Vlug trokken wij den dapperen jongen, want het was inderdaad Frans, de

deur in, sloten en grendelden deze, en gingen op onzen post bij de

schietgaten, waarna Frans ons vertelde, dat hij geruimen tijd aan den

kant van het suikerrietveld op den grond had gelegen en oplettend

geluisterd had, zonder eenig verdacht geruisch te vernemen. Eindelijk

had hij duidelijk gehoord, dat iemand op de helling, op een dorren tak

trapte; toen was hij overeind gekomen en had uit het aanhoudend

geruisch opgemaakt, dat er een groot aantal menschen naar beneden

kwamen; ook had hij enkele uitroepen gehoord, waarna hij zeker van zijn

zaak geworden was en zich snel uit de voeten had gemaakt.

Het duurde nauwelijks een kwartier, toen wij reeds in de flauwe

schemering, die slechts hier en daar door het licht eener ster tusschen

de wolken verhelderd werd, een groot aantal donkere gedaanten konden

onderscheiden, die voorzichtig, zonder het minste geruisch, door den

tuin de groote deur van onze loods naderden. Zij konden nog nauwelijks

tien stappen verwijderd zijn, toen Mertens en ik op de voorsten een

schot losten. Bijna gelijktijdig vielen ook uit de loodsen, door

Petersen bezet, schoten, waarop onmiddellijk een luid gehuil volgde;

dit hield slechts kort aan; toen werd alles stil.

Klaarblijkelijk hadden de inlanders, in den eersten schrik over deze

zeker niet verwachte ontvangst, zich zoo snel mogelijk door den tuin

tot aan den rand van het suikerrietveld teruggetrokken.

“Wij zullen de kerels wel weer gauw weerom hebben, Mijnheer Arendt,

zeide Mertens,” die sedert verscheiden jaren in Samoa woonde en den

aard der inlanders goed kende. “Zij zijn woedend, dat wij op hun komst

voorbereid waren, maar nog meer verbitterd over het verlies der hunnen,

wier dood of zware verwonding zij ongetwijfeld zullen wreken.” Het

bleek, dat Mertens goed had gezien. Kort daarop riep Frans Hüsmann, die

bij een der schietgaten aan den voorgevel post had gevat, ons toe: “Zij

komen dezen kant uit, een heele menigte!”

Vlug sprong ik er heen, en zag inderdaad een troep donkere gedaanten

ijlings naderkomen. Zonder aarzelen schoot ik mijn geweer met dubbelen

loop af, en bemerkte bij het flikkeren der schoten, dat de voorsten

groote takkenbossen droegen, dus waarschijnlijk van plan waren de

loodsen in brand te steken.

Ik was niet weinig verschrikt bij de gedachte, hoe de muren, die uit

dunne, door de zon uitgedroogde planken bestonden, als tondel moesten

branden, doch spoedig wist ik, wat mij te doen stond; ik riep mijn

Tonga-mannen, rukte de deur open en vloog naar den voorgevel, aan

Mertens en den jeugdigen Frans, de bewaking voor de deur overlatend.

Wij kwamen geen oogenblik te vroeg op de bedreigde plaats. Wel een

dozijn inlanders hadden reeds een heelen hoop takken beneden aan den

gevel neergeworpen en stonden op het punt dien in brand te steken, toen

ik aan den hoek der loods verscheen, en onmiddellijk de zes kogels van

mijn revolver op den verrasten vijand afschoot, terwijl mijn Tonga’s

met vreeselijk krijgsgeschreeuw op de gehate Samoaners toesprongen en

hen met hun lange messen te lijf vielen.

In den eersten schrik weken de aanvallers terug, maar spoedig drongen

zij, met wel dertig landgenooten versterkt, woedend op ons in, zoodat

wij na weinig minuten tot aan den muur moesten terugwijken. Daar ik

geen tijd had, mijn revolver opnieuw te laden, moest ik met mijn

hartsvanger de messtooten afweren, die op mij gemunt waren, en reeds

had ik verscheiden steken in den rechterbovenarm ontvangen, toen de

zaak een andere wending nam.

Van de rechterschuur, die in het geheel niet was aangevallen, kwam

Petersen met de twee opzichters, Nicolaas Hüsmann en zijn zes Tonga’s

haastig aanloopen, en overviel de Samoaners met revolverschoten en

kolfslagen, terwijl bijna gelijktijdig Hüsmann met zijn zoon Karel en

twee zijner bedienden uit het woonhuis kwam, om mij en den mijnen te

hulp te komen. Wij tastten de inlanders nu van twee zijden aan en

joegen ze, na een korten tegenstand, door den tuin tot aan den zoom van

het bosch, aan den voet der berghelling, terug. Petersen zette de

vluchtelingen nog een eind weegs met de Tonga’s na, die zich als

razenden midden onder de Samoaners wierpen en hen met hun messen

aanvielen. Ik voelde hevige pijn in den rechterbovenarm en volgde den

directeur Hüsmann daarom gaarne naar het woonhuis, terwijl zijn zoons

met Mertens en de overige opzichters de ronde deden om de gebouwen en

den tuin, ten einde zich te vergewissen, of geen inlanders zich daar

verborgen hadden.

Mevrouw Hüsmann onderzocht mijn gewonden arm en bevond, dat ik een vrij

diepen en breeden steek, benevens twee kleine verwondingen had bekomen;

nadat zij de wonden had uitgewasschen,—waaruit duidelijk bleek, dat zij

van dat soort van dingen veel verstand had,—bestreek zij ze met een

koele, heilzame zalf en deed een linnen zwachtel om den bovenarm.

Toen Petersen en de overige Europeanen terugkwamen, vertelden zij wel

een dozijn dooden, maar geen enkelen zwaar gewonde gevonden te hebben;

ook hadden zij opgemerkt, dat niemand der inlanders, den witten doek,

het herkenningsteeken der partij van de opstandelingen, om het hoofd

gewonden had.

“O, dat is nog volstrekt geen bewijs, dat de kerels niet tot de

aanhangers van Tamasese behoord hebben!” riep Hüsmann uit. “Een doek

kan gemakkelijk afgedaan en na den gepleegden roof weer omgebonden

worden. Ik ben er vast van overtuigd, dat het opstandelingen geweest

zijn, die weer eens groot gebrek aan de noodigste levensmiddelen

hebben, en zich bij mij van nieuwen voorraad hebben willen voorzien.

Zonder uw flinke hulp, zouden de schelmen hierin zeker geslaagd zijn.

Ik en de mijnen danken u hartelijk,” zeide de wakkere Mecklenburger,

terwijl hij ons zóó krachtig de hand drukte, dat ik een kreet van pijn

niet weerhouden kon, hetgeen hem een verwijt van zijn vrouw berokkende.

“Pardon, Mijnheer Arendt, ik was een oogenblik vergeten, dat u tot de

gewonden behoort,” zeide hij zich verontschuldigend. “Hoe staat het

overigens met onze lieden?” vroeg hij zijn oudsten zoon.

“Er is niemand dood,” antwoordde Nicolaas, “maar wij hebben allen

schrammen en weinig beteekenende messteken opgeloopen, voornamelijk met

de schermutseling bij den voorgevel.”

“Twee van onze Tonga’s zijn nog al erg toegetakeld geworden,” zeide

Petersen, “de anderen zijn vrijgekomen met enkele steken in gelaat en

armen. Ik heb ze in de loods gebracht, en mijnheer Mertens verzocht,

hen morgen op een buffelkar naar de factorij te laten brengen.”

“Ik ga direct eens naar die stakkers kijken, anders bloeden zij

misschien nog dood!” zeide Mevrouw Hüsmann. Nadat zij eerst van een

laken een draagband gemaakt had, waarin ik mijn rechterarm moest

leggen, ging de goede vrouw naar de loods, om de diepe wonden der beide

Tonga’s te onderzoeken en te verbinden.

Bij haar terugkomst deelde zij ons mede, dat de gekwetsten weliswaar

eenige diepe messteken in de borst gekregen hadden, maar dat zij toch

na eenige uren rust vervoerd zouden kunnen worden.

Na ons met een kop sterke koffie verkwikt te hebben, begaven wij ons,

onder geleide van Frans, weer op weg naar onze plantage, over de

heuvelen en door het woud, daar de zon intusschen opgegaan was.

In de factorij bestegen Petersen en ik onze paarden, die wij daar

gelaten hadden en kwamen een uur later weer in onze woning, waar

mijnheer Krüger ons met ongeduld wachtte. Ik gevoelde mij zoo verzwakt

door het bloedverlies, dat ik mij zeer spoedig naar mijn kamer begaf en

naar bed ging, en het aan Petersen overliet, zijn neef een uitvoerig

verslag te geven van alles, wat er dien dag was voorgevallen.

VIERDE HOOFDSTUK.

OP SAVAII. DE TAIFUN.

Twee weken na dezen nachtelijken strijd met de opstandelingen vroeg

mijnheer Krüger mij, hem op een tocht naar Matautu, een haven aan de

noordkust van Savaii, te vergezellen. In de nabijheid van Matautu lag

een kleinere plantage Vaipuli, die ook het eigendom was der Duitsche

Handel- en Plantage-Maatschappij en door een mijnheer Koning bestuurd

werd. Mijn chef was echter met het oppertoezicht over deze ver

verwijderde plantage belast, en moest meer dan eens in den loop van het

jaar daarheen varen, om zich persoonlijk te overtuigen van den

toenemenden bloei van elke cultuur. Op deze reis zou ik hem nu

vergezellen en de boeken van den directeur nazien.

Daar de haven van Matautu meer dan dertig zeemijlen van Mulifanua

verwijderd is, en de tocht in een open boot, dus vrij ongemakkelijk en

ook niet zonder gevaar zou geweest zijn, te meer, omdat met den juist

ingetreden West-moesson (Passaatwind) gewoonlijk zeer hevige winden

waaien,—had mijnheer Krüger den directeur Beckmann een van onze kotters

gevraagd, waarmee wij de terugreis zouden aanvaarden.

De wonden in mijn rechterbovenarm waren nu volkomen genezen, en ik kon

hem weer goed gebruiken. Op den morgen na het binnenloopen van den

kotter, ging mijnheer Krüger met mij en onze twee bedienden aan boord,

waarop het kleine, aardige schip dadelijk het anker lichtte en ons uit

den bocht van Mulifanua bracht.

Nadat wij het eilandje Manono gepasseerd waren, moest de kotter verder

van de kust afhouden, daar er uit het Noordwesten een vrij stevige

bries opstak; de hemel was overigens helder, zoodat ik de geheele

noordkust van Savaii duidelijk voor mij zag. Kapitein Johannsen en

mijnheer Krüger waren zoo vriendelijk mij op enkele zeer

vooruitstekende punten en de belangrijkste dorpen opmerkzaam te maken;

ook maakten zij mij eenigermate bekend met de plaatselijke gesteldheid

van dit grootste eiland der geheele Samoagroep.

Savaii wordt van het Oosten naar het Westen door twee bergketenen

doorsneden, die bij enkele toppen een hoogte van meer dan vijfduizend

voet bereiken en zeer vulkanisch zijn; uitgestrekte lavavelden bedekken

den grond en bemoeilijken den landbouw zeer; door het gemis van groote

rivieren is de bodem ook niet zeer vruchtbaar. In het binnenste

gedeelte van het eiland bevinden zich slechts hooge bergen en eenig

hoogland met ondoordringbaar oerwoud bedekt; daarom is het bijna geheel

onbewoond; alleen aan de kusten liggen vrij talrijke dorpen,

voornamelijk aan de noordoost- en de zuidwest-kust. Langs de eerste

strekt zich, ongeveer een zeemijl lang, een koraalrif uit, waarin zich

slechts enkele openingen bevinden, die echter zoo weinig breedte

hebben, dat alleen booten er door heen kunnen varen; de eenige haven

aan de noordkust, die voor groote vaartuigen geschikt is, is de baai

van Matautu, het doel van onzen tocht. Een indrukwekkenden aanblik

geeft het scherp getande voorgebergte Tuasivi, de oostelijke punt van

het eiland, dat meer dan duizend voet hoog is; aan zijn voet ligt het

dorp Tofua, een station van het Engelsche zendelinggenootschap; het

kerkje kan men op zee reeds van verre zien. Onder de talrijke,

daaropvolgende dorpen langs de oostkust is Safotulafai wel het

belangrijkste, omdat daar de residentie der opperhoofden gevestigd is,

aan wie de bewoners van de geheele landstreek gehoorzaamheid

verschuldigd zijn.

Tegen den middag kregen wij de landtong bij Matauta in het gezicht,

waarop een hooge vlaggestok stond met de Duitsche vlag. Mijnheer Krüger

vertelde mij, dat deze vlaggestok toebehoorde aan de woning van den

directeur Koning, die zich dit bekoorlijk plekje tot woonplaats had

gekozen.

De ingang tot de haven van Matauta was breed genoeg voor grootere

schepen, maar, naar ons de kapitein meedeelde, was deze bij hevige

stormen uit het Noordwesten, volstrekt niet veilig, daar de inham aan

de westzijde geheel open lag, terwijl deze aan den oost kant, beschut

werd door de landtong, die ver in zee uitstak.

Daar kapitein Johannsen de aankomst van den kotter reeds van uit de

zee, door drie schoten uit de twee kleine kanonnen had aangekondigd,

die aan weerszijden van de kampanje op het achterdek geplaatst waren,

werden wij dadelijk na de landing, door den heer Koning op het bolwerk

ontvangen, en door een heerlijk schoon bosch van

oranje-broodvruchtboomen, bananen en waaierpalmen naar het hooge

gedeelte der landtong geleid. In een dergelijk boschje zagen wij een

huis, dat op een villa geleek; de houten muren waren gewit, een

zeldzaamheid op de eilanden, die mij nog niet opgevallen was. Op de

veranda van dit fraaie gebouwtje, werden wij door een mooie, jonge

vrouw, een inboorling van Samoa, met den gebruikelijken landsgroet,

“Tafola” begroet, terwijl twee naast haar staande kinderen, een meisje

van ongeveer acht en een jongen van zes jaar, ons de hand gaven met de

Duitsche woorden “Grüsz Gott!” Het waren de vrouw van mijnheer Koning,

mevrouw Selina en hun kinderen Maria en Jan, allen bepaald allerliefste

verschijningen, vooral het kleine meisje, dat er als een fee uitzag.

Haar gelaatskleur was iets lichter dan die der inlanders en had veel

overeenkomst met die der Spaansche vrouwen; van haar moeder had zij de

prachtige, donkerbruine oogen met de lange, zwarte wimpers en het

blauwzwarte haar geërfd, en zij had snoezig kleine handjes en voetjes.

Het knaapje was ook een bekoorlijk ventje, dat heel vertrouwelijk met

mij babbelde en mij, in vloeiend Duitsch, allerlei dingen vroeg. Moeder

en kinderen waren op Europeesche wijze gekleed; natuurlijk bestond de

stof uit dunne gekleurde zijde.

Kort daarna begaven wij ons achter het huis, naar de veranda, waar wij

een heerlijk gezicht op de zee hadden en een rijk voorziene tafel ons

met het lunch wachtte. Terwijl ik met de kinderen praatte, onderhield

mijnheer Krüger zich met mevrouw Koning in het Samoaansch, daar

laatstgenoemde zich maar zeer gebrekkig in onze moedertaal verstaanbaar

kon maken. Ons lief Duitsch is, zooals men weet, voor vreemdelingen een

zeer moeilijk te leeren taal.

Na het lunch deden wij een middagslaapje, en bestegen daarop de

gereedstaande paarden om naar de plantage te rijden, die ongeveer drie

kilometer ver lag.

De plantenwereld langs den geheelen weg tusschen de kust en den voet

van het gebergte, vond ik nog oneindig weelderiger dan in Upolu; toen

ik hierover mijn verwondering uitdrukte, antwoordde mijnheer Koning:

“De smalle, lage landstreek, langs de geheele noordkust bestaat tot op

het kleinste deeltje uit vloedgrond; het overige, veel grooter gedeelte

wordt door uitgestrekte lavavelden bedekt. Deze lava maakte juist het

aanleggen van plantages zoo buitengewoon moeilijk, doch, waar zij

verminderd, of van zelf verweerd is, geeft zij een bodem, zóó

vruchtbaar, als men zich maar denken kan, waarop iedere cultuur

verwonderlijk goed gedijt. U kunt u echter gemakkelijk voorstellen,

mijnheer Arendt, hoeveel werkkrachten er vereischt worden om zulk een

lavaveld geschikt te maken om bebouwd te worden.”

In de plantage Matuata gekomen, vond ik alles zoo, als de directeur mij

gezegd had. Het grootste gedeelte van de vlakteuitgebreidheid was

beplant met kokospalmen, die gemiddeld wel honderd twintig voet hoog

waren en onder hun prachtige bladerkroon zeer veel noten droegen; de

cacaoboom groeide hier eveneens uitstekend en bracht, zooals mijnheer

Koning ons verzekerde, reeds een rijken oogst op, hoewel deze plantage

slechts enkele jaren geleden, als proef ontgonnen was.

“Het doet mij genoegen zulks te hooren, waarde Koning,” zeide mijn

chef; “bij ons, op Upolu hebben wij van onze cultuur met de cacaoboomen

weinig pleizier gehad. Het schijnt, dat de grond hier op Savii

gunstiger daarvoor is.”

“Ik zal u nu eens naar een kleine tabaksplantage brengen, mijnheer

Krüger,” zeide Koning, toen wij het grootste gedeelte der plantage

doorgewandeld hadden. “Verleden jaar lag er een schip uit Manilla in

onze haven, voor anker; de kapitein wilde kopra en broodvruchten

innemen en eenige averij herstellen; toen ik hem in onze plantage

rondleidde, was hij van meening, dat op den ontgonnen lavabodem, de

tabak ook wel goed gedijen zou. Hij gaf mij wat tabakszaad, dat hij aan

boord had, met bestemming naar Nieuw-Zeeland, waar hij op de terugreis

moest aanleggen. Ik heb er ongeveer een hectare mee bezaaid en dit jaar

reeds een aardigen oogst aan tabaksbladeren gehad. Een mijner

opzichters, een Maleier, heeft wel wat verstand van sigarenmaken, en

heeft een honderd stuks voor mij gemaakt, die ik heel lekker vind. Als

wij thuis zijn, kunt u ons fabrikaat wel eens probeeren, Heeren.”

Tegen zes uur verlieten wij de plantage en kwamen een half uur later in

de villa, op de landtong van Matauta aan.

Na het middagmaal brachten wij nog eenige uren op de veranda door,

vanwaar wij een heerlijk uitzicht hadden op het voor ons liggend

landschap en op de zee, die nu door de maan verlicht werden.

Het hooge, met dicht oerwoud bedekte, gebergte vormde een heerlijk

schoonen achtergrond. Later op den avond dansten de twee bekoorlijke

kinderen ter onzer eer een “Siva,” die aan gratie en bevalligheid alles

overtrof, wat ik nog ooit gezien had.

Nog twee dagen brachten wij bij de beminlijke familie Koning door.

Terwijl ik de boeken inzag, die door mijnheer Koning zelf bijgehouden

waren, maakte mijn chef in diens gezelschap, uitstapjes òf naar de

plantage, of verder westelijk langs de kust, om plekken uit te zoeken,

die geschikt gemaakt konden worden tot het aanleggen van nieuwe

plantages.

Na een hartelijk afscheid van mijnheer Koning en de zijnen, gingen wij

vroeg aan boord van onzen kotter, om de terugreis naar Mulifanua te

aanvaarden.

Wij konden ons ongeveer vijf zeemijlen van Matauta verwijderd hebben en

zaten juist in de roef ons tweede ontbijt te gebruiken, toen de

stuurman, die de wacht op het dek had, binnenkwam en tot den kapitein

zeide:

“Er komt een onweer opzetten, kapitein. De wind begint plotseling te

schralen (tegen den boeg te waaien) en in het Zuidwesten is een donkere

bank, die snel opkomt.”

Onmiddellijk sprongen wij op en begaven ons naar het dek. Inderdaad, de

zeilen begonnen tegen de twee masten van den kotter te klapperen, een

onmiskenbaar bewijs, dat de wind gedraaid was, terwijl de lucht in het

Zuidwesten met zwarte wolken was bedekt, waarvan de randen een

lichtgele tint hadden. Het was zoo donker geworden, dat wij zelfs de

hooge bergen op Savaii niet meer konden zien.

“Een Taifun, een cykloon, o, hemel!” riep de kapitein eenigszins

verschrikt uit. “Alle man op dek, stuurman!” commandeerde hij

vervolgens. “Laat alle zeilen reven en vastbinden, maar vlug! De orkaan

nadert met rassche schreden! Binnen weinig minuten zal hij hier zijn!”

Werkelijk zagen wij zeer spoedig, dat de zee zoo glad werd als een

spiegel, alsof zij met groote kracht neergedrukt werd; de duisternis

nam toe; het werd nacht om ons heen. Plotseling werden in

Zuidwestelijke richting, hooge, schuimende golven zichtbaar, die snel

naderden, en met zulk een geraas, alsof vele honderden paarden over de

straatsteenen galoppeerden, en daar trof opeens de orkaan onzen kleinen

kotter zoo geweldig, dat hij letterlijk heen en weer schudde en op

bakboordzijde kwam te liggen, zoodat ik elk oogenblik geloofde, dat wij

zouden kenteren, d.i. omslaan.

Gelukkig hadden onze wakkere Tonga-matrozen in dien korten tijd alle

zeilen aan den hoofdmast en het groote zeil aan den bezaansmast

vastgemaakt, terwijl de kapitein zelf het roer gegrepen had, waarmee

hij het schip zoo ver omdraaide, dat het de breedtezijde niet meer aan

den storm blootstelde, en weer overeind kwam. De kotter slingerde

intusschen geweldig, zoodat mijnheer Krüger en ik genoodzaakt waren,

ons uit alle macht aan den wand der kleine kampanje vast te klemmen,

wilden wij niet over boord geworpen worden.

Toen de eerste stoot voorbij was, begon de zee zoo hoog te staan, dat

de golven voortdurend over het hek (achterschip) zulk een massa water

wierpen, dat het ons tot de borst reikte en wij ieder oogenblik

vreesden, meegespoeld te zullen worden. Onze kleine kotter vloog als

een meeuw, door den storm voortgedreven, over het water en was soms

bijna geheel bedolven onder de geweldige watermassa’s, die over het

achterschip heensloegen. Het vaartuig was niet hoog, maar bood dapper

weerstand aan de woedende golven, omdat het ondanks zijn geringen

omvang bijzonder stevig gebouwd was, en de boeg zich telkens

veerkrachtig uit de golven ophief, wanneer ik reeds dacht, dat wij in

de diepte zouden verdwijnen. Op eens hoorden wij een vreeselijk

gekraak; wij dachten niet anders, of het was met ons gedaan. De

kapitein, die dicht bij ons, met den stuurman samen, het roer

vastgegrepen had, wees met den arm naar voren en riep ons toe, zoo hard

hij kon: “De mast is gebroken!”

Toen wij in die richting keken, zagen wij inderdaad, dat de hoofdmast

eenige meters boven het dek afgebroken was en met de raas overboord

hing. De storm had waarschijnlijk een zeil losgerukt en door den

geweldigen druk den mast doorgebroken.

Ondanks het groote gevaar, door de golven van het schip geslagen te

worden, liet de wakkere kapitein het roer aan den stuurman alleen over,

greep een bijl, die aan den zijwand der kampanje hing, en haastte zich,

terwijl hij zich met een hand langs de verschansing voortwerkte, naar

voren, waar hij door verscheiden Tonga’s geholpen, met inspanning van

al zijn krachten de touwen, tusschen den hoofdmast en de verschansing

begon stuk te hakken. Hoe gevaarlijk dit werk ook was, moest het toch

noodzakelijk ten uitvoer gebracht worden, daar het gedeelte van den

mast, dat over boord hing, licht een gat in den zijwand van het schip

had kunnen stooten, en dan zouden wij reddeloos verloren geweest zijn.

Na een goed kwartier, dat mij wel een eeuwigheid toescheen, kwam de

kapitein op het achterdek en nam zijn plaats bij het roer weer in. De

kotter slingerde nu zoo ontzettend, dat Krüger en ik ons nauwelijks

meer konden vasthouden; maar, als de krachten ons begaven, zouden wij

ongetwijfeld over boord geslagen worden; hiervan waren wij ons volkomen

bewust, en daarom deden wij, wat wij konden, en klemden ons aan de

deurstijlen vast, zonder die ook maar een seconde los te laten.

Wij konden in dien gevaarvollen toestand wel twee uren, die zeker nooit

uit onze gedachte zullen gaan, doorgebracht hebben, toen de orkaan even

snel bedaarde, als hij was opgekomen; alleen stond de zee geweldig hoog

en voortdurend wierp zij geheele waterstroomen op het dek; het

vreeselijke loeien van den storm had ten minste opgehouden.

De kapitein zond nu den stuurman naar voren met het bevel, al de

matrozen op het achterdek te roepen, om te beproeven, aan den

bezaansmast, die was blijven staan, een zoogenaamd stormzeil, een klein

driehoekig zeil van zeer sterk linnen, op te hijschen. Na vele

vergeefsche pogingen gelukte dit eindelijk, en de gevolgen bleven niet

uit. De kotter slingerde niet meer zoo vreeselijk, en begon weer naar

het roer te luisteren, zoodat hij rustiger in het water lag en zich ook

vrij snel voortbewoog, daar de wind nog altijd krachtig genoeg was,

hoewel niet zoo sterk meer als gedurende den orkaan.

De hemel was nog altijd met wolken bedekt en weldra viel een echt

tropische regen in stroomen op ons neder. Nu de kotter minder hevig

slingerde, waren wij niet meer genoodzaakt ons zoo krampachtig vast te

klemmen, en dat was gelukkig, want onze krachten waren werkelijk

uitgeput. Wij begaven ons naar onze kajuiten om, voor wij iets anders

deden, droog ondergoed en droge kleeren aan te trekken, want wij waren

tot op het hemd nat. Daarna kwamen wij in de roef bij elkander en

versterkten ons met een paar glazen cognac, om onze levensgeesten, die

door den doorgestanen angst en de groote vermoeienis zeer verzwakt

waren, wat op te wekken. Juist hadden wij een sigaar opgestoken, toen

de stuurman, doornat van den regen, bij ons binnentrad en den kapitein

met een ernstig gelaat meedeelde, dat een der matrozen hem was komen

zeggen, dat er in het voorste gedeelte van het schip, onder het

benedendek, zeker een lek moest zijn, daar hij duidelijk het ruischen

van water in het ruim had vernomen,

Onmiddellijk haastte kapitein Johannsen zich daarheen, om zich van den

toestand te vergewissen. Na een half uur keerde hij terug met de

tijding, dat de kotter inderdaad een lek bekomen had, en dat het

geheele ruim reeds vol water stond. Waarschijnlijk was de legger of

steekbalk van den hoofdmast beneden in den kolsem (dwarse, dikke

kielbalk) door het breken van den mast, los gaan staan, waardoor eenige

planken aan bakboordzijde van elkander geweken waren.

Op Samoa · 第 3 / 11 段