De heerlijkste geuren zweven boven een ondoordringbaar woud, waarvan

de planten eene wonderbare verscheidenheid aanbieden. Hier is 't

de reusachtige baobab, de prachtige mvoelee, waar men den stam van

uitholt voor de prauwen van het Tanganika; de borassus, de bauhinia

en het bevallige, welriekende kruidje-roer-mij-niet, dat onmetelijke

oppervlakten bedekt.

Verder spreiden zich uit als een waaier over de hellingen der heuvels

de majestatische mkora, de kostelijke elaïs, wiens gouden vrucht de

palmolie schenkt, de msandaroesi, die het kopalhars voortbrengt,

de takkige tamar, de teek, de moerbezie-vijgeboom en de bevallige

payaboom met zijne lange bloementrossen. Langsheen de oevers, in alle

mogelijke hoeken, staan dichte boschjes van loofrijke wortelboomen, van

rotangs met hangend gebladerte, van papyrussen en riet, ongenaakbaar

gebied der witte ibissen en rozekleurige flamingo's. Bovendien, op

het water, bij de riviermonden, tapijten van eschinomena's, lotussen

en verschillige nymphia's, door de roodpootige meeuwen, de eenden en

gekuifde kraanvogels, de groote gewapende ganzen en breed gevleugelde

pelikanen in hunne vlucht eventjes aangeraakt.

Op verscheidene plaatsen, tusschen het groen gordijn van 't

kreupelhout, vertoont de reusachtige rotskuip, die het water van

't meer bevat, hare ruwe wanden. Te Mpimboeë springt eene landtong

in het Tanganika vooruit, hetwelk zij schijnt te willen afsluiten;

het is eene reuzenmassa granietblokken, verward dooreengeworpen,

eene zeer eigenaardige opeenstapeling, die men zou kunnen nemen voor

het begin van eenen barenbreker, gemaakt door een geslacht van Titans.

Te Poloengo verheffen zulke reuzenmassa's zich afgezonderd en vertoonen

de wonderlijkste vormen: vooroverhellende blokken, schuinshangende

steenen, obelisken en pyramiden. Uit alle spleten, uit alle holten,

uit alle hoeken, overal waar zich een weinig aarde heeft kunnen

vastzetten, rijzen groote boomen omhoog, vanwaar lianen van twintig

tot dertig meters lengte nederdalen, door wier dun loovernet heen

men diepe aardkloven bespeurt.

Het zuidelijk uiteinde van 't meer ligt schilderachtig genesteld

tusschen de bochten eener bergvlakte, die het uit eene hoogte van

twaalf tot vijftien honderd meters beheerscht. Deze steile kustrotsen

worden tot de meest grootsche der wereld gerekend.

Talrijke rivieren besproeien het hoogland dier bergvlakte tot aan de

plaats, waar hun eensklaps de bodem ontbreekt en zij in den afgrond

nederstorten. Er is daar eene heele reeks bekoorlijke watervallen,

van de hooge toppen afbruisend in de verborgenheden van een immer

groen loof. Alles is stilte in die diepe engten, eene stilte, slechts

gebroken door het rythmisch geluid der watervallen.

De boomen zijn beweegloos, gelijk ingeslapen door die eeuwige cadans,

en 't meer wacht kalm en rustig het woeste kind der bergen af, dat,

bij elk zijner sprongen met een levendigeren glans schittert en op

den duur onder de gedaante van zilveren stralen in het smaragdgroene

water van het Tanganika verdwijnt.

Elders is de oever samengesteld uit eene rij hooge bergen,

vaneengescheurd door diepe openingen, kloven en engten van

den treffendsten aanblik. Ofwel is de oever lang en moerassig,

gansch uitgesneden met baaien en riviermonden, belemmerd door

waterplanten. Hier en daar spreidt zich een groen laar uit, waarvan

de boorden uit geel zand of uit lichtroode rotsen bestaan.

De dorpen, omringd van boschjes borassen en bananen, of van eindelooze

dichtbewassen plekken mimosa's, breiden zich uit tot omlaag bij

den rand van 't water. Op den westelijken oever bespeurt men hunne

uiteengespreide kegelvormige hutten, te midden van uitgestrekte

velden. Men vermoedt, dat het eene vreedzame streek is, en de bewoners

voor geene aanvallen van buren vreezen.

Maar op den oostelijken oever zijn de meeste gehuchten beschut door

stevige paalwerken. Eene breede gracht, waarover meestendeels niet

anders dan eene gladde plank als brug ligt, gaat deze insluiting

vooraf, welke, versterkt door waterpas geplaatste boomstammen,

het musket trotseert. Boven de poort van dit paalwerk en aan elken

hoek rijzen somtijds forten omhoog, wel voorzien van zware steenen,

gansch gereed om naar den vijand te worden geslingerd.

Die vijand is niemand anders dan de Roegas-Roegas, namelijk gewapende

stroopers, welke de streek afloopen, de karavanen uitplunderen,

de dorpen verrassen, do mannen dooden en de vrouwen en kinderen

gevangen meenemen. Cameron en Stanley hebben op hunne omreis langs

het meer bij elken stap dorpen ontmoet, verwoest of neergebrand door

die stoutmoedige stroopers, de schrik der streek.

De vernieling moet reeds lang op groote schaal gebeurd zijn, en

Livingstone stelt vast, op zijnen tocht door het oostelijk bekken

van het meer, dat de bevolking eertijds buitengewoon sterk moet zijn

geweest: al de steenen waren uit de velden weggenomen en er was geen

duim akkergrond onbebouwd gebleven.

De oeverbewoners van Tanganika, vooral die van 't zuidelijk gedeelte,

zijn over 't algemeen argeloos en zelfs welwillend. De mannen

dragen bijna nooit hunne wapens en hebben de Arabische reizigers,

die vreedzaam met hen kwamen handeldrijven, altoos goed onthaald.

Het is eene echte weldaad voor de streek, de vestiging, langs de

oevers van 't meer, van Europeesche volksplantingen, welke, meer

nog door hun zedelijk gezag dan door hunne stoffelijke macht, de

verdelgers uit de verte schrik inboezemen en eindigen zullen met de

kom van Tanganika te behoeden voor de invallen der Roegas-Roegas.

XIV

KAREMA

De plaats, welke de internationale Afrikaansche Vereeniging kapitein

Cambier aangewezen had als bijzonder gunstig voor het vestigen eener

Europeesche standplaats, was het kleine dorp Karema, op de grens

van Oefipa en Oekaoeëndi. Een en ander dezer landen zijn overgroote

distrikten, langs de oostkust van Tanganika gelegen, en door de reizen

van Livingstone, Stanley en Cameron tot hiertoe slechts onvolledig

bekendgemaakt.

«Het is, zegt Stanley, een bergachtig land met schoone wouden en

een vruchtbaren grond, besproeid door duizenden waterloopen en in 't

bezit eener rijke fauna en flora. Schoon Oekaoeëndi! roept hij uit,

betooverende streek! waarmee zou ik de wilde bekoorlijkheid uwer

vrije en vruchtbare natuur kunnen vergelijken?

«Europa heeft niets, dat er bij halen kan. Het is maar in Mingrelië,

Imerithië of Indië, dat ik die schuimende rivieren gevonden heb,

die schilderachtige valleien, die fiere heuvels, die heerschzuchtige

bergen, die uitgestrekte wouden met indrukwekkende rijen groote

boomen, wier rechte en naakte zuilen die lange vergezichten vormen,

welke men hier aantreft.

«En wat kracht, wat pracht van wasdom! De bodem is er zoo vruchtbaar,

de natuur zoo verleidend, dat men zich, trots de doodelijke

uitwasemingen, die er uit opstijgen, aan deze streek hecht, waar een

beschaafd volk de malaria zou verdrijven en er een land van maken,

even gezond als rijk aan voortbrengselen.»

Ziehier thans de beschrijving der plaats, zooals Cambier haar vond

bij zijne aankomst:

«Karema is gelegen aan het zuidelijk uiteinde der vallei van den

Wandolo, eene kleine rivier, welke van het noorden komt en zich in

't meer stort vóor het dorp. Het plein is ongeveer eene mijl breed en

begrensd door twee heuvelrijen. Het is volkomen beroofd van boomen;

dikke rietstengels van vijf tot zes meters hoogte overdekken het

bijna geheel.

«De hutten van 't dorp zijn halfrond van vorm en gansch in stroo

opgetrokken, met een rieten geraamte. Zij staan opeengehoopt ten

getale van omstreeks honderd vijftig in eenen kring van tachtig meters

doorsnede, en in geval van brand zou het heele dorp op eenige minuten

tijds totaal verwoest zijn.

«De bevolking kan geschat worden op tweehonderd vijftig inwoners,

ellendig gekleed met dierenhuiden en rokken uit schors.»

Het grondgebied, door Cambier van sultan Kangoa verworven in ruil

voor eenige geschenken van weinig waarde, is een uitgestrekt plein,

langs alle zijden door bosch omgeven en vooruitspringend, op een

kleinen ronden berg, tot diep in 't meer.

Van dit punt geniet men een heerlijken aanblik op den onmetelijken

waterplas van het Tanganika en tot op den overstaanden oever, tien

tot twaalf mijlen ver. De zware kano's zonder zeil van het Tanganika

gebruiken wel een dozijn uren voor den overtocht.

Het is op eene hoogte, dat de gebouwen der standplaats zijn

opgericht. Een twintigtal negers, arbeidend onder de leiding van hun

opperhoofd, hebben ze in minder dan acht maanden voltooid.

Het geheel vertoont de algemeene schikking der tembee's, dit is te

zeggen der woningen van Oegogo en Oeniamoeësi, met dit verschil,

dat het in plaats van vierkant of rechthoekig, zeskantig van vorm is.

Langs de zes zijden eener ruimte, welke zij gansch omsluiten en waarop

al de deuren uitkomen, zijn gevestigd de logementen der Zanzibariten en

inboorlingen in den dienst der statie, de magazijnen en werkplaatsen,

zoowel als de stallen der paarden, ezels, koeien, geiten, schapen

en verkens van de kolonie. De geitenkudde telt niet minder dan vijf

en zeventig koppen, en er zijn meer dan twintig koeien; de neerhof

ook--kippen en duiven--neemt eene buitengewone uitbreiding.

Heel die samenhang van gebouwen is van adoben,--kareelen in de zon

gedroogd--en gedekt met platte daken. De buitenmuur, voorafgegaan

van eene gracht, is doorboord met kleine openingen, dienende zoowel

tot vensters als tot kijk- en schietgaten.

Eindelijk te midden der groote koer, gevormd door dien wijden kring

van gebouwen, verheft zich het huis der Europeanen, boven omgeven

van eene veranda, en tegen de hitte der zonnestralen beschut door

een uitspringend dak, op de wijze der Zwitsersche huisjes.

Voor éen zijner gevels wappert de blauwe vlag met gouden ster van de

internationale Vereeniging.

Overal rond de statie zijn de landbouwwerken begonnen; de grond is

ontdaan van het riet en de woekerplanten, die hem bedekten, en het

zaad, uit Europa meegebracht, is hem toevertrouwd geworden.

De vijftien maanden, welke Cambier te Karema heeft doorgebracht,

zijn alle besteed geworden aan de inrichting der statie. Van zes

uur 's morgens af, het gewoon uur van zonnenopgang in die streek,

stelde hij zich aan 't werk met het twintigtal zwarten, die in

zijnen dienst waren. Die zwarten waren de zonderlingste metselaars,

die men zou kunnen uitdenken; niet éen hunner had het minste begrip

van loodlijn, en wanneer men hen slechts een uur uit het oog verloor,

liep men groot gevaar, 's avonds het werk te zien instorten, overdag

met zooveel moeite opgebouwd.

Wat de inwoners van Karema betreft, de luiheid en de verstoktste

onverschilligheid zullen hen nog lang beletten, aan de kolonie de

medehulp huns arbeids te verleenen. Zij leggen evenwel een goeden

aard aan den dag, en de kapitein is menigmaal in de gelegenheid

geweest om het te bestatigen. Zoo bijvoorbeeld, wanneer op zekeren

dag eene kudde buffels op korten afstand de statie voorbijtrok en er

een tiental vuurschoten tegen hen gelost werden, zag hij terstond al

de weerbare mannen van 't dorp vol strijdlust komen aangeloopen. Het

geweervuur hoorende, hadden zij zich ingebeeld, dat de Roegas-Roegas

de standplaats aantastten en zij haastten zich om haar te verdedigen.

Dit bewijst voldingend, dat zij reeds begrepen hebben, welk groot

voordeel voor hen de aanwezigheid van den blanken man in hunne

nabuurschap is, en hoe zij er alle belang bij hebben, tot zijne

veiligheid bij te dragen.

De avond, te beginnen van vier tot vijf uren, werd over 't algemeen

aan de jacht besteed. Zooals wij reeds gezegd hebben, is de fauna van

Oekaoeëndi zeer rijk. Kudden buffels en antilopen, zebers en giraffen,

everzwijnen van verschillige soort leveren een smakelijk en sappig

vleesch op; dit van den zeber vooral wordt door de Europeanen zeer

gelust, wijl zijne overeenkomst met goed ossenvleesch heel groot

is. Er zijn ook eenden en ganzen in groote hoeveelheid, trapganzen,

kwakkels en patrijzen.

Die overvloed van wild lokt menigmaal leeuwen en hyena's in den omtrek

der statie; doch in dit gedeelte van Afrika is de koning der dieren

tamelijk bang van aard en gaat nogal spoedig voor den mensch op de

vlucht, behalve wanneer hij door den honger gedreven wordt.

Een andere groote hulpbron voor de toekomstige voeding der statie

is de visch van het Tanganika. Het meer bevat talrijke soorten. Maar

tot heden toe verkeert de vischvangst te Karema nog in de kindsheid,

omdat het bouwen van sloepen en 't maken van visscherstuig het peil

van 't verstand en de bekwaamheid aldaar ver overtreft.

Het meer is ook sterk bevolkt met krokodillen en rivierpaarden. Deze

laatste ontmoet men bij troepen van vijftien tot twintig reusachtige

vertegenwoordigers. 't Is echter maar 's nachts, dat zij 't wagen,

het malsche gras van den oever te komen afvreten. Hun vleesch is

een lekkerbeetje voor den inboorling, maar de smaak en de maag der

Europeanen zouden er zich niet aan kunnen wennen.

Wat aangaat de krokodillen, welke somtijds zeven en acht meters

lengte bereiken, zij mogen in 't water vaak stout en gevaarlijk zijn,

te land zijn zij uiterst laf en poetsen de plaat met de snelheid der

hagedis bij den minsten onraad.

De voeding der oeverbewoners van Tanganika bestaat voornamelijk uit

sorgho en maïs, die, in water gekookt, eene brij vormen, en op 't

vuur geroosterd, platte koeken. Voor groenten vond Cambier slechts

zoete wortelknollen, kauwoerden nog flauwer dan onze rapen, en eene

soort van postelein, dat nogal aangenaam is.

Tegenwoordig is de bevolking der standplaats ruim voorzien van

Europeesche groenten, zooals boonen, erwten, ajuin, tomatten, koolen,

meloenen, artichokken, salaad en radijs.

Het schijnt, dat de spruit vooral buitengewoon gemakkelijk gedijt.

De maïs, de tarwe, de rijst, de Spaansche peper, de katoen, de tabak

en de teozint, een allervoedzaamst graangewas voor 't vee, zijn in

overvloed gezaaid geworden. Het is in April, dat op de oevers van

't meer de oogst geschiedt.

Verder zijn de fruitboomen niet vergeten geworden. De koer der

standplaats, evenals de wegen tusschen de velden, zijn beplant met

bananen, granaat- en mangoboomen, goyaven, limoen- en papayaboomen,

die heerlijk gelukt zijn en op overvloedige vruchten laten hopen voor

het volgende seizoen.

Op de boorden van het Tanganika kan het jaar verdeeld worden in twee

gelijke deelen: het regenseizoen, dat op 't einde van October met

hevigheid begint en tot in Mei duurt, en het droog seizoen, hetwelk

den jaarkring eindigt. Het is bij den aanvang der regenperiode, dat

de natuur ontwaakt en haren verleidendsten aanblik vertoont. De regen

valt er niet aanhoudend; hij wordt dikwijls voor eenige uren en soms

voor verscheidene dagen onderbroken. De vlagen gaan vaak vergezeld

van hevige onweders en zelfs van hagel.

De gemiddelde warmtegraad is, 's morgens om acht uren, van 20 tot

24 centigraden in de schaduw, 's middags van 25 tot 35, en 's avonds

om negen uren van 21 tot 23. Het zijn de twee of drij uren voor het

opkomen der zon, die het frischte oogenblik van den dag uitmaken

Zooals men ziet is de warmte er in 't algemeen goed uit te staan. Zij

komt tamelijk wel overeen met die in de straten van Brussel gedurende

de maand Augustus. Slechts bij uitzondering bereikt zij 30 tot 32

graden in de lommer.

Karema is zijne betrekkelijk gematigde temperatuur verschuldigd

aan zijne ligging op den oever eener groote binnenzee en aan zijne

verhevenheid van 825 meters boven den spiegel van den oceaan.

Het zou dus bewoonbaar zijn voor den Europeaan, indien, ten gevolge

der overstroomingen, veroorzaakt door zes maanden regen, de gezondheid

van 't klimaat niet bedorven ware, onder den invloed van warmte en

vochtigheid, zoowel als van eenen wasdom, tot het uiterste gedreven,

door de uitwasemingen, die opstijgen uit de slijkpoelen en den

afval der planten. De malaria tast zonder uitzondering al degenen

aan, die in Afrika dringen. Het is eene galkoorts, vergezeld van

huiveringen, die verscheidene dagen duurt en dikwijls periodiek

wordt. De gevolgen er van zijn verschrikkelijk en duren lang voort,

zelfs bij de menschen, begaafd met ziels- en lichaamskracht. Een

werkdadig leven, een onophoudende arbeid, eene goede voeding zijn de

beste middelen om er den te spoedigen terugkeer van te voorkomen.

Het is geoorloofd te veronderstellen, dat het beslaan der streek

door eene talrijke bevolking haar merkelijk gezonder zou maken door

de ontginning, het bebouwen der landen en het indijken der rivieren.

Aan de toekomst het vraagstuk op te lossen.

Den 3den December 1880 begroette Cambier de verschijning te Karema

van kapitein Ramaekers, luitenant Beker en den heer Roger, die

hem kwamen aflossen van zijne lange wacht in het wilde Afrika. De

nieuwe expeditie bracht een uiteengenomen stoomschip mede, bestemd

voor den dienst der statie en de vaart op het meer. Die boot, de

Cambier gedoopt ter eere van den stichter van Karema, wacht slechts,

om van stapel te loopen, naar de aankomst van een stuk, dat onderweg

beschadigd werd en vervangen moest worden.

Hij zal voor de kolonie een krachtig middel van beschavende propaganda

zijn. Immers zal hij het personeel der standplaats toelaten,

betrekkingen aan te knoopen met al de volksstammen langs de oevers

gevestigd; hij zal de onderzoekingstochten vergemakkelijken naar dit

of dat onbekend punt van de streek; hij zal de briefwisseling met

de missiën van Oejiji en Mtowa niet weinig bespoedigen. Bij eenen

aanval zal hij grooten dienst bewijzen; in een neteligen toestand

eene veilige schuilplaats aanbieden.

Het is den 10den December 1880, dat Cambier Karema verliet voor

Zanzibar. Den 23sten April daaropvolgende keerde hij te Brussel weder,

na eene afwezigheid van drij jaar en zes maanden.

Hij had zijne zending met eere volbracht en in 't hart der

barbaarschheid, tot aandenken van zijn kort verblijf, een reuzenwerk

achtergelaten.

Karema!

Is het een negernaam, voor eene poos aan de vergetelheid ontrukt om

vervolgens dieper dan ooit in de barbaarschheid te storten? Of is

het de toekomstige naam eener stad, eener groote markt, waar, onder

het geleide en de waakzaamheid van een nieuw negerras, verstandig,

geleerd, werkzaam, de natuurlijke voortbrengselen van het groote

bekken van Tanganika zullen geruild worden tegen hetgeen er van onze

fabrieken en nijverheid te veel is?

Zullen duizenden inboorlingen, uit eenen onheuglijken schijndood

opgewekt, zich aldaar eenmaal met ons komen vereenigen, gelijk zooveele

bedrijvende leden van de groote menschenfamilie?

Niemand kan 't op dit oogenblik reeds zeggen.

Maar indien dit de toekomst moest wezen, bestemd voor de eerste

standplaats der Afrikaansche Vereeniging, dan zou er geen roemrijker

monument kunnen opgericht worden voor den schepper van 't werk,

dan deze nieuwe stad, gebouwd op het terrein der internationale

broederlijkheid door de wetenschap, den arbeid, de volharding en

de toewijding.

XV

DE TOEKOMST VAN MIDDEN-AFRIKA

Het is heden een onloochenbaar feit, dat de verheven hoogvlakte van

centraal Afrika eene der rijkste streken der wereld is, een wonderbaar

land, wiens voortbrengselen in tal en verscheidenheid die van de

meest bevoordeelde streken van den aardbol evenaren.

De katoen, de koffie, het suikerriet, de indigo- en muskaatboom, de

peperboom, de christuspalm, die overal elders allerlei zorg vereischen,

groeien hier vanzelf.

De sesam en de arachide, geteeld op verschillige plaatsen langs

de kust, maken het voorwerp uit van een belangrijken handel met

Europa, evenals de palmolie, die bij de Monding van Niger en Congo,

de maatschappelijke hervorming heeft begonnen van de kustbewoners.

De gomsoorten, het kopalhars en het caoutchouc, artikels van zulke

groote waarde, worden geleverd door boomen, welke men bijna overal

ontmoet.

En eindelijk de graangewassen en groenten geven twee en drij

oogsten per jaar, zóo groot is de voortbrengende kracht van den

grond, van zulke overvloedige vruchtbaarheid is dit aangeslijkt

terrein. Ziedaar, met de kostelijke soorten timmer- en nijverheidshout,

en om slechts eenige treffende voorbeelden aan te halen, ziedaar voor

het plantenrijk.

Het dierenrijk levert ivoor, waarin zulke aanzienlijke handel wordt

gedreven, struisvederen, huiden, was, enz., zonder van al de wilde

dieren te spreken, de bewoners onzer dierentuinen, menageriën en

vluchten.

De rijkdom aan delfstoffen is nog niet te overzien. Nochtans weet men

van nu af reeds, dat het ijzer bewerkt wordt door al de stammen van

't binnenland, dat goud en koper in menige streek werden bespeurd,

dat de Zambezia een onmetelijk kolenbekken doorloopt, en dat de

aanwezigheid dier kostbare brandstof erkend is op de boorden van het

Tanganika- en het Nyanzameer.

Deze beknopte opsomming is slechts een vluchtig overzicht van de

natuurlijke rijkdommen, door Livingstone, Cameron, Stanley en anderen

in 't voorbijgaan ontdekt, op hunne onderzoekingstochten door de

Afrikaansche hoogvlakte.

Pas aangemeld, zijn die schatten reeds, door de natuur vrij en

edelmoedig aangeboden aan de eersten, die ze zullen weten in te

zamelen, het voorwerp van veler begeerlijkheid, zooals men wel kan

gissen; en hij, die bekend is met de verslindende arbeidskracht

en den overweldigenden geest van het blanke ras, kan voorspellen,

dat zij eenmaal het voorwerp zullen wezen eener geregelde uitbating

vanwege Europa.

Het is deze wettige uitbating, welke al de vrienden van beschaving, zij

mogen zich plaatsen op een menschelijk, wetenschappelijk, godsdienstig

of handelsstandpunt, uit al hunne krachten moeten uitlokken. Zij alleen

bezit den tooverstaf om dit verachterd land tot het leven te roepen en

het deel te doen nemen aan de verstandelijke en stoffelijke beweging

der wereld, door rondom zich het werk te verspreiden, het heilige werk,

bron van alle goed: vrede, overvloed, vreugd en voorspoed.

Stellig zal de dag aanbreken, waarop deze onmetelijke streek, heden

nauwelijks gekend, en ondanks de hinderpalen, die er de nadering van

bemoeilijken, tot in hare kleinste hoeken zal overgeleverd worden

aan de studiën, opzoekingen, nasporingen en ondernemingen van de

beschaafde wereld.

Dit loochenen is der menschen werkkracht en vernuft loochenen.

Maar het klimaat!

Ziedaar de eerste en voornaamste bedenking, opkomend in den geest

van elk practisch man, die naar de mogelijkheid uitziet om zich in

de keerkringstreken te vestigen.

Ja, de ongezondheid van 't Afrikaansch klimaat, zoo noodlottig voor

den Europeaan, is de ernstigste dam, dien de natuur den vooruitgang

in den weg stelt. Maar wil dit zeggen, dat men voor dit bezwaar moet

terugdeinzen, hoe onoverkomelijk het ook schijne?

Om slechts éen voorbeeld aan te halen, zal ik vragen, of het doodend

klimaat van Midden-Amerika, bestendig verblijf van koortsen en

besmettelijke ziekten, waardoor duizenden menschenlevens sedert de

ontdekking werden weggemaaid, den heer de Lesseps éen oogenblik heeft

doen aarzelen om in dit afschrikkend midden eene der reusachtigste

ondernemingen der moderne tijden te beginnen? Of het zijne medewerkers

belet heeft, hem met geestdrift te volgen, de kapitalen, er met

vertrouwen heen te vloeien, en duizenden armen, zich toe te wijden

aan het stoffelijk gedeelte van 't werk?

Neen, niets vermag het voortrukken van den vooruitgang lang legen te

houden. Men hebbe vertrouwen in de macht van het menschelijk vernuft.

Op dit punt is 't niet noodig aan te dringen op de voordeelen,

welke men zou trekken uit een nieuw geslacht van negers, gewend

aan den landbouw en de verschillige ambachten, onder de oogen

der Europeanen. Afrika, zoo noodlottig voor deze laatsten, zou

geopend kunnen worden voor den handel en de beschaving, dank aan dit

negergeslacht, hetwelk men aan het hoofd der kantoren kon plaatsen,

onder het toezicht van algemeene Europeesche agenten. Deze zouden

gedurig over en weer gaan tusschen Europa en de factorijen, naar hier

brengende de voortbrengselen dier streken, en naar ginder meenemend

den overvloed onzer nationale nijverheid.

Van Brussel naar Karema: Geschiedenis eener Belgische Kolonie in Midden-Afrika · 第 3 / 4 段