“Alle pogingen, om de inboorlingen van Samoa aan geregeld we

E. von Barfus

(Schrijver van “De Goudzoekers aan de Klondyke-Rivier”)

OP SAMOA

Geïllustreerde uitgaaf

Vertaling van Mevr. J. van der Hoeven

Amsterdam

C. L. G. Veldt

EERSTE HOOFDSTUK.

IN APIA.

Gedurende een reeks van jaren was ik op het kantoor van den heer

Andreas Mertel werkzaam geweest en reeds tot tweeden boekhouder

opgeklommen, toen de chef van het huis op een goeden dag zijn bedienden

kwam mededeelen, dat hij voornemens was de zaak aan zijn beide zoons

over te doen en stil te gaan leven. Ik gevoelde weinig lust, bij de

jonge patroons in dienst te blijven en verzocht daarom den heer

Andreas, die mij steeds zeer genegen geweest was, zoo vriendelijk te

willen zijn, mij door zijn recommandatie een betrekking in een grootere

handelszaak te bezorgen, het liefst in Duitsch-Oost-Afrika of op de

Samoa-eilanden. Na eenige dagen ontving ik een brief van de

Duitsche-Plantage-Maatschappij, waarin mij werd medegedeeld, dat ik op

aanbeveling van den heer Mertel, als boekhouder in den dienst der

maatschappij was aangenomen en mij zoo spoedig mogelijk aan de kantoren

vervoegen moest. Een week later bevond ik mij aan boord van een

stoomboot op reis naar Adelaïde. Tegelijk met mij was Gustaaf Gaedecke,

een mijner vroegere schoolmakkers, ongeveer zoo oud als ik, van Hamburg

naar Apia vertrokken. Terwijl ik de lessen aan de handelsschool volgde,

had mijn vriend Gustaaf in Göttingen de natuurlijke historie en

staathuishoudkunde bestudeerd, en zich hoofdzakelijk toegelegd op de

verschillende wijzen van cultuur in de heete luchtstreek, daar hij

sedert jaren den vurigen wensch koesterde, om òf in de

Duitsch-Afrikaansche-koloniën, òf op de eilanden in de Zuidzee,

gelegenheid te vinden, zijn verkregen kennis ten nutte te maken. Door

zijn uitgebreide relaties was het hem gelukt, in dienst te komen bij de

directie der Plantage-Maatschappij, voor haar koloniën op de

Samoa-eilanden.

Toen wij na een zeer belangrijke reis over Port-Saïd, door het kanaal

van Suez en de Roode Zee, over Colombo op Ceylon en Adelaïde, benevens

de haven van Auckland,—de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelukkig

bereikten, waren wij blij, na een oponthoud van verscheiden dagen, op

een naar Samoa bestemde stoomboot onze reis te kunnen vervolgen, want

het was vinnig koud in de anders zoo fraaie haven van Nieuw-Zeeland.

Wij waren in het midden van Augustus, dus in hartje van den winter op

het zuidelijk halfrond. Toen wij den Steenbokskeerkring gepasseerd

waren, stoomden wij, door het prachtigste weer begunstigd, tusschen de

Loyaliteits-eilanden en de Nieuwe-Hebriden in het Westen, en de

Fidschi-Archipel in het Oosten, noordwaarts, het doel van onzen tocht,

de Samoa- of Schippers-eilanden, tegemoet, en lieten na een zeer

voorspoedige reis, in de heerlijk schoone haven van Apia, de hoofdstad

van het eiland Upolu, de ankers vallen. Van uit de haven gezien, biedt

Upolu een verrukkelijken aanblik. Tot vlak aan het strand strekt zich

de heerlijkste, weelderigste plantengroei der tropen uit. Boschjes van

hooge, slanke kokospalmen wisselen af met talrijke broodvruchtboomen,

oranjebosschen, banyan-wortelboomen en bananen. Op eenige kilometers

afstand van de kust, verheft zich het gebergte, dat zich over de

geheele lengte van het eiland,—zeven en dertig zeemijlen,—van het

Oosten naar het Westen, en meer langs de zuidkust, uitstrekt. Talrijke

stroompjes komen bruisend uit het gebergte te voorschijn, kleine

watervallen vormend, die van uit de haven gezien, op breede, zilveren

linten gelijken. De hoogste verheffing van deze bergketen is de 2570

voet hooge Lanuto, met het meer van dienzelfden naam. De Samoa—of

Schipperseilanden liggen tusschen 13°.27′ tot 14°. 22.5′ Zuiderbreedte

en 169°. 28′ tot 172°. 48′ Westerlengte. Ook behoort het Koraleneiland,

Roda, dat ongeveer zeventig zeemijlen Oostelijker ligt, tot deze groep.

Het Westelijkste en grootste eiland is Savaii; dan volgt het kleinste,

Apolima, dat een oppervlakte heeft van ongeveer twee Engelsche

vierkante mijlen, terwijl Savaii 639 vierkante mijlen groot is. Op

Apolima volgt Manono, eveneens van weinig omvang, vervolgens het

voornaamste eiland van de groep, Upolu, 336.6 Engelsche vierkante

mijlen groot; Zuidoostelijk van deze bevindt zich het door zijn

landelijke schoonheid bekende eiland Tutuila, met de uitmuntende haven

van Pago-Pago; voorts volgen twee kleinere eilanden, Ofu en Olosega,

terwijl, het ongeveer twintig vierkante mijlen groote eiland Manua de

rij sluit. De geheele groep heeft een oppervlakte van ongeveer 236

Duitsche, of 1086.9 Engelsche vierkante mijlen.

Gelijk men weet, zijn de Samoa- of, zooals zij vroeger heetten de

Schipperseilanden, in het jaar 1768 door den Franschen zeevaarder

Bougainville ontdekt en vervolgens in 1787 door den beroemden La

Perouse bezocht, die ook op het eiland Tutuila landde, waarvan de

inlanders verscheiden leden der expeditie in de tegenwoordig geheeten

“Massacre-baai,” neerschoten. Kapitein Cook bezocht in 1791 eveneens de

eilanden Savaii en Upolu.

Het vermoorden van eenigen der equipage van de expeditie van La

Perouse, had de bevolking der Samoa-eilanden zulk een slechten naam

gegeven, dat Engelsche zendelingen het eerst in 1830 slaagden, op Upolu

te landen. Tot hun verbazing werden zij vriendelijk ontvangen en konden

zij ongehinderd hun zegenrijk werk volbrengen. Spoedig bezochten ook

andere zendelingen de eilanden en dezen ondervonden zooveel zegen op

hun arbeid, dat er nu op de geheele groep geen enkele inlander gevonden

wordt, die geen Christen is.—

Een half uurtje, nadat wij in de haven voor anker waren gegaan, kwam

een lid der gezondheidscommissie aan boord, om te onderzoeken, of onder

de passagiers, of de bemanning van de boot geen besmettelijke

ziektegevallen voorkwamen. Zoodra alles in orde bevonden was, werd het

verkeer toegestaan en in een oogenblik was het dek overstroomd met

inlanders en Europeanen. Eerstgenoemden boden ons allerlei

zeldzaamheden te koop aan, zooals: schelpen, kralen, mandjes en

waaiers, gevlochten uit de bladnerven van den Padanus, benevens

bananen, oranjeappelen, passievruchten en kokosnoten.

Mijn reis- en landgenoot Gustaaf Gaedecke en ik, waren op het punt het

schip te verlaten, toen mijnheer Beckmann, de Directeur van de Duitsche

Handel- en Plantage-Maatschappij, aan boord kwam, en nadat hij eenige

woorden met den kapitein gewisseld had, zich met de vraag tot ons

wendde, of wij de twee pas aangestelde bedienden uit Hamburg waren. Ik

beantwoordde deze vraag bevestigend, noemde den naam van mijn vriend en

den mijnen en voegde er bij, dat ik verscheiden brieven van het

hoofdbestuur voor den Directeur meegekregen had, die ik hem, zoodra ik

aan land was, overhandigen zou, daar zij zich in mijn koffer bevonden.

“Ik heet u welkom in Apia, mijne Heeren,” antwoordde mijnheer Beckmann,

en hij gaf ons vriendelijk lachend de hand. “Laat uw bagage naar

beneden in mijn boot brengen, en gaat met mij aan land. Ik zal u

persoonlijk naar het dicht bij het strand gelegen Hotel International

brengen, waar u een uitstekend logies vinden zult, daar de eigenaar een

landgenoot van ons is. U kunt mij daar dan de brieven geven, mijnheer

Arendt. Wees zoo goed, heden avond te zes uur bij mij te komen

dineeren; wij kunnen dan de nadere bijzonderheden van uw werkkring

bespreken.”

Nadat wij door den hotelhouder op de vriendelijkste wijze begroet

geworden waren, hetgeen wij ongetwijfeld aan de recommandatie van onzen

voornamen geleider te danken hadden, maakte ik in de kamer, die mij

aangewezen was, vlug mijn koffer open, en bracht het dikke pak papieren

en brieven naar beneden in de spreekkamer, waar de directeur mij

wachtte.

Na een verfrisschend bad, trokken wij andere kleeren aan en sloegen een

blik uit de vensters op de haven. Wij konden de geheele uitgestrektheid

overzien, en tot onze vreugd viel ons de Duitsche kruiser “Falke” het

eerst in het oog; op eenigen afstand lag een Engelsch oorlogsschip voor

anker, als ik mij niet vergis de “Curaçao” en achter deze twee lag ook

een Amerikaansche kanonneerboot. Verder Oostwaarts konden wij duidelijk

op het strand het wrak van het ongelukkige Duitsche oorlogsschip

“Adler” onderscheiden, dat daar in het voorjaar van 1889, gedurende een

vreeselijken orkaan neergeslingerd en geheel uit elkander geslagen was.

Behalve den ijzeren romp van den “Adler,” konden wij uit de veranda,

vóór onze beide naast elkander liggende kamers, een groote menigte

stukken van het schip onderscheiden, die op de kust lagen, en met de eb

nu duidelijk zichtbaar waren.

Ten westen van de oorlogsschepen, lagen verscheiden kleinere

vaartuigen, zoogenaamde kotters, die, te oordeelen naar de vlaggen,

zoowel aan de Duitsche Handelmaatschappij, als aan de Duitsche firma

Frings en Co. schenen te behooren; des avonds bevestigde mijnheer

Beckmann dit ook. Zij onderhielden de gemeenschap tusschen de

afzonderlijke eilanden der groep.

Wij hadden veel schik in een groot aantal jonge, bruine knapen die,

onder luid gejubel en geschreeuw van het strand in zee sprongen en in

het water rondspartelden. Ook zagen wij een groote oorlogsboot van

Samoa, naar een model der Amerikaansche walvischbooten gebouwd, en door

een twintigtal roeiers in beweging gebracht, in de groote haven naar

het westelijk gelegen schiereiland Mulinu koers zetten. De roeiers

zaten niet volgens Europeesche wijze met den rug naar het roer, maar

met het gelaat, en haalden hun korte riemen of kleine roeispanen door

het water; de boot had een groote snelheid en de roeiers begeleidden

hun werk met een welluidend gezang.

Tegen etenstijd lieten wij ons door een zwarten bediende van het hotel

naar het huis van den directeur Beckmann brengen. Tot onze verbazing

zagen wij, dat de woning van onzen chef, die in Apia en de geheele

eilandengroep toch als een persoon van gewicht bekend stond, wel een

zeer aardig, maar slechts klein huisje was van één verdieping, en dat

het op zijn hoogst zes kleine kamers kon bevatten. Naar mijnheer

Beckmann ons later op onze vraag antwoordde, is het bouwen in Apia

ongehoord kostbaar, zoodat de Blanken zich met weinig ruimte tevreden

moeten stellen.

“Zooals de voorzitter van het Hoofdbestuur schrijft,” zeide onze chef,

toen wij na een uitstekend diner op de veranda, die een heerlijk

gezicht op de haven aanbood, onder het rooken eener geurige sigaar, de

koffie gebruikten, “zijt gij, mijnheer Arendt, tot boekhouder

aangesteld op de groote plantage Mulifanua, terwijl mijnheer Gaedecke

de leiding der verschillende cultures, die wij in onze plantages

toegepast hebben, op zich zal nemen. Intusschen acht ik het hoogst

noodzakelijk, dat beide heeren vooreerst nog een paar weken in Apia

blijven, ten eerste om zich eenigermate aan het klimaat te gewennen,

ten tweede om, al is het dan ook maar wat oppervlakkig, op de hoogte te

komen van het aanleggen en het bestuur eener plantage. Daarom zal ik u

in den loop der volgende week naar Vaitele, onze voornaamste plantage

in dit district, brengen, waar u voldoende gelegenheid zult vinden om

alles goed op te nemen. Vaitele ligt ongeveer tien kilometer ten zuiden

van Apia, aan den voet van het gebergte, in een verrukkelijk landschap;

de directeur der plantage, mijnheer Tiedemann, is zeer ervaren in

alles, wat den aanleg en de behoeften der tropische cultures betreft,

daar hij jaren lang een groote koffieplantage bij Menado op het eiland

Celebes, bestuurd heeft. De eerstvolgende dagen moet u gebruiken om

uitstapjes te maken in den onmiddellijken omtrek van Apia; daar zult u

veel ontdekken, wat uw belangstelling wekt. Als mijn tijd het

eenigszins toelaat, zal ik u met genoegen vergezellen, zoo niet, dan

zal een mijner bedienden de leiding van mij overnemen.” Wij bedankten

onzen vriendelijken chef hartelijk voor zijn goede bedoelingen en, daar

het reeds laat was geworden, namen wij afscheid.

Den volgenden dag deden wij een wandeling door Apia, onder geleide van

een bediende uit het hotel, die een weinig Duitsch en Engelsch sprak.

De stad bestaat uit vier groote dorpen, die een enkele, ruim twintig

voet breede hoofdstraat vormen, welke zich in een halven cirkel langs

de havenbocht uitstrekt. In het midden van dezen halven cirkel ligt het

eigenlijke Apia; oostelijk daarvan het dorp Matautu, waarin zich de

Engelsche en Amerikaansche Consulaatsgebouwen bevinden, terwijl in het

westelijk gelegen Matafele, de grootsche magazijnen der Duitsche

Handel-Plantage-Maatschappij in de Zuidzee, bijna de geheele ruimte

beslaan. In de onmiddellijke nabijheid van Matafele bevindt zich de

smalle landtong Mulinu, waarop het zoogenaamde paleis van koning

Malietoa, benevens eenige gouvernementshuizen gebouwd zijn.

Zooals mijnheer Beckmann ons ’s avonds verteld had, leven er in Apia

ongeveer tweehonderd blanken, waaronder de Duitschers het talrijkst

vertegenwoordigd zijn. Dat konden wij al dadelijk op onze wandeling

opmerken. De grootste helft der hotels, herbergen en winkels is in

Duitsche handen; overal hoort men Duitsch spreken, leest men Duitsche

namen op de borden der firma’s en ziet men de zwart-wit-roode vlag

wapperen. Zelfs is er in Apia een Duitsche school, die niet alleen voor

de kinderen der Europeanen, maar ook voor die der inlanders

toegankelijk is en druk bezocht wordt.

Tegen den middag, brachten wij ook een bezoek aan den heer Biermann,

den Duitschen Consul in Apia, om ons aan hem voor te stellen en hem

onze passen te overhandigen. Evenals de directeur Beckmann, bewoonde de

consul een eenvoudig houten huis van één verdieping.

De inboorlingen, waarvan wij een groot aantal in een zalig-niets-doen

op de haven zagen rondslenteren, maakten een bijzonder sympathieken

indruk. Zooals bekend is, behooren de bewoners van Samoa tot het

Polynezische ras, hebben een lichtbruine huidkleur in tegenstelling met

de donkerder gekleurde Melaneziërs, en een slanke, flinke gestalte. De

gelaatstrekken der mannen zijn minder schoon; meestal hebben zij breede

platte neuzen, tamelijk dikke lippen en vooruitstekende wangbeenderen,

maar prachtige donkerbruine, amandelvormige oogen met lange zwarte

wimpers. Tegenover vreemdelingen zijn zij vriendelijk en voorkomend,

zooals ik later, gedurende mijn langdurig verblijf op de eilanden, heb

kunnen opmerken. Deze beminnelijke karaktertrek, evenals hun besliste

afkeer van elken eenigszins inspannenden arbeid, moeten toegeschreven

worden aan het gelukkige, zorgelooze bestaan, dat de bewoners van Samoa

in hun heerlijk, overvloedig gezegend vaderland leiden, waar de milde

natuur alles oplevert, wat zij tot hun levensonderhoud behoeven.

De manlijke inboorlingen zijn, wat mij bijzonder opviel, bijna zonder

uitzondering op eigenaardige wijze getatoeëerd. Dit tatoeëeren bestaat

uit een aantal rechtlijnige figuren, die van den navel tot aan de

knieën reiken. Naar men mij verteld heeft, moet het insnijden van deze

figuren tamelijk pijnlijk zijn, daar het uitgevoerd wordt met een soort

van harkje, gemaakt van vischgraten of kieuwen. Het werktuigje wordt in

een mengsel van verbrande notedoppen en water gedoopt en met een

hamertje in het vleesch gedreven, waardoor de figuren ontstaan, die

meestal heel aardig zijn; veel inlanders verbergen hun tatoeëering

echter onder hun Lava-Lava, een lendendoek van Tapa. Dit is een stof,

die op papier gelijkt en gemaakt wordt van de roode bladeren van den

Ti-boom. In den laatsten tijd is deze Tapa echter door gekleurd katoen

vervangen geworden. Onder de inlanders gaan de jongelingen, die zich

niet hebben laten tatoueëeren, voor onmanlijk door. Ook onderwerpen

veel vrouwen zich aan deze kunstbewerking, hoewel in mindere mate. Zij

bestaat doorgaans alleen uit stippen en een aantal plus- en

minusteekens, d. w. z. kleine kruisjes en streepjes en is gewoonlijk

met den Lava-Lava of lendendoek bedekt.

Gehoor gevend aan een verzoek van den directeur, kwamen wij op den

vijfden dag na onze landing, dadelijk na zonsopgang ten zijnen huize,

om hem naar de plantage Vaitele te vergezellen. Op aardige, vrij kleine

paardjes, die, naar mijnheer Beckmann ons mededeelde, van het eiland

Timor ingevoerd, dus zoogenaamde Sandelhoutpaarden waren, reden wij,

door twee bedienden gevolgd, die in valiezen eenigen mondkost

meevoerden,—het eerst naar den linkeroever van den Sigago-stroom, die

zich ten Oosten van Apia in de haven uitstort, om vervolgens langs zijn

oevers onzen weg stroomopwaarts voort te zetten. Zooals wij van den

directeur vernamen, ontspringt de Sigago op de zuidelijke hellingen van

den 2500 voet hoogen berg Godefroy, ongeveer vijftien kilometer

zuid-oostelijk van Apia, en stroomt dan door een heerlijk vruchtbaar

dal tot aan zijn mond bij Apia voort.

Ik was letterlijk overweldigd door den aanblik van deze menigte

kokospalmen, bananen, benevens papaya’s, oranje-mango-broodvruchtboomen

en bloeiende heestergewassen, wier namen mij onbekend waren; en dan,

die kostelijke, bedwelmende geur, dien voornamelijk de bloeiende

oranjeboomen en heesters verspreidden! Het was inderdaad verrukkelijk!

Daar wij zonder iets gebruikt te hebben de stad verlaten hadden,

rustten wij een uur later in een schaduwrijk boschje van oranjeboomen

en bananenpalmen, en verkwikten ons aan de versnaperingen, die de

bedienden ons uit de tasschen toereikten.

Zooals de directeur nu onder ons ontbijt vertelde, had het huis Johan

Cesar Godefroy en zoon in 1857 zijn eerste handelszaak op Upolu in Apia

opgericht, en spoedig daarna in het bovendal van den Sigago, de

plantage Vaitele aangelegd, die weldra gevolgd werd door de plantage

Veilele, aan diezelfde rivier gelegen. In 1865 ontstond in het district

Mulifanua, 32 kilometer westelijk van Apia, de uitgebreide en

belangrijkste plantage Mulifanua, en wat verder op Savau, het grootste

eiland der geheele groep, de kleinere plantage Vaiputi. In het geheel

verkreeg de Hamburgsche firma op de Samoa-eilanden meer dan 3500

hectaren grond in bezit, die ontgonnen werd. Toen nu omstreeks het jaar

1880, het huis Godefroy,—dat in dien tusschentijd genoodzaakt geweest

was, zijn betalingen te staken,—aanbood zijn bezittingen op de eilanden

onder Duitsche bescherming te stellen,—en dit door de regeering, van de

hand werd gewezen, nam de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij,

die kort geleden opgericht was, al de factorijen en plantages der firma

in de Zuidzee over.

Na ons ontbijt, stegen wij weer te paard en bereikten een uur later

Vaitele, waar wij door den directeur, die van onze komst door een

vooruit gezonden bediende verwittigd was, vóór diens woning ontvangen

werden. Dit was eveneens een eenvoudig houten gebouwtje, maar te midden

van oranje- en bananenboomen gelegen, en maakte daardoor een bijzonder

vriendelijken indruk.

Nadat de directeur ons aan den heer Tiedemann had geïntroduceerd,

stelde deze voor, de naastbij gelegen aanplantingen eens in oogenschouw

te nemen, voor het te heet werd. Terwijl in het vochtige, lagere

gedeelte, in de onmiddellijke nabijheid van den rivieroever,

voornamelijk suikerriet, yams, de zoete knolvrucht, die in de tropen

onzen aardappel vervangt—en ook de tarowortels geplant waren, stonden

op de eenigszins hoogere hellingen, honderden kokospalmen,

broodvruchtboomen, mango’s, bananen, papaya’s en oranjeboomen. De

gewichtigste boom voor den handel was, zeide de directeur, intusschen

de kokospalm; deze bereikt dikwijls een hoogte van honderd twintig

voet, zonder dat er de kleinste tak of twijg aan zijn slanken stam te

zien is. Boven aan de bladerkroon groeien de noten in menigte tegen den

stam aan.

Mijnheer Tiedemann was zoo vriendelijk, mij en vooral mijn collega

Gaedecke, als natuurkenner, uit te leggen, hoe men de kopra, [1] dit

gewichtig handelsartikel, het best aankweekt. Eerst na zeven of acht

jaar geeft een kokospalm den eersten oogst; de noten worden niet

geplukt, maar men wacht, tot zij rijp naar beneden vallen; dan worden

zij opgeraapt en in manden op ezels naar rijwegen gebracht, vanwaar zij

in karren, met ossen bespannen, naar de factorijen vervoerd worden. Na

opengemaakt te zijn, wordt de vleezige kern er uit gesneden, op eesten

gedroogd en eindelijk luchtig verpakt, naar Europa verzonden. De harige

bolsters, waarvan in andere landen, zooals op Ceylon, de Sunda-eilanden

enz. de kokosvezels verkregen worden tot het vervaardigen van matten,

touwen en dergelijke, gebruikt men op Samoa niet; men verbrandt ze

eenvoudig.

Verder onderrichtte mijnheer Tiedemann ons nog, dat een volwassen

kokospalm op zijn plantage, jaarlijks gemiddeld tachtig tot honderd

noten oplevert, en uit vijf noten wordt somtijds een kilogram kopra

verkregen, zoodat de netto opbrengst van een palmboom bij gewone

olieprijzen, op ongeveer twee mark per jaar kan geschat worden. Uit de

kokospalm-plantage geleidde de directeur der factorij ons een eind de

helling op, waar wij op een plek, die bijna geheel van groote boomen

ontbloot was, een vrij groot aantal sierlijke, kleine boomen op

regelmatige afstanden, opmerkten. Ik hield deze mooie boompjes, waarvan

verscheidene met witte en roode bloesems bedekt waren, voor

kerseboomen, tot ik door een uitroep van den directeur Beckmann, beter

werd ingelicht.

“Zoo, zoo! U bent dus met den aanleg van een koffieplantage geslaagd,

beste Tiedemann!” riep de directeur uit. “Dat doet mij werkelijk

pleizier! Die kan ons van heel veel nut zijn.”

“Ja, het is mij gelukt, mijnheer,” antwoordde de opzichter der

plantage. “Verleden jaar heb ik twee honderd stuks stekken van

koffieboomen uit Menado besteld, en, daar ik bij ondervinding weet, dat

de koffie in dit klimaat, het best op een hoogte van vier tot zes

honderd meter gedijt, liet ik hier op de helling een vrij groot aantal

boomen vellen en de stammen, takken en twijgen verbranden, om de asch

als mest te kunnen gebruiken. Op gelijke afstanden werden tien kuilen

gegraven en de stekken daarin gezet; ten einde de jonge planten tegen

de verzengende zonnestralen te beschutten, liet ik een aantal dik

gebladerde tamarindeboomen staan, die voldoende schaduw gaven. De

boompjes schoten spoedig wortel en groeiden prachtig op; verscheidene

staan reeds in bloei en zullen toekomende jaar, hoop ik, een flinken

oogst opleveren.”

“Ik zie, dat u den grond tusschen de koffieboomen geheel grasvrij

laat,” zeide Gaedecke. “Waarom doet u dat?”

“Omdat het gras van Samoa als woekerplant voortteelt, op een tot

beplanten geschikt gemaakten grond, en alleen door onophoudelijk

uitroeien verdelgd kan worden,” luidde het antwoord van mijnheer

Tiedemann. “Ik heb ook getracht hier cacaoboomen te planten, maar in

Vaitele dragen zij niet zooveel vrucht als in Mulifanua; mijn collega

Krüger schijnt daar een gunstiger bodem te hebben.”

Op den terugweg naar de woning van mijnheer Tiedemann, zagen wij een

troepje werklieden, die van de verschillende plantages naar hun hutten

gingen, om te eten en gedurende het heetste gedeelte van den dag te

rusten. Het trok mijn aandacht, onder deze mannen geen enkelen

inboorling van Samoa, maar lieden van veel donkerder huidkleur te zien.

Toen ik aan tafel mijn verwondering hierover te kennen gaf, verklaarde

directeur Beckmann mij de reden hiervan.

“Alle pogingen, om de inboorlingen van Samoa aan geregeld werk te

gewennen, hebben schipbreuk geleden op hun aangeboren traagheid,” zeide

hij. “Zij eischten ongehoord hoog loon voor buitengewoon geringe

diensten en bleken in geen enkel opzicht te vertrouwen te zijn. Daarom

waren wij genoodzaakt, vreemd werkvolk in dienst te nemen, en wij

vonden dit in voldoend aantal op de Salomons- en Gilberts-eilanden, de

Nieuwe-Hebriden en den Bismarck-Archipel. Het aanwerven van manschappen

geschiedde door de kapiteins van onze eigen schepen, die met de hoofden

dier eilanden in onderhandeling traden. De werklieden worden voor drie

jaar aangenomen, na welk tijdsverloop, zij vrij naar hun vaderland

teruggezonden worden, wanneer zij er niet de voorkeur aan geven de

overeenkomst te vernieuwen. Ieder werkman verdient, behalve kost en

inwoning, drie dollars per maand, en komt ons dus jaarlijks op ongeveer

drie honderd mark te staan, de kosten van import en export daaronder

begrepen. Ook verloopt er geruime tijd, voor de lieden zich aan hun

dagtaak, en aan discipline gewend hebben; bovendien moeten de inlanders

der verschillende eilandgroepen afzonderlijk gehuisvest worden, anders

vallen zij elkander aan, slaan elkaar dood, of eten elkander ten slotte

op, om de overwinning feestelijk te vieren. U ziet, mijne Heeren,” zoo

eindigde de directeur zijn verklaring, “dat wij met veelvuldige

moeilijkheden in onze koloniën te kampen hebben, waartoe ook onze

verhouding jegens de Engelsche en Amerikaansche autoriteiten op Samoa

heel veel bijdraagt.”

Na een korte rust bezichtigden wij nog de overige aanplantingen op de

factorij Vaitele, gebruikten eenige ververschingen en sloegen daarna

den weg naar Apia in. Vóór wij van den heer Tiedemann afscheid namen,

verzocht mijn collega Gaedecke dezen verlof, op een der eerstvolgende

dagen naar Vaitele te vertrekken, om zich onder leiding van den

kundigen planter, op de hoogte te stellen van het aanleggen en de

werkzaamheden op een grootere plantage. Mijnheer Tiedemann verklaarde

zich vriendelijk bereid, den jeugdigen botanicus bij zich in huis te

nemen, op voorwaarde, dat directeur Beckmann, hieraan zijn goedkeuring

hechtte; deze had hiertegen geen enkel bezwaar.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OP DE PLANTAGE MULIFANUA.

Den dag na onze terugkomst verliet mijn vriend Gustaaf Gaedecke Apia,

om zich naar de plantage Vaitele te begeven.

De directeur had hem een paard geschonken, benevens een ezel voor zijn

bagage; ook werd hem een knecht medegegeven om hem bij het vervoer en

op reis behulpzaam te zijn.

Terzelfder tijd deelde mijnheer Beckmann mij mede, dat hij mij over een

paar dagen persoonlijk naar de plantage Mulifanua zou brengen, om die

te bezichtigen en mij voor te stellen aan den directeur, den heer

Krüger; bovendien ried hij mij aan in dien tusschentijd naar Matafele,

het westelijk deel van Apia te gaan, om in de groote magazijnen en

kantoren van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij kennis te

maken met de ambtenaren, daar ik dikwijls met deze heeren zaken zou

moeten doen. Hij zou mij een zijner kantoorbedienden meegeven, om mij

aan te dienen.

Zeer vriendelijk werd ik door mijn toekomstigen collega ontvangen, en

rondgeleid in de voornaamste pakhuizen, waar een kolossale voorraad van

kopra, katoen en andere tropische gewassen opgestapeld lag, die naar

Europa moest ingescheept worden.

Twee dagen na dit bezoek in Matafele begaf ik mij, volgens order van

den directeur, dadelijk na zonsopgang met mijn bagage naar het strand,

waar op de mij aangeduide plaats, de boot van mijnheer Beckmann gereed

lag. Zij had, evenals de kano’s der inlanders, den vorm van een

walvischboot, maar was iets breeder, van een zonnetent aan den

achtersteven voorzien, en met twaalf roeiers bemand.

Een paar minuten na mijn aankomst, verscheen de directeur, van twee

bedienden vergezeld, die manden met allerlei eetwaren droegen. Wij

gingen onder de zonnetent zitten en op bevel van mijn chef brachten de

roeiers hun korte riemen in beweging, waarmee zij de boot bijzonder

gauw deden voortgaan. Toen wij de “Falke” langs kwamen, begroette de

wacht op het dek ons met een luid: “Goedenmorgen! Gelukkige reis!”

hetgeen wij met hoedengewuif beantwoordden. De boot van den directeur,

die aan den spiegel de Duitsche vlag voerde, was den matrozen van het

oorlogsschip goed bekend.

Nadat wij den breeden ingang der haven, die door een wijde opening in

de koraalriffen, welke zich langs de geheele noordkust uitstrekken,

voorbijgegaan waren, zetten wij eerst regelrecht koers naar het

Noorden, om op grooten afstand van de riffen te komen, waar de golfslag

zoo onstuimig was, dat wij gevaar zouden geloopen hebben, door de

branding tegen de rotsen geworpen te worden. Voornamelijk was deze zeer

sterk en gevaarlijk vóór het schiereiland Mulinu, en, zooals mijnheer

Beckmann vertelde, moesten er op die plek reeds veel schepen vergaan

zijn.

Een goede zeemijl van de kust verwijderd, keerden wij ons naar het

Westen en kwamen nu snel vooruit. Thans kon ik dit geheele gedeelte van

het eiland overzien, en met innige verrukking het landschap bewonderen,

dat zich voor mij uitstrekte. Het gedeelte van het land, tusschen de

bergketen en de kust, geleek een heerlijke tuin, vol palmen, hooge,

breedgetakte tamarinden, schoone boschjes van broodvrucht- en

oranjeboomen en een groot gedeelte van een dicht oerwoud op die

plaatsen, waar de boomen niet ter wille van de plantages geveld waren.

De talrijke bergstroomen met hun groen, helder water, slingerden zich

door het voorland in menigvuldige bochten tot aan het strand; het

bekoorlijkst echter waren verscheiden watervallen in de verte, die

dikwijls vele meters hoog van den rand van den bergkam naar beneden

stortten, en op dien afstand op breede, zilveren linten geleken.

Mijnheer Beckmann maakte mij in het bijzonder opmerkzaam op een

prachtigen waterval, den Letogo, die ten Westen van Apia, midden in het

dichte struikgewas van de rotsen naar beneden stort, en daar een bassin

vormt, wel zoo groot als een meer; ik kon dit echter natuurlijk van uit

de boot niet zien.

Tegen elf uur bereikten wij het doel onzer reis, gedurende welke de

roeiers, inboorlingen van Upolu, hun arbeid zonder ophouden met

welluidend gezang begeleid hadden. In het koralenrif, dat, zooals wij

reeds vermeld hebben, het geheele eiland omringt, bevond zich een

opening, waardoor kleinere schepen in een bocht naar de kust kunnen

varen; deze bocht vormt de haven van Mulifanua, doch is maar van kleine

afmeting.

Aan de landingsplaats werden wij opgewacht door mijnheer Krüger, die

den vorigen dag van den directeur door een bijzonderen bode bericht had

gekregen van onze komst; hij begroette ons vriendelijk en leidde ons in

het door hem bewoonde stationsgebouw der Handel-Maatschappij. Dit

gebouw was ook van hout, maar had twee verdiepingen; het was zeer lief

gelegen, te midden van schaduwrijke mangoboomen en zorgvuldig

onderhouden tuinen. Op een ruime veranda vonden wij een welvoorziene

tafel, waarop ik tot mijn verrassing ook eenige flesschen bier zag

staan. Een paar roeiers brachten mijn bagage en de manden met proviand

in huis en gingen daarop naar hun makkers, die achter het woonhuis een

onderkomen gevonden hadden in een hut, bestemd voor de bedienden.

Mijnheer Krüger, onder wiens bijzondere leiding ik stond, bracht mij na

het ontbijt in een nette kamer, die, naar hij zeide, voor mij bestemd

was; hij deelde mij mede, dat wij na een korte rust te paard zouden

stijgen, om de plantages in de buurt van Mulifanua te bezichtigen.

Het rustuurtje gebruikte ik, om mijn twee koffers uit te pakken en mijn

ondergoed en kleeren in de daartoe bestemde kasten te bergen. Toen ik

hiermede gereed was, en mij juist wilde verkleeden, verscheen een jonge

Samoaner, een “Boy”, zooals men de bedienden daar noemt, en vertelde

mij in een wonderlijk mengelmoes van Duitsche en Engelsche woorden, dat

hij door zijn “meester” voor mijn persoonlijke bediening was aangewezen

en nu bevel had gekregen mij naar het badhuis te brengen.

Dit badhuis lag maar weinig schreden van het stationsgebouw in een

bananenboschje. Het was zeer practisch ingericht. In een ommuurd

bassin, van een meter breedte, aan den ingang van de ruime, luchtige

badkamer, stroomde frisch, kristalhelder water, dat zooals de “Boy”

verklaarde, uit de dichtst bij zijnde rivier hierheen geleid was, en

tevens tot besproeiing van den tuin diende. Bovendien bevonden zich

langs de muren verscheiden douches = stortbaden. Na een heerlijk

verfrisschend bad, kleedde ik mij spoedig aan en ging naar de veranda,

waar ik reeds de heeren Beckmann, Krüger en nog een jong mensch

aantrof, die mij als mijnheer Petersen werd voorgesteld. Deze was een

knap persoon, van zes voet lengte, en met een zeer vroolijk opgewekt

gezicht. Zooals ik later hoorde, was Hendrik Petersen een verre

bloedverwant van mijnheer Krüger; hij had als vaandrig in een Pruisisch

infanterie-regiment gediend, maar was daaruit wegens een paar

ondeugende streken ontslagen geworden. Op Krüger’s voorspraak had de

Handel- en Plantage-Maatschappij hem in dienst genomen en naar Samoa

gestuurd, waar hij vervolgens op de plantage Mulifanua gedeeltelijk op

het kantoor, gedeeltelijk op de plantage zelf, als opzichter werkzaam

was. Hij kon ongeveer zou oud zijn als ik, en maakte op mij, door zijn

open, vriendelijk gelaat, een zeer aangenamen indruk. Wij dronken

haastig een kop thee en stegen toen te paard, om naar de, op ongeveer

een kilometer afstands gelegen plantage te rijden.

Deze was reeds in 1865 door de firma Godefroy aangelegd, en de eerste

op het eiland Upolu; eenige jaren later volgden de plantages Vaitele en

Veilele in het district Tuamusanga. Het geheele eiland is in drie

districten verdeeld, waarvan Atua het oostelijkst is; in het midden

ligt het district Tuamusanga met de hoofdstad Apia, terwijl Mulifana de

voor naamste plaats van Aana, in het Westen, is.

In de onmiddellijke nabijheid van Mulifanua zag ik ook voor het eerst,

een dorp van inlanders, dat een bijzonder liefelijken indruk op mij

maakte. Elke hut, of liever gezegd, elk huis, want de meeste hebben een

omvang van meer dan honderd voet, staat in de schaduw van palmen en

bananen en is gewoonlijk door een kleine suikerrietplantage omgeven; de

geheele ruimte om zulk een huis wordt steeds zeer zindelijk gehouden.

Het dak bestaat uit de bladeren van het suikerriet of van de bananen en

heeft een lankwerpig ronden vorm; het rust op rond gesneden houten

palen, die op een afstand van vier of vijf voet van elkander in den

grond geheid worden. Ieder huis bestaat alleen uit een enkele groote

ruimte, die gedurende den nacht gesloten wordt door zonneblinden,

gemaakt van de nerven der palmbladeren; over dag is zij aan alle zijden

open, zoodat in de woonkamers steeds frissche lucht is. De vloer van

deze laatste bestaat uit een laag losse kiezelsteenen van verscheiden

centimeters dikte, waarop dan kralen of kleine ronde steentjes gelegd

worden; hierover legt men dichte matten. Naar Petersen, die mij in zulk

een huis bracht, verzekerde, vormen deze matten op de geverfde

onderlaag een uitstekende rustplaats, die daarenboven het grootste

voordeel bezitten zou, nooit door ongedierte verontreinigd te worden.

In het midden van deze ruimte staat een sterke gaffelvormige boomstam,

die tot hoofdpilaar dient; deze, benevens de zijposten, zijn gemaakt

uit het hout van den broodvruchtboom, dat duurzamer moet zijn dan

andere houtsoorten. Naast de middelste pilaar is een kleine, uit klei

gemaakte haard aangebracht, die echter niet gebruikt wordt om er op te

koken, maar alleen tot verlichting dient; in een kleinere hut, die zich

op eenigen afstand van het woonhuis bevindt, wordt het eten bereid.

Als huisraad merkte ik slechts eenige gedroogde kokosnoten op, die als

waterkannen gebruikt werden, terwijl een grooter aantal dwars

doorgesneden noten tot bekers dienden. Verder zag ik verscheiden

vliegenklappen van boomschors en waaiers, gevlochten van de bladnerven

van den pandanus. Van tafels, stoelen en kasten zag ik niets.

Nadat wij dit huis, dat mij zeer interesseerde, bezichtigd hadden,

stegen wij weer te paard en reden in gestrekten draf de twee heeren na,

die reeds in de plantage aangekomen waren.

De plantage Mulifanua is aanmerkelijk grooter dan Vaitele of Veilele;

de cultuur is er dezelfde als op de twee laatste; alleen wees mijnheer

Krüger ons een theeplantage, op de noordelijke hellingen van den berg

Tofu, als eerste proef, om de cultuur der theeplant op Samoa in te

voeren. Zij groeide uitstekend evenals een uitgestrekte aanplanting

cacaoboomen, die reeds rijke inkomsten opleverde.

Mijnheer Krüger had meer dan twee honderd werklieden in de plantage,

waarover hij het bestuur had; de meesten waren inboorlingen van de

Salomons- en Tonga-eilanden, allen flink gebouwde, groote mannen van

een donkere huidkleur, daar deze eilandbewoners tot het Melanezische

ras behooren.

De eerste Salomons-eilander, dien ik zag, maakte een zeer eigenaardigen

indruk op mij. Zijn gekroesd haar, dat wel zes decimeter lang kon zijn,

was met kalk wit gemaakt, zoodat ik eerst meende, dat de man een pruik

van vuil schapenvel op het hoofd gezet had. Toen ik hoorde, dat zoowel

directeur Krüger, als een der opzichters, den werklieden orders gaven

in een taal, die ik volstrekt niet verstaan kon, legde mijn vriend

Petersen mij uit, dat, daar de bewoners van de afzonderlijke

eilandengroepen allen verschillende talen spraken, men genoodzaakt

geweest was, wilde men met hen onderhandelen kunnen, zich van

verschillende idiomen te bedienen, die veel overeenkomst hebben met het

Chineesche Pidjin-Engelsch. Wij hadden nog enkele uren vóór

zonsondergang den tijd; directeur Beckmann gaf daarom op de

theeplantage, waarop wij ons juist bevonden, den wensch te kennen, den

top van den Tofuberg te bestijgen, vanwaar men een schoon uitzicht

moest hebben, zooals hij zich nog van een vroegere reis herinnerde.

Het was een tamelijk vermoeiend en inspannend werk, om zich door het

dicht struikgewas, dat de helling van den berg tot den top bedekte,

heen te worstelen, want deze bevond zich wel ongeveer duizend voet

boven de theeplantage; maar onze moeite werd ruimschoots beloond, door

het verrukkelijk vergezicht dat zich daar aan ons oog vertoonde.

Noordelijk, bijna voor onze voeten, zagen wij Mulifanua en de geheele

oostkust tot de haven van Apia, met de landschappen Salapuala, Sasasa

en minstens nog tien andere Samoaansche dorpen, terwijl wij aan onze

linkerhand, in westelijke richting, eerst het eilandje Manono

opmerkten, dat door een koraalrif met de westkunst van Upolu verbonden

scheen te zijn; dan volgde het kleinste eilandje der geheele groep,

Apolima, dat nog niet volkomen twee Engelsche vierkante mijlen groot

is, en verder op verhief zich uit de zee, het groote Savaii, welks

gebergte een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereikt. Tusschen den

berg Tofu en de noordkust strekte zich een groote vlakte uit, beplant

met palmen, broodvruchtboomen enz, waartusschen men uitgestrekte velden

kon opmerken, waarop de inlanders suikerriet, taro en yamwortels

kweekten. Zuidwaarts zag men niets dan de groote, oneindige zee.

Toen wij een paar uren later het stationsgebouw in Mulifanua weer

bereikt hadden, was ik weliswaar erg moede, maar toch bijzonder in mijn

schik over al het belangrijke en nieuwe, dat ik in den loop van den dag

gezien had. Den volgenden morgen keerde directeur Beckmann in zijn boot

naar Apia terug, terwijl ik onder leiding van den heer Krüger mijn

werkzaamheden begon. Deze bestonden voornamelijk in boekhouden en het

beheer voeren der kas. Het laatste was een zeer eenvoudig werk, daar

het slechts de uitbetaling betrof van het loon der arbeiders op de

plantage, en het salaris der opzichters; tot op heden had mijn

voorganger Petersen op zeer primitieve wijze boek gehouden, volstrekt

niet, zooals het op een handelskantoor behoort. Daar uit de boeken de

jaarlijksche afrekening met ons hoofdkantoor te Apia, zoo nauwkeurig

mogelijk moest opgemaakt worden, met bijvermelding welke hoeveelheden

der verschillende produkten uit de geheele plantage, in den loop des

jaars aan onze magazijnen en pakhuizen, door bemiddeling van Mulina

geleverd waren, moesten deze leveranties nauwkeurig en stipt in de

daarvoor bestemde boeken worden opgeteekend. Toen ik de jonge Petersen

op de talrijke vergissingen bij het noteeren opmerkzaam maakte,

antwoordde hij lachend: “Beste vriend, ik had geen flauw begrip van

boekhouderij, toen mijn ondeugende neef mij naar Samoa liet komen; ik

ben soldaat geweest en versta van dien rommel verduiveld weinig. U zult

die vervelende boeken wel weer gauw in orde maken, en u moest eigenlijk

blij zijn, dat ik zoo weinig aanleg voor dezen handelstak heb, want

anders had men u hier in het geheel niet heengestuurd.”

“Mijn luchthartige neef heeft hierin werkelijk gelijk, beste Arendt,”

zeide mijnheer Krüger, die juist bij de laatste woorden van Petersen

het kantoor binnen was gekomen. “Ik geloof, dat het het beste zou

wezen, als u onder de vroegere noteering van uw voorganger maar een

streep zettet, en van heden af maar op uw manier begont boek te houden.

Ik heb te weinig tijd gehad, om het werk van mijn neef op het kantoor

voldoende na te gaan, en eerst later heb ik de wanhopige verwarring

opgemerkt, die hij teweeggebracht heeft. Daar buiten in de plantage is

de jonge heer vrij wat beter op zijn plaats; hij heeft grooten tact om

met de werklieden om te gaan, die hij flink onder tucht heeft, en toch

is hij zeer bij hen bemind. De opzichters mogen hem ook om zijn

vroolijk, welwillend karakter gaarne lijden.”

“Wel bedankt, waarde neef, voor die loftuiting,” zeide Petersen

lachend, “maar nog meer voor de bevrijding van die afschuwelijke

boeken. Wanneer u en mijnheer Arendt mij dus niet meer noodig hebt, zal

ik, met uw verlof, naar de plantage rijden, waar ik mij honderdmaal

meer op mijn gemak gevoel, dan hier op dit muffe kantoor. Tot ziens

dus, vanavond, vriend Arendt!”

Men kon den aardigen, beminlijken jongen man waarlijk niets kwalijk

nemen, en evenmin lang boos op hem zijn; ik bracht dus mijn geschokt

koopmansgevoel tot rust, en toog aan het werk, dat mij wachtte, nadat

mijnheer Krüger mij nog eenige noodzakelijke aanwijzingen dienaangaande

gegeven had. De eerste weken gingen zonder eenige stoornis voorbij; met

het aanbreken van den dag stond ik op, en in de koele morgenuren werkte

ik vlijtig op het kantoor tot elf uur; dan ging ik naar de veranda,

achter het huis, vanwaar men een heerlijk uitzicht had op den

prachtigen tuin, en gebruikte een uitstekend ontbijt, waaraan mijnheer

Krüger en zijn neef Heinrich geregeld deelnamen. Beide heeren waren den

geheelen voormiddag op de verschillende plantages bezig, en na het

rustuur ging ik dagelijks mee, om zoo goed mogelijk op de hoogte te

komen van den aard en de wijze van cultuur der verschillende

voortbrengselen. Ik had mij vlijtig op de studie van het

Pidjin-Engelsch, zoowel als op die der Samoaansche taal toegelegd, ten

einde mij bij ons werkvolk en ook bij de inlanders ten minste

eenigszins verstaanbaar te maken.

Mijnheer Krüger en zijn neef waren beide talen volkomen machtig. Op een

Zondag vertelde onze chef, dat hij een uitnoodiging voor ons ontvangen

had, om bij een voornaam, zeer rijke Samoaner te komen dineeren. Deze

was opperhoofd van een groot dorp, dat dicht bij de kust lag, tusschen

Mulifanua en het landschap Sasana. Wij stegen derhalve om vier uur te

paard en ongeveer een uur later bereikten wij het dorp, dat in een goed

bebouwde lage vlakte lag, te midden van een schaduwrijk boschje van

palmen, bananen en oranjeboomen, dat omringd was van uitgestrekte

suikerriet- en katoenvelden. Het opperhoofd ontving ons voor zijn ruime

woning met den welluidenden, Samoaanschen groet: “Talofa!” en ging ons

toen voor naar de huiskamer, die aan alle zijden open was en waar wij

wel een dozijn inboorlingen, mannen en vrouwen, aantroffen, die ons met

vriendelijke gebaren de hand gaven.

De vrouwen en meisjes waren zonder uitzondering werkelijk mooie, lieve

verschijningen; zij waren schoon gebouwd en hadden allen prachtige,

donkerbruine oogen met lange, zwarte wimpers; haar kleeding bestond uit

den lendendoek van gekleurd katoen; een soort van lijfje en de

lava-lava, die tot aan de knieën reikte; de volle, fraai gevormde

armen, evenals de beenen onder de knie, waren bloot; op het donkere,

meestal onbedekte haar droegen zij een klein soort van kapsel van dunne

witte stof, versierd met bloemen en gekleurde steenen. Bijna alle

vrouwen hadden kleine varkentjes op haar schoot, die bij de

Samoaanschen de schoothondjes schenen te vervangen. Nadat wij ons op

matten, in den familiekring van het opperhoofd en zijn gasten neergezet

hadden, begon de maaltijd. Verscheiden jonge meisjes droegen de

verschillende spijzen op, en wel in bananenblâren, waarin zij ook

gebakken waren, want de Samoaner kent geen potten en pannen. De

gerechten bestonden uit: gebakken speenvarkens, kippen, visch, brood-

en yamvruchten, bananen en tarowortels, alles zeer zindelijk en

smakelijk; bananenblâren dienden ook tot borden. Als dessert verscheen

een soort van deeg “Tai-ai” genaamd, dat uit het fijn gewreven vleesch

van de kokosnoot bereid, in kleine zakjes, van bladeren gemaakt, op de

heete steenen van den haard wordt gebakken en heel lekker is. Het eten

smaakte mij bijzonder goed, want het was zeer zindelijk klaargemaakt en

werd ook zoo toegediend.

Na afloop van den maaltijd werd een vrij groote schotel, zeer kunstig

uit hout gesneden, midden op de mat gezet, die als tafel gebruikt werd.

Ik wist niet, waartoe deze moest dienen, doch Petersen verklaarde mij

dit: het was een kawa-bowl, die gebruikt werd om daarin dezen

lievelingsdrank der meeste Zuidzee-eilanders klaar te maken.

Kort daarna verschenen vier mooie, jonge meisjes, die zeer schoone,

witte tanden hadden; zij legden zich bij den bowl neder en gingen de

kawa bereiden. Hiertoe werd de knol der kawa-plant (Piper methysticum)

in dobbelsteentjes gesneden en door de meisjes fijn gekauwd; de

gekauwde massa werd eenvoudig in den bowl uitgespuwd, met water

verdund, en vervolgens met de handen omgeroerd. Toen werden met een

stukje boomschors de houtvezels uit het mengsel opgevischt, waarop de

meisjes in de handen klapten, tot teeken, dat de drank gereed was om

gebruikt te worden.

Ik moet bekennen, dat mijn maag er tegen op begon te komen, dien kost,

die er als aardappelmoes uitzag, te proeven; hij werd in kokosschalen

rondgediend. Mijnheer Krüger, die zeker mijn afkeer op mijn gelaat

gelezen had, gaf mij echter een teeken, dat ik bepaald een ferme teug

uit de mij aangeboden schaal moest nemen, indien ik onzen gastheer en

zijn gasten niet diep wilde beleedigen. Toen de schaal dus bij mij

kwam, nam ik met echte doodsverachting een slok van dezen, in dat land

geliefkoosden drank, die naar zeepsop smaakt; ik vreesde het volgend

half uur onpasselijk te worden, en kwam eerst weer op mijn verhaal,

toen mijnheer Krüger mij en den overigen manlijken gasten een sigaar

aanbood. Zooals ik later heb waargenomen, wonen er op Samoa Europeanen,

die van lieverlede zelfs hartstochtelijke kawadrinkers zijn geworden,

iets, wat mij totaal raadselachtig voorkomt; want voor mij bleef hij

steeds een afschuwelijke drank. Na het gebruik van den kawabowl, werd

de “Siva”, een Samoaansche dans, uitgevoerd. Deze “Siva,” die door een

driestemmig lied begeleid wordt, begint met het heen en weer bewegen

van het hoofd en bovenlichaam, het slaan met de vlakke hand, zooals bij

het schoenmaken, op bovenarmen en dijbeenen, en het maken van allerlei

arm- en beenbewegingen, terwijl met een stokje op een mat de maat wordt

geslagen. Muziekinstrumenten zijn den Samoaners ten eenenmale onbekend,

behalve de houten kerktrommels, door de zendelingen ingevoerd, die als

klokken dienst doen. In den laatsten tijd gebruiken de inlanders ook

Europeesche trommels en signaalhorens in den oorlog.

Al de bewegingen der eerste danseres, een heel knap meisje, wier hoofd

met edelgesteenten en paarlen versierd was, werden door de andere

dansers en danseressen nauwkeurig nagebootst. In het begin werd de

“Siva” tamelijk kalm uitgevoerd, doch spoedig kwam er meer leven onder

de dansers; zij werden vuriger en voerden verscheidene grappige

voorstellingen uit, waarin b.v. het gevecht met een slang, een

onthoofding, de duivel, of de een of andere denkbeeldige

persoonlijkheid de hoofdrol speelden. Het geheel bood een zeer

eigenaardigen en verrassenden aanblik.

Op Samoa · 第 1 / 11 段