking niet miste, keerden zij om en

namen onder afgrijselijk geschreeuw de vlucht. Onze Tonga’s, wier

krijgshaftige aard opgewekt was, volgden de vluchtenden op de hielen en

hieuwen er met bijlen en messen dapper op los; onze eilanders deden

eveneens en wierpen hun speren tusschen de vijanden. Toen wij,

Europeanen, die de vervolgers wat langzamer achterna zetten, het strand

en de hutten der inboorlingen bereikt hadden, zagen wij bij den

helderen maneschijn drie groote kano’s, die zoo snel mogelijk over de

lagune naar den ingang geroeid werden.

Op den terugtocht naar onze landingsplaats vertelde de Tonga-matroos,

die tot tolk diende, dat, naar het opperhoofd hem had medegedeeld, de

bewoners der andere eilanden reeds verscheiden keeren bij hen gekomen

waren, om eenige mannen van Olosenga gevangen te nemen, die zij dan

naar hun land meenamen en daar opaten. “Nu, ditmaal zullen onze

eilanders een overvloedig maal hebben aan hun vijanden, die door ons

gedood zijn; want,” zoo eindigde hij zijn mededeeling, “dezen zijn

precies zulke kannibalen als zij.”

Twee dagen na deze gebeurtenis lag onze kotter kant en klaar voor anker

midden in de lagune. Nog laat in den avond brachten wij onze kleine

bagage aan boord en staken den volgenden morgen vroegtijdig in zee.

Noch het opperhoofd, noch een der eilanders hadden zich intusschen

vertoond; waarschijnlijk waren zij te druk aan hun afschuwelijken

maaltijd bezig.

Door den zwakken Zuidwestenwind ging de kotter maar langzaam vooruit,

daar wij behalve het bezaanzeil een klein zeil aan den noodmast

bevestigen konden. Die noodmast was een spaak, vastgemaakt aan het

afgebroken gedeelte van den mast. Zoo kwam het, dat wij eerst tegen den

middag van den volgenden dag, den berg Tofu in het gezicht kregen en

eenige uren later liepen wij de haven van Mulifanua binnen. De kleine

kano werd te water gelaten, wij namen hartelijk afscheid van den

flinken kapitein Johannsen en den stuurman, en lieten ons naar land

roeien door drie matrozen, die wij met een ruime fooi, welke zij met

hun andere makkers moesten deelen, voor hun moed en volharding in de

gelukkig doorstane gevaren der laatste weken, beloonden.

Met welke gevoelens van dankbaarheid jegens de Voorzienigheid, mijnheer

Krüger en ik aan land gingen, zal ik wel niet behoeven te zeggen. Bij

het opgaan van de stoep van het woonhuis, werden wij door Hendrik

Petersen, die op de veranda thee dronk, bijna omvergeloopen, zoo woest

sprong hij ons tegemoet en omhelsde hij ons.

Op Samoa · 第 4 / 11 段