Hier komt de pijnlijke episode van den dood van M. Penrose, Engelsch

ingenieur verbonden aan de London Missionary Society. Die ramp

is nog niet heelemaal opgehelderd, en ik wil er een oogenblik bij

stilblijven. Ik deel, volgens het verslag van den heer dokter Dutrieux,

den gang der gebeurtenissen beknopt mede.

Benden plunderaars, bijna allen behoorende aan Nyoengoe, machtig

opperhoofd van het zuiden van Oenymaoeëi, waarbij zich roegas-roegas

(struikroovers) gevoegd hadden, legerden in de vlakte ten westen van

Oegogo en schenen van plan, den weg te versperren aan de karavanen,

die zich naar Tabora begaven. Zij hadden reeds, schijnt het, die van

den abt Debaize aangevallen, den Franschen onderzoekingsreiziger,

die eenigen tijd te voren daar voorbij was getrokken.

Daar daagde de karavaan op, geleid door M. Penrose, en welke die

van luitenant Wautier eenige dagen voorafging. Tegengehouden door de

gewapende benden op de boorden van het kleine meer Tchaïa, was zij

verplicht te strijden. Hare dragers liepen weg, al hare koopwaren

bleven in de handen der aanvallers en de ongelukkige Penrose werd in

't gevecht gedood.

De toestand onzer reizigers was dus bedenkelijk. Gelukkiglijk

verwittigd door de inboorlingen, de vluchtelingen en het geweervuur,

dat zij in de verte gehoord hadden, omtrent hetgeen juist gebeurd was

op den weg zelf, dien zij volgden, namen de heeren Wautier, Dutrieux,

Broyon en een Engelsche missionaris, M. Dodsghun, die dezen laatste

vergezelde, in tijds hunne maatregelen om elke botsing te vermijden

met de mannen van Nyoengoe, door hunne zegepraal ongetwijfeld verhit.

Zelfs met de zekerheid der overwinning, was 't nog beter terug te

wijken dan eene moordende worsteling aan te gaan met arme wilden,

dikwijls onbewust van hunne daden. Vergoten bloed roept bloed;

gramschap, haat en wraak zijn verschrikkelijke vijanden voor wie

beschaven wil. Hij alleen begrijpt zijne rol--zijne groote en edele

rol--die zichzelven zegt, dat het leven van den laatste der zwarten

zoo heilig is als dat van den eerste der blanken; dat het door geduld,

het voorbeeld, zachtheid, goede middelen, en niet door geweld en

dwang is, dat men meester zal worden over die onterfde, wantrouwe en

vreesachtige volksstammen.

De vier Europeanen sloegen raad, en op voorstel van M. Broyon werd er

beslist, dat de karavaan Hittoera zou bereiken langs een grooten omweg

naar het noorden, dwars door Oetatoeroe. De tirikesa werd bevolen, en

de expeditie, de baan van 't westen verlatend, wendde zich recht naar

't noorden, door een dicht woud. Een plasregen maakte haren marsch

moeilijk tot aan het dorp Hekoengoe.

Daar wachtte haar een wreed ongeluk.

In dien kringmarsch rond het meer Tchaïa kwam de dood voor den

derden keer de expeditie der Vereeniging bezoeken. Den 7den December

werd luitenant Wautier door eenen afgang aangetast, die weldra in

roodeloop ontaardde. Het was de derde maal sedert zijn verblijf

in Afrika, dat de dappere officier door deze ziekte gekweld werd;

telkens was zij geweken voor eene geneeskundige behandeling van

eenige dagen. Ongelukkiglijk meende de kranke, zich dezen keer te

kunnen ontslaan van het onderhouden van den strengen leefregel, door

den aard der kwaal opgelegd. Ondanks eene zekere beterschap gedurende

eenen dag of twee, nam de verzwakking weldra de overhand, en in den

morgen van den 19den gaf Wautier den geest, onder het stamelen van

zijn laatste woord.

Dokter Dutrieux verwierf van het opperhoofd van Hekoengoe den

afstand van een terrein, waarover zich het lommer van eenen baobab

uitstrekt. De kuil werd gedolven aan den voet van den reuzenboom en de

begrafenis had plaats in tegenwoordigheid van heel de expeditie. Een

tas steenen werd boven het graf opgehoopt; een kruis en de naamcijfers

van den overledene werden in den boom gegrift, en de sultan beloofde,

het monument, opgericht tot aandenken van onzen ongelukkigen

landgenoot, te doen eerbiedigen, en er de plaats van aan te wijzen

aan de reizigers, die hier zouden voorbijkomen.

Wautier is de eerste Belgische reiziger, gestorven in 't hart van

't geheimzinnig werelddeel. Nog voor eenige jaren is Itatoeroe,

waar hij rust, overgeleverd aan de vergetelheid, maar in eene

niet ver verwijderde toekomst zal de beschaving er haar licht doen

doordringen. Een weldoende straal zal dan tot in Hekoengoe schijnen,

op den wilden baobab, aan wiens voet de soldaat-reiziger begraven

ligt. De groote zaak, waarvoor hij grootmoedig zijn leven heeft

ten beste gegeven, zal hem godvruchtig een gedenkteeken oprichten,

zijner waardig, en beter dan heden zal men de vrucht en de grootheid

van het offer beseffen.

Den 29sten December bereikte de heer Dutrieux Hittoera met zijne 350

man, wier verbintenis voor 't meerendeel bij dit dorp eindigde. Hij

wachtte er op nieuws van kapitein Cambier, die, van zijne aankomst

verwittigd, niet aarzelde hem tegen te gaan, en de ontmoeting der

twee reizigers, sedert bijna vijf maanden gescheiden, greep plaats

den zesden Januari 1879 in het dorp Oeyoeï, gelegen nabij Tabora,

een weinig ten noorden.

X

TABORA

Die eerste en moeilijke reis had, in haar geheel, aanzienlijk veel

tijd gevraagd (meer dan zes maanden), onvermijdelijk gevolg van 't

deserteeren der dragers te Mvomero. Bovendien had zij het leven gekost

aan een der reizigers, en dus met een graf te meer afgeteekend dezen

weg naar Tanganika, waar reeds rusten de jonge Franschman Maizan;

Moffat en Dillon, de gezellen van Cameron; de ingenieur Penrose,

evenals Farquhar en Shaw, de twee blanke knechts van Stanley op zoek

naar Livingstone.

Maar de toestand, een oogenblik wanhopig, was gelukkiglijk gered

geworden, dank aan de krachtdadigheid van den aanvoerder der

expeditie. Wat den voorraad in koopwaren betrof, die was voldoende

voor nog meer dan een jaar.

Oenyanyembe, waar de reizigers zich bevonden, is eene groote en rijke

provincie, die eenigszins eene afhankelijkheid van 't sultanaat van

Zanzibar vormt. De gouverneur wordt er door benoemd. De hoofdstad

is Tabora, de plaats, waar allen, die van Zanzibar naar Tanganika of

Victoria-Nyanza gaan, zich van voorraad komen voorzien. De vestiging

der Arabische kooplieden in deze streek dagteekent slechts van

1852. Tabora is tegenwoordig de belangrijkste van al de standplaatsen,

welke de handelaars van Zanzibar in 't hart van Afrika bezitten.

Toen Stanley er in 1870 doortrok, bevatte de kolonie meer dan duizend

woningen en telde reeds ongeveer 5000 zielen. Sedert een jaar heeft de

internationale Vereeniging er een stapelhuis van koopwaren, bestuurd

door den heer Becker.

Onze landgenoot zal weldra het gezelschap krijgen van eenen Franschman,

M. Sergère, die lang Zanzibar bewoond heeft en zich gereedmaakt om

in Tabora een handelskantoor op te richten.

In Oenyanyembe zijn de dorpen talrijk en de ontginning is er

aanzienlijk; de grond, met zorg bewerkt, brengt in overvloed rijst,

sorgho, maïs, manioc en zoete wortelknol voort; de Araben telen er

koren en ajuin; zij hebben er ook de meeste fruitboomen van de kust

ingevoerd. Men treft er eveneens den katoenboom aan.

Dank bovendien aan den vooruitgang der ontginning en bewerking, en

aan de verwijdering der wilde dieren, heeft de tetzavlieg Oenyanyembe

verlaten, en de kudden ossen en schapen zijn er nu talrijk.

Van 't begin van Januari 1879 tot het begin van Mei verbleef kapitein

Cambier te Tabora, verplicht als hij was, het regenseizoen te laten

voorbijgaan, alvorens zijnen tocht voort te zetten. De mazika maakt

zoo goed als onbruikbaar de moerassige streken, welke zich langs het

westen uitstrekken en gedraineerd worden door ontelbare rivieren,

alsdan overstroomd, afvloeiende naar het meer Tanganika.

Toen de regens begonnen op te houden, op 't einde van April, dacht de

reiziger er aan, nieuwe dragers in dienst te nemen, om het materiëel

zijner standplaats tot aan het meer te laten vervoeren, en dan op

te breken.

Hij vertrok alleen: dokter Dutrieux had het besluit genomen, den

dienst der Afrikaansche Vereeniging te verlaten en naar Europa terug

te keeren.

Van de zes reizigers, die aan den tocht hadden deelgenomen, bleef er

dus éen op zijnen post: drij waren onderweg gevallen als slachtoffers

hunner toewijding; twee hadden zich uit de onderneming teruggetrokken

om verschillende redenen.

Eene zware taak rustte op den reiziger, voortaan overgelaten aan

zijne eigene krachten. Hij ging bewijzen, dat zijne voorzichtigheid,

wilskracht en moed tegen haar waren opgewassen.

XI

LAATSTE BAANGEDEELTE

Kapitein Cambier verliet Tabora den 7den Mei, met omtrent 175 man,

nagenoeg den weg volgende, dien Stanley in 1871 had genomen tijdens

zijne reis op zoek naar Livingstone.

De reiziger had uit Brussel inlichtingen ontvangen, welke hem als

bijzonder gunstig voor de vestiging eener Europeesche standplaats

het kleine dorp Karema aanwezen, gelegen op den oostelijken oever

van het meer, ten zuiden van Oejiji.

Hij sloeg dus den weg van 't zuiden in, langs Simba, minder kostelijk

dan degene van 't westen langs Kaoeëlee, waar de hongo's buitensporig

zijn.

Het verslag des reizigers, hetwelk de bijzonderheden meedeelt over

zijnen langen en moeilijken marsch tot aan Tanganika, is niet anders

dan eene lange aaneenschakeling van geschillen, veroorzaakt door

den kwaden wil, de grillen en het wegloopen der dragers. De neger

is bepaald de slechtste der lastdieren, en het is meer dan tijd om

aan zijne vervanging te denken en hem enkel voor de ontginningen

te gebruiken.

Simba, waar de reiziger den 17den Juli aankwam, is een groot dorp

van de Oesavira, met 2 a 3000 zielen. Cambier werd er door den sultan

vriendelijk ontvangen en ontmoette er een zekeren Matumala, opperhoofd

eener bende van 300 olifantenjagers.

Matumala, die vroeger moeilijkheden met Makiaka, sultan van Karema,

gehad had, was gedurende drie maanden tegen hem in strijd geweest,

had hem overwonnen en gedood en hem tot opvolger Kangoa gegeven,

verbannen lid der «oude regeerende familie».

Wijl Matumala, zooals men ziet, de ware vorst van Karema was,

verzekerde Cambier zich van zijne vriendschap door eenige geschenken,

en, sterk door deze bescherming, stelde hij zich op weg naar het

meer. Het weinig voorzichtig achtende, zich naar Karema te begeven met

al zijne koopwaren, en de kosten zijner karavaan willende verminderen,

ontsloeg Cambier onmiddellijk een gedeelte zijner dragers. Hij was ook

gelukkig, zich verlost te gevoelen van de verschrikkelijke nachtmerrie,

die men het bevel over eenen troep pagazis heet.

Na te Simba het grootste deel zijner bagage achtergelaten te hebben,

en enkel door tachtig man vergezeld, brak Cambier den 29sten Juli op,

om de ligging te gaan verkennen zijner toekomstige standplaats.

Den 12den Augustus kwam hij aan den eindpaal zijner lange en moeilijke

reis. Aan zijne voeten, boven de honderdvijftig hutten van 't dorp

Karema, strekte zich de onmetelijke waterplas van Tanganika uit,

zoover het oog reikte.

Cambier werd goed ontvangen door Kangoa, den ellendigen kleinen

souverein van tweehonderd inwoners, aan wien men den grootschen

titel van sultan van Karema verleent. Hij mocht zich gelukkig achten,

van hem den afstand te verwerven van een terrein van bij de duizend

hectaren, hetwelk hij uitkoos langs den zoom van 't meer; hij sloot

eene overeenkomst met Kangoa voor het optimmeren van eenige loodsen,

bestemd voor de koopwaren, die achter waren gebleven, en na een

verblijf van zes dagen, keerde hij naar Simba terug.

Op 15 September kwam hij voor goed te Karema terug met het overschot

van zijn materieel, en reeds den 17den legde hij de eerste grondslagen

van de wetenschappelijke en gastvrije standplaats, welke het zijne

zending was te stichten.

XII

DE EERSTE ONDERZOEKERS VAN HET TANGANIKAMEER

Wanneer, na de heuglijke zeetochten van Diëgo Cam, Bartholomeus Diaz,

Vasco de Gama, Cabral, enz. de Portugeezen zich in de XVIe eeuw op

eenige punten van het Afrikaansche kustland vestigden, te Sofala,

te Mozambika, te Mombas, te Loando, drongen min of meer bepaalde

inlichtingen allengs in hunne kantoren door over het inwendige van

de Terra incognita.

Die inlichtingen waren te danken, eensdeels aan de inboorlingen,

wonende langsheen de zee, anderszijds aan de Arabische kooplieden,

gevestigd op de oostkust en die, ter wille van hunnen handel, hier

en daar nogal ver in 't binnenland doorgedrongen waren.

Iedereen beseft, hoeveel dwalingen zulke aanduidingen noodwendig

moesten doen ontstaan, aangebracht door onwetende menschen, dikwijls

slecht gegeven, dikwijler nog slecht begrepen, en vervolgens

van mond tot mond gaande, om eindelijk in Europa ter kennis van

geschiedschrijvers en aardrijkskundigen te komen.

Nochtans, uit alles te zamen trad de waarheid aan 't licht, hoewel door

een dikken mist, in dezen zin, dat de algemeene waterbeschrijving van

't nieuwe land vermoed werd. Men begreep dadelijk, dat de zuidelijke

helft van Afrika niet, gelijk het grootste gedeelte der noordelijke

helft van dit werelddeel, eene aaneenschakeling van min of meer

uitgestrekte zandwoestijnen was, maar eene moerasachtige streek,

geheel doorzaaid met meren, zoo groot als zeeën, doorgroefd met

talrijke rivieren, en van 't éen eind naar 't ander doorsneden van

machtige stroomen, zooals de Nijl, de Congo en de Zambezia.

De enkele pogingen tot verkenning, langsheen de kusten gedaan door

missionarissen, soldaten, handelaars of goudzoekers, zonder iets

bijzonder nieuw aan te brengen, bevestigden evenwel de reeds verkregen

inlichtingen, doch niet zonder den wonderbaren kant dezer ontdekkingen

naar den geest des tijds te overdrijven.

Aldus werden de kleine bergen Lupata herschapen in Ruggegraat der

Wereld, de snelle stroomingen der zeestreek in reusachtige watervallen,

het goudkwarts, door eenige rivieren gekruid, in schatrijke goud-

en zilvermijnen, de ellendige negerhutten in volkrijke en prachtige

steden, hunne opperhoofden in machtige monarken, en de grondgebieden

dezer, in reusachtige rijken, zooals Monemoeëgi en het befaamd

Monomotapa.

Van dit tijdstip dagteekenen al die verzinsels en fabels, welke

zoolang bedekt en onder eene schoonschijnende uitstalling van valsche

wetenschap verpletterd hebben de gegevens van algemeene aardrijkskunde,

verzameld door de eerste onderzoekers.

Hoemeer men de zaak bestudeert, hoe stelliger de overtuiging wordt,

dat tot in de XIXe eeuw toe het geen enkelen onderzoekingsreiziger

gelukt is, door te dringen tot in 't binnenste van dit geheimzinnig

gedeelte van 't vasteland, door de aardrijkskundige Conferencie van

Brussel aangeduid onder de benaming van centraal Afrika.

In 1855 lieten de oude dwalingen eene laatste maal van zich hooren:

de Engelsche missionarissen, verblijvende te Mombas, ten noorden van

Zanzibar, verkondigden opnieuw, eenige wijzigingen daargelaten, de

leer, sedert 1551 door den beroemden Portugeeschen geschiedschrijver

de Barros voorgestaan, en volgens welke zich tot eene enkele en

onmetelijke binnenzee vereenigden de verschillige meren, waarvan de

verslagen der negers en Arabische handelaars het bestaan onbepaald

hadden opgegeven.

Maar het plechtig uur der ontdekking ging slaan; de natuurwonderen,

die, in weerwil van eenen strijd van drie eeuwen, zoomin door het

zwaard des overwinnaars als door het kruis van den missionaris hadden

kunnen ontsluierd worden, zou de moderne wetenschap thans veropenbaren.

Drie Engelschen, de eerwaarde Livingstone langs den eenen kant,

en de kapiteins Burton en Speke langs den anderen, laten bijbel en

degen varen en rukken op, enkel gewapend met den reisstok van den

voetganger en den sextant van den waarnemer. Zij marscheeren altijd

door, recht vóor hen uit, met woorden van vrede in den mond en den

olijftak in de hand; in naam der wetenschap en der menschheid gaan

zij het onbekende en de barbaarschheid te lijf... en dadelijk is de

sluier vaneengescheurd. Eere aan hen, die bij de eersten waren om

zulke edele verovering te beginnen en den weg te banen voor die rei

van kloekmoedige mannen, welke sedert vijf en twintig jaar Afrika

met hunne daden vervullen!

Het is den 13den Februari 1858, dat Burton en Speke het meer Tanganika

ontdekten, te Oejiji, op den noordoostelijken oever.

Negen jaar later bereikte Livingstone den zuidelijken boord en

onderzocht de streken, gelegen ten westen, tot aan Loealaba (Congo),

waarvan hij den majesteitvollen loop in het hart van Afrika het

eerst begroette.

Het is tijdens dezen tocht, en terwijl de befaamde Engelsche reiziger,

uitgeput en ziek, zonder hulpmiddelen, en verlaten door een groot

gedeelte zijner dienaars, op het punt was, vergeten te sterven in

't dorp Oejiji, dat eensklaps aan zijne zijde verscheen, als een Deus

ex machina, de onverschrokken Stanley.

Deze treffende ontmoeting zal eene der schoonste bladzijden blijven

in de geschiedenis van het Tanganikameer. Zij greep plaats den 10den

November 1871. Hoor Stanley zelf.

«--Ontplooit de vaandels en laadt de geweren.

--Eh! Oeallah! eh! Oellah boeana! antwoorden vurige stemmen.

--Eén, twee, drie!...

Bij de vijftig geweren knallen. Hun gedonder, gelijk aan dat van

't kanon, blijft in 't dorp niet zonder uitwerksel.

--Kirangozi, hoog omhoog de banier van den blanken man. Laat in de

achterhoede het vaandel van Zanzibar waaien. Sluit de rangen en zet de

losbrandingen voort tot vóór het huis van den ouden moesoengoe. Gij

hebt mij dikwijls gezegd, dat gij den visch van Tanganika begont

te rieken; heden krijg ik er zelf de lucht van. Visch, bier en eene

lange rust wachten u. Voorwaarts!

Wij hadden geene tweehonderd meters afgelegd, of de menigte snelde

ons te gemoet...

Middelerwijl hield de karavaan stil, de kirangozi aan 't hoofd,

zijne banier dragende zoo hoog mogelijk.

--Ik zie den doctor, mijnheer, zegde mij Selim; wat is hij oud!

Wat had ik niet gegeven voor een klein hoekje woestijn, waar ik mij

ongemerkt aan de eene of andere dwaasheid had kunnen overleveren:

in mijne eigen hand bijten, eene buiteling maken, de zweep over

de boomen leggen, kortom, den vrijen loop gunnen aan de vreugde,

die mij verstikte! Mijn hart klopte om te breken; maar ik liet mijne

aandoening op mijn gelaat niet doorstralen, uit vrees, de waardigheid

van mijn ras te benadeelen.

Op eens koos ik de partij, welke mij de beste toescheen. Ik

dreef de menigte uiteen en richtte mij, tusschen eene dubbele haag

nieuwsgierigen, naar den halven kring Araben, waar de man met grijzen

baard vóor stond.

Terwijl ik langzaam voortschreed, bespeurde ik zijne bleekheid en

zijn afgemat uiterlijk. Hij droeg eene grijze broek, een rood vest

en eene blauwe pet met dofgeworden gouden boordsel. Ik zou naar hem

toe hebben willen loopen, maar in tegenwoordigheid van die menigte

was ik laf. Ik had hem willen omhelzen, maar hij was Engelschman,

en ik wist niet, hoe ik onthaald zou worden.

Ik handelde dus naar de ingeving mijner blooheid en valschen hoogmoed,

naderde met vasten tred en zegde onder het afnemen van mijnen hoed:

--Doctor Livingstone, naar ik vermoed?

--Ja, antwoordde hij, zijne pet oplichtend, met een innemend

glimlachje.

Meteen waren onze hoofden gedekt en lagen onze handen in elkander.

--Ik dank God, hervatte ik, wijl hij mij vergund heeft, u te ontmoeten.

--Ik ben gelukkig, zegde hij, hier te wezen om u te ontvangen.

Ik keerde mij vervolgens naar de Araben, die mij hunne yambo's

toestuurden en mij door den doctor elk bij zijnen naam werden

voorgesteld. Daarop, de omstaanders vergetend, zoowel als degenen,

die mijne gevaren hadden gedeeld, volgde ik Livingstone.»

Twee jaar later greep een niet minder treffend tooneel plaats te

Tabora, tusschen Oejiji en Zanzibar, waar de reddingskaravaan, uit

Engeland naar Livingstone gezonden, en bestuurd door den bevelhebber

Cameron, het stoffelijk overblijfsel aantrof van hem, die zonder

twijfel de grootste der Afrikareizigers blijven zal.

Het is, dunkt mij, eene der edelste bladzijden uit de geschiedenis

der menschheid, die, welke de herinnering bevat van den heuglijken

tocht der trouwe dienaars van den «goeden moesoengo», eerbiedig

voortdragend door de Afrikaansche wildernissen het gebalsemde lijk

van hunnen hooggeachten meester.

Men heeft van het zwarte ras dikwijls kwaadgesproken. De lastige reis

van meer dan vierhonderd mijlen, uitgevoerd ten koste van ontelbare

vermoeienissen en ontberingen, zonder van duizend hinderpalen te

gewagen, door die handvol eenvoudige en brave menschen, verloren zonder

gids in 't hart van het vasteland, om in eene veilige plaats en beschut

tegen alle onteering de asch van den blanke neder te leggen, die hun

opperhoofd geweest was, welnu! die heldenreis is eene aandoenlijke

protestatie van dit lang stiefmoederlijk behandeld ras. Zij bewijst

eens te meer, dat er op aarde geen hoekje is, waar de mensch niet

vatbaar wordt bevonden voor de edelste gevoelens, en bekwaam voor de

schoonste daden.

De bevelhebber Cameron, zijnen tocht voortzettend, kwam op zijne

beurt aan de oevers van het Tanganika. Hij doorkruiste er per boot

het zuidelijk gedeelte van, verkende zijnen omtrek en ontdekte

op zijnen westelijken zoom zijne waterleiding, dit is te zeggen

het natuurlijk kanaal, langswaar het afvloeit, de rivier Loekoega,

welke tegenwoordig een geweldige vloed is en de onmetelijke kom van

het meer bepaald verbindt met die van den Congo, en, bij gevolg,

met den Atlantischen oceaan.

Na den Engelschman Cameron zag het Tanganika Stanley terug, die er de

omreis van voltooide, en eindelijk werd het de beurt van eenen Belg om

zich op zijne oevers te komen nederzetten. Zooals wij gezien hebben,

landde kapitein Cambier met de eerste expeditie der Afrikaansche

Vereeniging den 12den Augustus 1879 bij het dorp Karema aan.

XIII

HET MEER EN ZIJNE BOORDEN

Het Tanganikameer is een onmetelijke waterplas, bijna in 't midden

van het Afrikaansch vasteland gelegen, in vorm bijna gelijk aan dien

der Adriatische zee.

Het heeft eene lengte van 609 kilometers, hetgeen, op eenige mijlen

na, den afstand van Brussel tot Lyon voorstelt, en zijne oppervlakte

bedraagt weinig minder dan die van België.

Eene ontzaglijke menigte afvloeiingen brengen er hun water heen:

meer dan honderd vijf en twintig rivieren, zonder de beken te

rekenen. Tijdens het regenseizoen veranderen al die waterloopen, groote

en kleine, op eenige minuten in onstuimige vloeden. De overmaat van

't meer vloeit dan weg langs de Loekoega.

Die ontelbare afvloeiingen voeren ook naar het Tanganika eene

overgroote hoeveelheid vlottende eilandjes, bestaande uit planten,

en dikwijls struiken en zelfs boomen dragend. Hun aanblik is zeer

eigenaardig; soms ziet men er meer dan vijftig op den effen plas van

't meer, waar zij uit de verte op schepen zonder zeil gelijken.

De diepte van 't meer is op sommige punten buitengewoon: het peillood

is wel eens neergedaald tot vier en vijfhonderd meters, zonder den

bodem te raken.

Als het weder kalm is, is zijne rust merkwaardig. Maar wanneer de wind

het voortzweept en onstuimig maakt, dan heeft het, zooals alle smalle

en diep ingesloten zeeën, plotselinge stormen van eene ongeloofelijke

hevigheid. Ook wagen de visschers zich niet gemakkelijk in 't midden

van het meer. Gewoonlijk volgen zij de kust, om, bij het minste kwaad

voorteeken, eene wijkplaats te zoeken binnen de menigvuldige inhammen,

die er de lijn van breken.

De oevers leveren overal den schilderachtigsten aanblik op. «Om,

zegt Cameron, aan al de schoonheid der boorden van het Tanganika te

gelooven, moet men ze gezien hebben. Het schitterend en afwisselend

groen van het gebladerte, het lichtrood van den zandsteen der kusten,

het blauw van 't water, dit alles maakt eene kleurenmengeling uit,

welke bij de beschrijving schreeuwend schijnt, doch in de werkelijkheid

eene volmaakte harmonie vertoont.»

Van Brussel naar Karema: Geschiedenis eener Belgische Kolonie in Midden-Afrika · 第 2 / 4 段