vriendelijke opperhoofd en diens gasten, en reden onder een heerlijken
maneschijn naar Mulifanua terug. Ik was zeer tevreden over dit bezoek,
dat mij voor het eerst in de gelegenheid stelde een blik te slaan op
het huiselijk leven en de zeden en gewoonten der inboorlingen.
“Waart u niet verbaasd over den grappigen smaak der Samoaansche dames,
om een varkentje als schoothondje te gebruiken?” vroeg Petersen mij,
toen wij het dorp verlaten hadden.
“Nu, ik vond, dat die beestjes er heel zindelijk uitzagen; zij hadden
ten minste geen vlooien, zooals zoo menig lievelingshondje der
Europeesche dames,” antwoordde ik. “En buitendien: ‘Chacun son gout’.”
DERDE HOOFDSTUK.
KONING TAMASESE.
Weinig dagen na ons bezoek bij het opperhoofd kwam een kotter van onze
maatschappij binnen, om een gedeelte van den oogst van onze plantage
naar de groote magazijnen in Matafele, het westelijk deel van Apia, te
brengen. Nu had ik het erg druk met het opmaken der cognossementen voor
den kotter, waarin de verschillende producten, nauwkeurig naar gewicht
of aantal, moesten worden opgegeven. Het nam verscheiden dagen in
beslag, tot de oogst op karren, door buffels getrokken, van de
plantages naar de haven vervoerd was, vanwaar hij, door groote platte
booten aan boord van den kotter moest gebracht worden, daar deze,
wegens de talrijke koraalriffen en ondiepten, slechts op eenigen
afstand van het strand het anker kon uitwerpen.
Toen de kotter geladen was, ging ik zelf aan boord, om, volgens
opdracht van mijnheer Krüger naar Apia te varen en den directeur
Beckmann een uitvoerig verslag van mijn chef over de werkzaamheden op
de plantage in de afgeloopen maand te brengen, alsmede de noodige
gelden ter uitbetaling der loonen en salarissen in ontvangst te nemen.
De kotter, een aardig vaartuig van nog geen twee honderd ton (een ton
is 2000 kg.), had op dek een kleine kampanje, (een soort van hut)
waarin zich twee kajuiten (kleine slaapkamers) benevens de roef, of
eetzaal bevonden, terwijl de kajuit van den kapitein benedendeks in den
spiegel lag. Daar ik ’s avonds aan boord was gegaan, omdat het schip
bij den eersten vloed den volgenden morgen zee zou kiezen, werd mij een
der kajuiten aangewezen, terwijl de andere voor den stuurman bestemd
was; de stuurman en de kapitein waren landgenooten van mij. De
bemanning van den kotter, acht matrozen sterk, bestond uit
Tonga-eilanders, die uitmuntende zeelui moesten zijn, volgens zeggen
van den stuurman. Toen ik den volgenden morgen uit de kampanje trad,
waren wij reeds een goede zeemijl van de kust verwijderd, en zetten,
onder een zwakke bries, koers naar het Oosten.
Na een kleine drie uur, kregen wij de punt van de landengte Mulina in
het gezicht, maar wij moesten door de buitengewoon sterke branding,
niet te dicht bij de kust komen, zoodat wij eerst tegen tien uur
voormiddags in de haven van Apia konden binnenloopen en vlak tegenover
Matafele het anker lieten vallen. In gezelschap van den kapitein, reed
ik toen in diens sjees naar land en begaf ik mij naar het hoofdkantoor
der firma, om mijn papieren af te geven. De heeren begroetten mij zeer
hartelijk en noodigden mij uit aan hun lunch (tweede onbijt) deel te
nemen, waarvoor het juist tijd was. Hierop liet de patroon mij door
zijn boot naar Apia roeien, om mij den vrij langen weg langs de haven
te besparen.
Directeur Beckmann ontving mij zeer vriendelijk en voegde mij eenige
complimentjes toe over mijn werkzaamheden, nadat hij den brief van
mijnheer Krüger had gelezen, die zich zeer gunstig over mij scheen te
hebben uitgelaten.
“Kom vanavond bij ons soupeeren, beste Arendt,” zeide hij ten slotte;
“ik zal tegen dien tijd voor uw chef mijn papieren gereed maken, die
gij morgen naar Mulifanua kunt meenemen. Als gij vertrekt, kunt gij
mijn boot gebruiken, die gemakkelijk morgenavond hier weer terug kan
zijn.”
In het Hotel International nam ik mijn vroegere kamer en rustte eenige
uren gedurende het heetste gedeelte van den dag, waarna ik mij weer
naar Matafele begaf, om de noodige gelden van den heer Krüger te
ontvangen. Bij mijn terugkomst in het hotel gaf ik het geld aan den
eigenaar in bewaring, en toen was het tijd aan de uitnoodiging van den
directeur gevolg te geven.
Den volgenden morgen voer ik bij tijds in de boot, die de directeur ter
mijner beschikking gesteld had, maar Mulifanua terug.
Ongeveer een week later, verscheen op het onverwachtst voor ons
woonhuis een afdeeling van ongeveer veertig inlanders, aan wier hoofd
een flink gebouwd man liep. Wij zaten juist op de veranda aan den
voorkant thee te drinken, om daarna naar de plantage te gaan.
“Daar komt waarachtig Tamasese, de hoofdman der oproerlingen!” riep
mijnheer Krüger uit, terwijl hij opsprong. “Wat zou die nu van mij
willen hebben? Ga mee en laten wij hem en zijn lieden begroeten; hij is
met de Duitschers bevriend.”
Wij volgden onzen chef naar het voorplein, waar Tamasese juist van het
paard gestegen was en op het punt stond, de treden van het bordes op te
gaan.
De tegenkoning van koning Malietoa, Laupopa, die op het schiereiland
Mulina zijn verblijf houdt, was een knappe man, van zeker zes voet
lengte. Hij kon dertig jaar zijn en droeg een soort van kiel van een
lichte, witte stof en den lava-lava van gekleurde zijde; in de
linkerhand hield hij een zeer mooi geweer en om het hoofd had hij een
witten doek gewonden, het teeken van de partij, waartoe hij behoorde.
Hij gaf den heer Krüger, met wien hij persoonlijk bekend was, de hand
en begroette hem met het gebruikelijke: “Talofa!” Evenzoo deed hij
jegens Petersen en mij, waarna mijnheer Krüger hem naar de veranda
leidde en hem een plaats aan onze tafel aanbood.
De soldaten, die zijn geleide uitmaakten, waren grootendeels flinke,
knappe mannen, allen met buksen van een nieuwe constructie gewapend; om
de heupen hadden zij een gordel gegespt, gevuld met patronen. Het
bovenlichaam was omwonden met kransen van bladeren, om het hoofd
droegen zij een witten doek, en om de lendenen den lava-lava van
gekleurd katoen. Op een wenk van Tamasese begaven zich nog drie der
inlanders op de veranda en kwamen bij ons zitten; zooals mijnheer
Krüger mij toefluisterde, waren dit aanzienlijke hoofden der
opstandelingen.
Petersen was intusschen in het huis verdwenen; na een poos kwam hij
weer terug, gevolgd door twee bedienden, die een groote partij
flesschen bier van de Pschorr-brouwerij op de tafel plaatsten, terwijl
hijzelf het opperhoofd en den anderen hoofden een kistje sigaren
aanbood. Voor de soldaten, die op het voorplein in de schaduw der
bananen een plaatsje gevonden hadden, waren verscheiden flesschen
whiskey bestemd, die hun door Petersen zelf gebracht werden. Toen mijn
chef uit zijn, met schuimend bier gevulden beker, Tamasese een dronk
wijdde, hief ook deze vriendelijk lachend den zijnen op, zeggende:
“manga!” wat zeker zooveel als ons “prosit” moest beteekenen, en
ledigde hem toen in één teug. Den koning scheen onze vaderlandsche
drank goed te smaken, want met korte tusschenpoozen herhaalde hij
dezelfde plechtigheid met Petersen en mij.
Het lekkere bier maakte Tamasese langzamerhand wat spraakzamer, en
spoedig verklaarde hij ons vrij openhartig, dat hij en zijn partij van
jongsaf oprechte vriendschap voor de Duitschers gekoesterd hadden, en
noch met Engeland, noch met de Vereenigde-Staten van Amerika iets te
doen wilden hebben.
Duitschland was steeds bevriend geweest met zijn familie, en op den
Duitschen keizer had hij nu al zijn hoop gevestigd om de zaken op Samoa
weer geheel in orde te brengen. Daarom verzocht hij den heer Krüger,
dien hij reeds sedert een paar jaar kende, en die volkomen op de hoogte
was van den toestand op Upolu, het daarheen te leiden, dat door
bemiddeling der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, het
eindelijk eens rustig en ordelijk mocht worden, op Samoa en dit in het
vervolg alleen aan Duitschland zou toebehooren.
Mijnheer Krüger beantwoordde dit verzoek van den chef der
opstandelingen zeer voorzichtig en diplomatisch, ten einde zich, zoo
mogelijk, niet door een vaste belofte te verbinden, doch beloofde bij
de eerste gelegenheid met den directeur Beckmann op deze zaak terug te
komen.
Op dit oogenblik sprongen de soldaten van hun zitplaats op, en onder
luid geschreeuw wezen zij op de naaste kust, die men van uit onze
woning een geheel eind ver kon overzien. Wij zagen verscheiden booten
van Apia vlug naderbij komen, die voor zoover wij zien konden, goed
bemand waren. Mochten het oorlogsbooten der Malietoa-partij zijn, dan
kon de zaak tamelijk onaangenaam worden; want zeer waarschijnlijk
zouden de soldaten van Tamasese, reeds door het ongewone gebruik van de
whiskey in een opgewonden stemming, er toe komen, om van ons
grondgebied uit op de fel gehate vijanden te schieten, hetgeen dan door
dezen met gelijke munt betaald zou worden; zij zouden daartoe aan land
moeten komen en de eerste strijd op onzen grond zou ontbrand zijn,
ondanks de striktste onzijdigheid, die aan alle bezittingen der Handel-
en Plantage-Maatschappij, verzekerd was.
Het bleek echter spoedig, dat de booten slechts vriendschappelijke
bedoelingen hadden, want zij voeren verder in de richting naar Savii
zonder in Mulifanua te landen. Toen de avond viel, nam de jonge, slimme
koning der opstandelingen afscheid en keerde met zijn gevolg naar zijn
vaste legerplaats terug, die, naar mijnheer Krüger mij zeide, op een
afstand van ongeveer vier uur, tusschen de bergen was opgeslagen.
Na zijn vertrek, zeide ik tot de beide heeren: “Die soldaten-inlanders
maken inderdaad een zeer aangenamen indruk en zijn zeker geen
tegenstanders, die men niet behoeft te ontzien, daar zij met de
nieuwste geweren gewapend zijn.”
“Zij zijn in werkelijkheid minder gevaarlijk dan men denken zou, beste
Arendt,” antwoordde mijnheer Krüger. “De twee partijen, de aanhangers
van Malietoa, die door de drie regeeringen als rechtmatig koning erkend
is, zoowel als de opstandelingen, doen elkander inderdaad niet veel
kwaad; hun oorlogvoeren bepaalt zich meestal tot het omhakken van de
kokospalmen en broodvruchtboomen der vijanden en de vernieling van hun
suikerriet en andere vruchtdragende velden; en maar heel zelden komt
het tot een ernstigen, bloedigen strijd, ondanks den bitteren haat,
dien zij elkander toedragen. Door dergelijke verwoestingen verkeeren de
twee partijen, t.w. de opstandelingen, dikwijls in grooten nood en
lijden zij zelfs gebrek aan levensmiddelen.”
Dan komen zij op de plantages van onze Maatschappij en nemen weg, wat
hun aanstaat, hetgeen reeds tot tamelijk ernstige oneenigheden
aanleiding heeft gegeven. Daar de bij Samoa liggende oorlogsschepen den
last hebben, niet veel meer te doen dan een oog in het zeil te houden,
en slechts nu en dan een teeken van leven te geven, om zoo mogelijk
dergelijke rooverijen te beletten, dus alleen tusschenbeide te komen,
wanneer het leven en het eigendom der Europeanen gevaar loopen, hebben
de opstandelingen begrepen, dat zij van de oorlogsschepen niets te
vreezen zouden hebben, zoolang zij den Europeanen geen lichamelijk leed
toebrachten. Nog maar kort geleden hebben zij hun dwaling ingezien.
Zooals gij misschien reeds vernomen zult hebben, is Upolu in drie
districten verdeeld: Tuamasanga, het middelste, waarin ook Apia ligt en
de kazerne van Malietoa staat,—Aana, dat bewoond wordt door de
aanhangers van Tamasese, en Atua, het oostelijkst district, dat ook aan
de opstandelingen behoort. In deze districten was het nu tot zulke
ergerlijke plunderingen en verwoestingen van eenige Amerikaansche en
Engelsche koloniën gekomen, dat de Engelsche kruiser “Curagao” en het
Duitsche oorlogsschip “Buffard” zich genoodzaakt hadden gezien,
tusschenbeide te komen; het kamp der Atua-opstandelingen werd beschoten
en vernield, en toen de rebellen een goed heenkomen gezocht hadden in
Salua-fata, moesten zij hun wapenen afgeven en zich aan koning Malietoa
onderwerpen. Men is nu algemeen van oordeel, dat de oorlogsschepen,
eveneens zullen handelen tegenover de opstandelingen in ons district,
en hetzelfde van Tamasese verlangen zullen. Het is mijn innige
overtuiging, dat dit sluwe opperhoofd der rebellen reeds op de hoogte
was van het voorgevallene in het district Atua, en mij alleen een
bezoek heeft gebracht, om zijn bijzondere vriendschap voor Duitschland
en onze Maatschappij te kennen te geven; want hij stelt zich veel voor
van onze hulp, bij een eventuëele keus tusschen hem en Malietoa.”
“Bent u al eens in het vaste kamp van Tamasese geweest, mijnheer
Krüger?” vroeg ik.
“Neen, maar Hendrik heeft eenige maanden geleden een uitnoodiging van
het hoofd der opstandelingen aangenomen, en kan u er alles van
vertellen.”
“Dit zoogenaamd vaste kamp ligt hier ongeveer vier uren vandaan bij het
dorp Falelatei,” zeide Petersen, “en het geleek wel kinderspeelgoed.
Het is omringd door muren en heggen en beslaat ongeveer een oppervlakte
van drie kilometer in het vierkant; ook is het voorzien van eenige
wachttorens, ruw opgetrokken uit boomstammen, maar op die torens kon ik
geen enkelen wachter ontdekken; het uitkijken was den braven soldaten
zeker gaan vervelen. Het binnenste gedeelte van het kamp was met
tallooze hutten bedekt, die van palmbladeren gemaakt waren en er echt
armoedig uitzagen. Hier en daar zag ik eenige, ongeveer twee meter
hooge verschansingen, die niet met elkander in gemeenschap stonden,
zonder eenig bepaald plan aangebracht waren en als verdedigingswerk
niet de minste waarde hadden. Tegenover dit kamp der rebellen, lag op
zulk een geringen afstand, dat men het met het bloote oog duidelijk kon
overzien, het kamp der regeeringstroepen, dat op dezelfde wijze scheen
te zijn ingericht. Zooals ik zeg, het geheel maakte een kinderachtigen
indruk op mij,” besloot Petersen.
“Nu, somtijds kan zulk kinderachtig soldaatje spelen wel eens vrij
ernstig worden,” zei mijnheer Krüger. “Ik herinner mij nog zeer goed
het gevecht bij Fangalü, in het district Atua, waarin den 18en December
1888, alleen van de manschappen van onzen ‘Adler’ vijftien mariniers
sneuvelden en acht en dertig man gewond werden. Maar nu zullen wij ter
ruste gaan, mijneheeren, het is reeds laat geworden.”
Ongeveer een week na het bezoek van Tamasese, zaten wij op de veranda
’s avonds aan het souper, toen de oudste opzichter onzer plantage,
plotseling in vollen draf op het voorplein kwam aanrijden, van het
paard sprong en den heer Krüger haastig toeriep, dat de plantage
Faletata, die aan de Duitsche firma Frings behoorde, door een troep
oproerlingen geplunderd werd. De daar wonende bestuurder, een geboren
Mecklenburger, dien wij persoonlijk kenden, had hem een zijner zoons
gezonden en om hulp gevraagd, maar onze opzichter wilde niet zonder
toestemming van den heer Krüger handelen.
“Het spreekt van zelf, dat wij onzen buurman helpen.” riep mijnheer
Krüger uit. “Jij, Hendrik,” vervolgde hij zich tot zijn neef wendend,
“en gij, beste Arendt, moeten dadelijk met Mertens (zoo heette de
opzichter) naar de plantage gaan, waar gij dan zooveel werklieden
meeneemt, als gij noodig oordeelt, om onzen vriend Hüsmann, wiens
plantage maar een klein uur van de onze ligt, te hulp te komen. Ik zelf
kan u niet vergezellen, daar ik, zooals gij weet, sedert eenige dagen
aan hevigen buikloop lijd. Laat vlug de paarden zadelen, neemt geweren
en revolvers, en dan er van door, zoo snel de paarden maar loopen
kunnen!”
Na een kleine tien minuten zaten wij in den zadel en galoppeerden over
den goed onderhouden weg, naar onze plantage, die wij na een groot
kwartier bereikten. Op het plein voor het woonhuis van den opzichter,
vonden wij dezen, alsook het grootste gedeelte der werklieden bijeen;
zij luisterden opgewonden naar het verhaal van een jongen Blanke, die
misschien vijftien jaar oud kon zijn en, zooals Mertens mij zeide, de
zoon van den directeur Hüsmann was.
Petersen, die het bevel voeren zou over de kleine expeditie, koos vlug
een dozijn van de mannen uit Tonga uit, die zich dadelijk wapenen
moesten met hun speren en de lange messen, die zij bij den oogst van
het suikerriet gewoonlijk gebruikten; Mertens en nog twee van de blanke
opzichters namen hun buksen en pistolen ter hand, voorzagen zich van
kogels en kruit, en toen zette de kleine stoet zich onder aanvoering
van den jongen Hüsmann in beweging. Wij lieten onze paarden in de
factorij achter, daar de jongen verklaard had, dat hij ons door het
oerwoud over een bergrug leiden en ons zoo binnen het kwartier naar de
plantage van zijn vader brengen zou.
De maan was intusschen ondergegaan, maar de heerlijke sterren aan den
tropischen hemel verspreidden voldoend licht, om op het smalle pad,
over den heuvel, onzen weg te kunnen vinden. Toen wij aan den voet van
de berghelling gekomen waren, bracht de jonge Hüsmann ons langs den
rand van een dichte katoenplantage, naar het voorplein van zijn vaders
woning, die wij dadelijk binnentraden, nadat de knaap eerst het
afgesproken teeken gegeven had.
De Mecklenburger, een flink gebouwd man, ontving ons in het ruime
portaal met een vroolijken welkomstgroet. “God zij gedankt, mijn beste
Petersen,” zeide hij tot dezen, met wien hij persoonlijk bekend was,
terwijl hij hem hartelijk de hand schudde, “gij komt juist van pas met
uw mannen; de vervloekte rekels zijn nu wel vertrokken, nadat ik ze uit
de ramen aan den achterkant flink beschoten heb, maar ze hebben zich
zeker allen tusschen het suikerriet en de katoenstruiken verstopt, en
willen ons doen gelooven, dat zij weg zijn. Maar ga, als je belieft,
eens mee naar de kamers, die op den tuin uitzien; daar staan mijn vrouw
met de twee oudste jongens en een paar opzichters op den uitkijk.”
Nadat Petersen mij met een paar woorden aan den directeur der factorij
had geïntroduceerd, gaf deze mij de hand en bracht ons daarop in een
vrij groote kamer met twee ramen, waarvoor wij Mevrouw Hüsmann met haar
tweeden zoon Karel en twee blanke opzichters zagen staan, allen met
geweren gewapend en door de open vensters oplettend uitkijkend in den
tuin en de daarachter gelegen suikerriet- en katoenstruiken. De oudste
zoon, Nicolaas, was, zooals Hüsmann ons zeide, met de twee andere
opzichters in de kamer, die aan den anderen kant van het portaal lag.
Nadat ik de deftige dame, die mij den indruk gaf, zeer energiek te
zijn, begroet had, begaf ik mij met Petersen naar het raam, om het
voorplein te verkennen. Ik zag, dat er aan beide zijden van het
woonhuis een lage, lange houten loods stond; dat waren de
voorraadschuren, zooals Hüsmann mij nader uitlegde.
“Hebt u deze geheel zonder verdedigers gelaten, waarde Heer?” vroeg ik
verwonderd.
“O, neen,” luidde het antwoord. “In iedere loods zijn tien mijner
werklieden.”
“Maar dezen hebben alleen hun speren en messen, om zich tegen de met
geweren gewapende Samoaners te kunnen verweren,” antwoordde ik,
“daarmee zullen zij niet veel uitvoeren.”
“Collega Arendt heeft groot gelijk,” zei Petersen. “De kerels, ik
bedoel de rebellen, zullen bepaald trachten u de kokosnoten en andere
eetwaren, die in de voorraadschuren liggen, afhandig te maken; want zij
hebben stellig weer groot gebrek aan levensmiddelen, zooals zoo
dikwijls bij hen het geval is. Het verbaast mij nog, dat zij uw
kokospalmen niet omgehakt hebben.”
“Daar passen zij wel op,” gaf de directeur ten antwoord, “want dat doen
zij alleen in den uitersten nood, omdat zij streng gestraft worden,
wanneer men hen op diefstal van Duitsch eigendom op heeterdaad betrapt.
Het plunderen van magazijnen schijnen zij niet zoo strafbaar te
vinden.”
“Toch stel ik u voor,” zeide ik, “dat mijn collega Petersen en ik de
loodsen met onze lieden bezetten, om uw oogst te redden, mijnheer
Hüsmann. Wij zullen de inlanders met onze geweren wel op een afstand
houden.”
“Gij hebt waarlijk gelijk, vriend Arendt,” riep Petersen uit. “Ik zie,
dat gij bij de zes en zeventigen in Hamburg uw dienstjaar goed gebruikt
hebt. Ik moest mij eigenlijk schamen, dat ik, als oudvaandrig, zelf
niet op dit denkbeeld gekomen ben.”
“Troost u maar, beste Hendrik,” gaf ik lachend ten antwoord. “Ik heb
niet alleen mijn jaar uitgediend, maar ook mijn examen gedaan als
reserve-officier en ben zelfs bijna twee jaar reserve-luitenant
geweest, voor ik hier kwam.”
“A la bonne heure!” zeide Petersen, mij op militaire wijze groetend.
“Geef, als het u belieft, uw verdere orders, luitenant!”
“Kom, kom, geen gekheid, Hendrik,” antwoordde ik. “Je bent al
verscheiden jaren hier en kent het land en de menschen beter dan ik. Je
moet de aanvoerder van onze kleine expeditie blijven. Ik had toch al
gedacht, dat het beter was, de noodige maatregelen ter verdediging te
nemen, dan hier onzen tijd te verspillen. De Samoaners kunnen zoo
dadelijk hier zijn!”
“Mijnheer Arendt heeft het bij het rechte eind;” zeide de directeur.
“Zoodra de sterren verbleeken of de hemel met wolken bedekt wordt, zijn
de schelmen ons op de hielen.”
Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Hüsmann met een groot
presenteerblad, waarop een flesch cognac en verscheiden likeurglaasjes
stonden, en zij verzocht ons vriendelijk een hartsterking te nemen,
vóór wij tot het bezetten der voorraadschuren overgingen. Ik zou de
verdediging op mij nemen van de linkerloods terwijl Petersen de andere
voor zijn rekening nam; de directeur bleef als een soort reserve in het
huis, dat door zijn eigen volk, opzichters en werklieden, verdedigd
werd. Petersen had twee van onze opzichters, den oudsten zoon, benevens
zes mannen uit Tonga ter zijner beschikking, terwijl ik met Kertens
onzen eersten opzichter, de overige zes mannen uit Tonga en den
jeugdigen Frans, de mij toegewezen voorraadschuur bezette. Deze had
slechts enkele kleine openingen in de muren, die uit dunne aan elkander
gevoegde planken bestonden; deze openingen konden uitstekend als
schietgaten dienen, en, daar zij aan den voorkant ontbraken, liet ik de
mannen uit Tonga met hun groote messen, binnen enkele minuten, nog drie
zulke gaten aan die zijde maken. Intusschen waren er wolken komen
opzetten, zoodat ik op eenigen afstand van de loods bijna niets meer
kon onderscheiden, en, om nu niet door de inboorlingen, die zeker van
deze duisternis voor een overrompeling gebruik zouden maken, verrast te
worden, was het meer dan noodig, bij tijds van hun komst onderricht te
zijn. Ik riep derhalve den jongen Frans, die een flinke, opgewekte
knaap scheen te zijn, bij mij, en vroeg hem, of hij vlug door den tuin
tot het eerste suikerrietveld durfde sluipen, waar hij zeker duidelijk
zou kunnen hooren, wanneer de Samoaners de helling afdaalden om het
gehucht te overvallen.
“Ja, zeker, Mijnheer!” riep de jongen vroolijk uit. “Dat is maar een
kleinigheid, waar niet veel moed toe noodig is. Maar ik zal mijn geweer
hier laten, want het kon eens onverwachts afgaan, terwijl ik op handen
en voeten naar het suikerriet kruip.”
“Nu, ik wist wel, dat je het aardig zoudt vinden, mijn jongen,” zeide
ik goedkeurend tot Frans; ik deed de groote deur aan de lengtezijde van
de loods voor hem open, en beloofde, dat ik hem daar weer terug zou
wachten.
In gespannen verwachting had ik zeker wel een goed uur daar gestaan,
zonder dat Mertens, die bij mij was, en ik nog het minste geruisch
vernomen hadden, dat het naderen van menschen deed vermoeden. Juist had
de opzichter tot mij gezegd: “Ik geloof niet, dat de kerels vannacht
komen zullen; zij hebben zeker op de een of andere manier lont
geroken,” toen plotseling, vlak voor ons een donkere gedaante van den
grond opdook, die ons zacht toefluisterde: “Zij komen, mijnheer Arendt!
Een heele hoop, hoor!”