Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg (This file was produced from images generously
made available by The Internet Archive/American Libraries.)
NATIONALE VERZAMELING
VAN BRUSSEL
NAAR KAREMA
GESCHIEDENIS EENER BELGISCHE KOLONIE
IN MIDDEN-AFRIKA
DOOR
A.-J. WAUTERS
BIJGEVOEGD SECRETARIS VAN DE BELGISCHE MAATSCHAPPIJ VAN AARDRIJKSKUNDE
VERTAALD DOOR FRANS VAN CUYCK
BRUSSEL
BOEKHANDEL VAN J. LEBÈGUE EN Co.
46, MAGDALENASTRAAT, 46
OPGEDRAGEN
AAN
Mevrouw Ernest Cambier
INHOUDSTAFEL
Bladz.
Opdracht 5
Voorrede 7
I. -- De internationale Afrikaansche Vereeniging 11
II. -- De Weg op Zanzibar 16
III. -- Zanzibar 20
IV. -- Rouw en Herinrichting 25
V. -- Eene Afrikaansche Karavaan 29
VI. -- Het Vertrek en het Deserteeren der Dragers 36
VII. -- Bij de Roovers Wagogo 42
VIII. -- Mirambo, de zwarte Bonaparte 50
IX. -- De Dood van Wautier 56
X. -- Tabora 62
XI. -- Laatste Baangedeelte 67
XII. -- De eerste Onderzoekers van het Tanganikameer 70
XIII. -- Het Meer en zijne Boorden 79
XIV. -- Karema 86
XV. -- De Toekomst van Midden-Afrika 98
VOORREDE
Welk aandeel hebben de Belgen genomen in de ontdekking der wereld?
Wanneer men de lijst naziet van de stoute baanbrekers, die, van het
Oosten naar het Westen, van den pool tot den evenaar, land en zee
doorkruist hebben, van jaar tot jaar het gebied van het onbekende
inkrimpende, dan ontmoet men heele scharen van Engelschen en
Nederlanders, Spanjaards en Portugeezen, Duitschers en Franschen;
men vindt er ook namen tusschen van Italianen, Zweden, Russen,
Oostenrijkers, Zwitsers, maar van Belgen... geenen enkelen!
Het is zoo erg, dat de heer Goblet d'Alviella, toen hij vóor eenige
jaren de vaderlandsche geschiedenis der reizen, ontdekkingen en
uitwijkingen schreef, zich verplicht zag, zijne verhandeling te
beginnen met de volgende bekentenis, vol bittere scherts: «Het is
wel eenigszins vernederend, in een werk over de aardrijkskundige
ontdekkingen van Belgische reizigers, te moeten aantoonen, dat zij
er nooit eene gedaan hebben.»
Indien de reis, waarvan dit boekje het doel, den weg en den uitslag
wil vertellen, uit het oogpunt der eigenlijk gezegde ontdekkingen
eveneens geene geruchtmakende gevolgen heeft opgeleverd, zij had
ten minste de verdienste--en die is niet gering--van te bewijzen,
dat er in België zekeren dag een burger is opgestaan--de eerste van
allen--die zijn land heeft trachten los te rukken uit de schandelijke
onverschilligheid voor hetgeen buiten zijne enge grenzen gebeurt,
en dat er ook mannen gevonden werden, die het hart hadden hem te
ondersteunen in zijne stoute plannen.
VAN BRUSSEL NAAR KAREMA
I
DE INTERNATIONALE AFRIKAANSCHE VEREENIGING
In de maand September 1876 stichtte koning Leopold II de Internationale
Afrikaansche Vereeniging.
Onder koninklijke voorzitterschap vergaderde in het paleis van Brussel
eene aardrijkskundige conferentie, waaraan gehouden hadden deel te
nemen, beroemde reizigers, zooals de heeren: Nachtigal, Schweinfurth,
Cameron, Rohlfs, Grant, Duveyrier; geleerde aardrijkskundigen, zooals
de heeren: de Richthofen, de Hochstetter, de Semenon, d'Abbadie;
politieke beroemdheden, gelijk de heeren Bartle Frère, Emile de
Laveleye, Negri, enz.
Deze conferentie, waarbij de zes groote Europeesche mogendheden en
België vertegenwoordigd waren, had voor doel de bespreking van de zoo
buitengewoon belangrijke kwestie van de uitbating en beschaving van
Afrika, zijnen tegenwoordigen toestand vast te stellen en de uitslagen,
tot hiertoe bekomen; nauwkeurig te bepalen wat er nog te doen bleef
om de duisterheid te doorboren, welke de centrale streken omgeeft,
er de voordeelen van te verkennen, welke onmetelijk schijnen, er de
schatten onzer beschaving in te storten, en eindelijk, den slavenhandel
te dwarsboomen en af te schaffen.
De bespreking werd gedurende drie dagen voortgezet.
De besluiten en verklaringen, door de vergadering vóor het uiteengaan
gestemd, vatten het werk samen en dienen er tot programma van.
Ziehier de bijzonderste punten.
De conferencie beperkte het deel van Afrika, hetwelk zij zich
voorstelde te onderzoeken, tusschen de grens van den Egyptischen
Soedan, ten Noorden, en de kom van de Zambezia, ten Zuiden.
Deze onmetelijke streek, waar Nijl en Zambezia hunnen oorsprong
nemen, welke de reusachtige Congostroom bijna in hare volle breedte
doorsnijdt, waar de groote equatoriale meren verspreid liggen, is
degene, welke men sedertdien meer in 't bijzonder aanduidt met den
naam van Centraal Afrika.
Het is eigenlijk eene nieuwe wereld, die niet minder dan zevenmaal
de oppervlakte van Frankrijk meet en, onder de parallel van Zanzibar,
eene breedte heeft van ongeveer drijduizend kilometers of zeshonderd
mijlen, hetgeen overeenkomt met den afstand, tusschen Brussel en
Constantinopel.
Er werd besloten, dat men door dit onmetelijk grondgebied zou trachten
wegen te openen, onmisbaar voor het invoeren der beschaving in het
binnenland, en dat er langsheen deze banen wetenschappelijke en
gastvrije standplaatsen zouden worden gevestigd.
Hunne wetenschappelijke zending zou bestaan: in sterre- en weêrkundige
waarnemingen; in het aanleggen van verzamelingen van aard-, plant-
en dierkunde; in het opmaken van de kaart der omstreken; in het
opstellen van een blad, hetwelk al de gebeurtenissen zou meedeelen,
waard om vermeld te worden.
Hunne gastvrijheid zou zich openbaren in het opnemen van alle
reizigers, die, met een menschlievend, godsdienstig, handels- of
nijverheidsdoel, het onderzoeken van een deel van Afrika's vastland
zouden ondernomen hebben; hen te voorzien, tegen den inkoopprijs
daar ter plaats, van tuigen, mondbehoeften, koopwaren, zoowel als
van gidsen en tolken; hen in te lichten over de beste wegen en hunne
briefwisseling te bezorgen.
In eene tweede vergadering, welke plaatsgreep te Brussel, op 20 Juni
1877, werd er beslist, dat de handelsweg, die van de kust van Zanzibar
naar het meer Tanganika voert, zou gekozen worden als bazis van de
eerste ondernemingen, en dat eene eerste standplaats zou gevestigd
worden in den omtrek van 't meer.
Van de verschillige nationale comiteiten, waaruit de Afrikaansche
Vereeniging is samengesteld, was het Belgisch comiteit het eenige,
dat lang genoeg bestond om eene werkdadige rol te spelen, en daarom
werd het natuurlijk aangewezen om den eersten tocht in te richten en
de eerste standplaats in het leven te roepen.
De uitvoering volgde de beslissing op den voet, zooals wij zullen
zien in de volgende hoofdstukken.
II
DE WEG OP ZANZIBAR
Vastgesteld in de maand Juni 1877, was de eerste expeditie van de
Internationale Afrikaansche Vereeniging gereed om België te verlaten
in de maand October daaropvolgende.
Zij bestond uit de heeren Crespel, kapitein bij het 2de linieregiment,
Cambier, luitenant bij het achtste, en Maes, doctor in de natuurlijke
wetenschappen. De heer kapitein Marna van het Oostenrijksch leger,
gekend wegens verschillige onderzoekingen in de kom van den Nijl,
vergezelde de reizigers.
Het vertrek vond plaats op 15 October.
Daar de Union Mail steam ship Company van Southampton aan de
Vereeniging het kosteloos vervoer der expeditie wel had willen
aanbieden, zoo nam deze den weg langs den Atlantischen oceaan.
Dit is de langste en kostelijkste baan.
Brussel staat in spoedige verbinding met de oostkust van Afrika langs
den weg op Brindisi; de «malle des Indes» langs het Suezkanaal en de
Roode Zee tot aan Aden; eindelijk de stoombooten van de British India
Company van deze stad naar Zanzibar. De reis vordert een twintigtal
dagen en kost ongeveer 2.500 frank per persoon.
Engeland heeft zooeven dit verkeer vervolledigd door het leggen van
een telegrafischen kabel, verbindende, langsheen de kust, zijne
bezittingen van Zuid-Afrika met Aden en bijgevolg met Europa en
Indië. De lijn is geopend sedert twee jaar. De depechen van Brussel
naar Zanzibar zijn op hunne bestemming in drij uren, langs Parijs,
Marseille, Malta, Suez en Aden. De prijs is 9,35 frank per woord. De
lijn is ingehuldigd geworden door gelukwenschen, gericht tot koning
Leopold II door sultan Saïd-Bargash.
Eene eigenaardigheid: de telegrammen komen dikwijls te Brussel aan
voor het uur hunner afzending; immers, het is middag te Zanzibar,
wanneer het nog maar negen uren te Brussel is.
Vertrokken den 18den October van Southampton aan boord van den
stoomboot de Donau, landde de expeditie slechts den 12den December
te Zanzibar aan, na binnengeloopen te zijn te Kaapstad, Algoa Bay,
Port-Elisabeth, Natal en Mozambika.
Zij werden er ontvangen door M. Greffulbe, vertegenwoordiger van het
belangrijk huis Roux, de Freissinet en Cie van Marseille, hetwelk
een kantoor heeft te Zanzibar, en ontmoetten er Henry Stanley, die
op hun eiland terugbracht de trouwe dienaars, welke hem vergezeld
hadden op zijnen prachtigen overtocht van het vasteland. De beroemde
ontdekkingsreiziger gaf nuttigen raad aan onze reizigers over de
te volgen gedragslijn, ten einde zich het welgelukken hunner reis
te verzekeren.
III
ZANZIBAR
Het sultanaat Zanzibar is een Staat van zeer jongen datum.
In 1856 stierf de Arabische sultan, die sedert een vijftigtal jaren
onder eenen zelfden schepter hield vereenigd Mascate, op de golf van
Oman in Azië, en Zanzibar, op de oostkust van Afrika; twee zijner
zonen verdeelden onder elkander zijne Staten: Souhouaini werd sultan
van Mascate, en Medjid, sultan van Zanzibar.
Deze laatste stierf op zijne beurt in 1870, en zijn broeder Bargasch
volgde hem op. Hij voert het bewind sedert dit tijdstip.
Het is nog een jonge man met een open gelaat en een vriendelijk
voorkomen. Zijne heerschappij strekt zich bij name uit over de
kuststreek en tot in het hart van het vasteland, Maar feitelijk
loopt zij uit op niets bij de negerstammen van 't binnenland en zelfs
bij de inboorlingen langsheen de zee; enkel de Arabische centrums,
zooals Tabora, Oujiji en Nyangoué, erkennen haar.
De sultan van Zanzibar bezit eene vloot van vijf stoomschepen en een
leger op zijn Europeesch; het wordt gevormd door de jongelingen van
het land, die er dienst in nemen als vrijwilligers. Deze soldaten
zijn goed gewapend en hunne roode uniform geeft in 't oog.
«Het moeilijke van de zaak is geweest,» zegde een Belgisch reiziger,
de heer Ad. Burdo, «deze krijgslieden over te halen om hunne voeten
van schoeisels te voorzien: zij wilden hunne schoenen wel dragen om
't even waar, maar aan hunne voeten nooit. Men is er eindelijk in
geslaagd, dezen weerzin te overwinnen; evenwel zijn de oefeningen
niet zoodra geëindigd, of de eerste zorg der soldaten is, zich van
hun schoeisel te ontmaken, en dan krijgt men het vreemd schouwspel te
zien van militairen in groot tenue, die barrevoets huiswaarts trekken,
hunne laarzen in de hand of aan den loop van hun geweer gehangen.»
De stad Zanzibar is gelegen op de westkust van het eiland van
denzelfden naam en op eenige uren varens van de kust van het
Afrikaansch vasteland.
Hare bevolking, die, zoowat tien jaar geleden, slechts een
twintigtal duizend inwoners telde, stijgt tegenwoordig tot omtrent de
honderdduizend. De Europeesche kolonie bestaat bijna uitsluitend uit
de diplomatische agenten der groote westelijke mogendheden, benevens
het personeel der kantoren, gesticht door eenige handelshuizen. Zij
telt een honderdtal vertegenwoordigers.
De handel is op dit eiland heel en gansch in handen van rijke Araben en
Hindoes. Deze laatste hebben zich spoedig meestergemaakt, ten nadeele
van de oude overwinnaars, van den handel met de inboorlingen van
't binnenland en de kust. Het zijn zij, die thans in 't groot aan
de Europeesche huizen de producten voortverkoopen, welke zij zich
in 't klein hebben aangeschaft. Die producten bestaan voornamelijk
uit ivoor, kopalhars, kruidnagels, kokosnoten, sesamzaad, verfmos,
caoutchouc, huiden, enz.
Terwijl de Europeesche, Indiaansche en Arabische bevolking het
zuidelijk deel der stad beslaat, dat, hetwelk zich uitstrekt langs de
kaaien en uit hooge en zware vierkante huizen in metselwerk bestaat,
bewoont de zwarte inlandsche bevolking de voorstad, welke van de
eigenlijke stad gescheiden is door een diep meertje.
De hutten van dit kwartier zijn tamelijk ellendig; het zijn rechthoeken
in vlechtwerk, bestreken met klei; de daken, in kokosbladeren, zijn
dubbel en vormen rond de hutten eene soort van overdekte galerij,
waar de bewoners zich overdag ophouden om te praten, te slapen of
zich aan hunne bezigheden over te leveren.
«Een der kenmerkende trekken van Zanzibar,» zegde Cambier, «is de
groote vrijheid, welke men er geniet. Alles is er toegelaten.
«Men legt kalkovens aan in volle straat; men breekt zijn huis af
zonder zich er om te bekreunen, of het opgehoopte steengruis het
verkeer niet zal belemmeren; de buren zoeken eenen anderen doorgang
zonder de minste opmerking te maken; men werpt water en vuil door het
venster, en wie beneden is, krijgt het op zijn hoofd; het dragen van
wapens is er niet verboden, en men ziet er dan ook de Arabische kooplui
wandelen met een heel wapenmagazijn aan hunnen gordel. Men mag zelfs
zijnen gebuur dooden; maar dan moet men de boet betalen: voor eenen
blanke of eenen Araab, 6000 frank, voor eenen neger, slechts 500.»
Sedert eenige jaren heeft Zanzibar ten opzichte van den handel een
aanzienlijk belang verworven. Uit geschiedkundig oogpunt is zij
bovendien eene plaats van eerste orde geworden. Het is immers daar,
dat sedert 25 jaar al de groote expeditiën ingericht werden, die,
van de oostkust, naar de groote meren wilden: die van Burton en
Speke, welke in 1857 op zoek ging naar het Tanganikameer, en degene
van Speke en Grant, die in 1860 de bronnen van den Nijl ontdekten;
degene van Livingstone, vertrekkende in 1866 voor zijne laatste reis,
en degene van Cameron, die in 1873 het vasteland doortrok tot aan den
Atlantischen oceaan. Zanzibar was bovendien tweemaal het vertrekpunt
van Stanley: in 1870, wanneer de befaamde onderzoekingsreiziger
Livingstone ging opsporen, en in 1874, wanneer hij zich voor drij
jaar in het duistere vasteland begroef, om er uit te komen langs den
machtigen Congostroom, welken hij afvaarde, en wiens loop tot dan
toe onbekend gebleven was.
Eindelijk is Zanzibar sedert 1877 op de Afrikaansche oostkust
het uitgangspunt der ondernemingen geworden van de Afrikaansche
Vereeniging, die er eenen vertegenwoordiger heeft.
IV
ROUW EN HERINRICHTING
Ziedaar hoe 't gesteld is met de stad Zanzibar, waar den 12den
December 1877 onze vier reizigers waren afgestapt, en waar twee hunner,
helaas! weldra een graf zouden vinden.
Den 17den Februari--twee maanden later--vernam het comiteit der
Vereeniging door een telegram uit Aden verzonden, dat de heeren Crespel
en Maes zooeven bijna schielijk bezweken waren aan de gevolgen van
het Afrikaansch klimaat.
Te Brussel was de ontsteltenis groot.
De massa des volks, weinig op de hoogte van de reusachtige
moeilijkheden der onderneming, gaf zich over aan een zeer levendig
gevoel van ontmoediging en beschouwde de zaak als verloren. Zij vergat,
dat er weinig Afrikaansche expeditiën zijn, die hunne martelaars
niet gehad hebben, en dat de wegen door het duistere vasteland,
begaan door mannen als Park, Tuckey, Clapperton, Barth, Livingstone,
Cameron en Stanley, met graven zijn bezoomd.
Van den anderen kant prikkelde die eerste tegenslag den ijver nog aan
van al degenen, die zich het gelukken der onderneming aantrokken. Hij
moedigde den naijver aan der heldhaftige mannen, die naar de eer
dongen van in dienst te treden onder het vaandel der Vereeniging. De
aanvragen kwamen in menigte toe: voor twee soldaten, in de voorhoede
gevallen, streefden er twintig uit de reserve naar het voorrecht,
hen te gaan vervangen!
Door den dood der heeren kapitein Crespel en doctor Maes, was de
expeditie verminderd tot op de helft harer leden. Bovendien, de heer
Marno het besluit genomen hebbende om den dienst der Vereeniging te
verlaten en naar Europa terug te keeren, bleef er de heer luitenant
Cambier alleen over van de vier Europeanen, waaruit aanvankelijk de
internationale expeditie bestond.
De nieuwe aanvoerder van den tocht werd geboren te Ath in 1844. Hij
behoort tot het 8ste linieregiment, is adjunct van den staf en was
verbonden aan het krijgskundig cartografisch Gesticht. Krachtig
karakter, onvermoeid werker, was de Belgische officier, door den
dood van M. Crespel thans aan 't hoofd der expeditie gesteld, in alle
opzichten het hooge vertrouwen van het comiteit waardig.
Het besloot, hem twee nieuwe gezellen toe te voegen en koos daarvoor
twee onzer landgenooten, van wie het veronderstelde, dat zij, door
hun vroeger verblijf in de heete landen, aan het tropisch klimaat
gewend waren.
M. Wautier, luitenant bij het regiment der carabiniers, had deelgenomen
aan den veldtocht van Mexiko, waar hij bewezen had, de vereischte
hoedanigheden te bezitten voor de inrichting en de aanvoering van
eenen verren tocht. De heer dokter Dutrieux was als geneesheer in
't Belgisch leger getreden, hetwelk hij verlaten had om zich te Caïro
te gaan vestigen, waar hij sedert vijf jaar verbleef.
Terwijl het personeel der eerste expeditie, een oogenblik ontredderd,
aldus volledigd werd door toevoeging van twee nieuwe leden, die
zich gereedmaakten om naar Zanzibar te komen, hervatte Cambier de
uitvoering der plannen, welke de dood zijner twee eerste gezellen
had doen uitstellen. Het uitstapje, dat hij in gezelschap van den
heer Marno had ondernomen, langs den stroom Vouami, tot aan het dorp
Kiora, had hem de volstrekte onmogelijkheid bewezen om de reis en
het vervoer der bagage te beproeven bij middel van ossenkarren, niet
alleen ter oorzake van de totale afwezigheid van wegen, de gedurige
ontmoeting van rivieren en den aard van den grond, maar ook om reden
van de aanzienlijke verliezen, welke de afmatting en de aanvallen
der tetzavlieg onder de trekdieren teweegbrengen. Cambier bevond
zich dus in de noodzakelijkheid zijne voorgangers na te volgen, en
zijne toevlucht te nemen tot dragers voor het vervoer zijner bagage,
zijner mondbehoeften en van zijn materiëel.
Maar, vooraleer aan de dragers te denken, die gehuurd worden langs
de kust en op het laatste oogenblik, heeft het hoofd eener expeditie
voor 't binnenland van Afrika duizend andere voorbereidsels te maken,
alvorens de stad Zanzibar te verlaten.
Ik blijf een poosje stil bij de inrichting eener karavaan van dit
slag, eene gewichtige zaak, waarvan dikwijls het beter of slechter
gelukken der onderneming afhangt.
V
EENE AFRIKAANSCHE KARAVAAN
De eerste stap, dien men te doen heeft bij de aankomst te Zanzibar,
is zich een lokaal aan te schaffen om de waren te bergen, die men
voornemens is te koopen, en het materiëel, dat men uit Europa heeft
meegebracht. Dit zijn: de wapens en munitiën; de natuurkundige tuigen;
het linnen, de kleederen en schoeisels; de tenten en 't beddegoed;
de artsenijen; de conserven en 't keukengerief; de werktuigen,
boeken, papier en honderd verschillige artikels, kleine en groote,
van de vischhaken en den tandenborstel af, tot het draaiorgel toe.
Wat de handelswaren betreft, die worden te Zanzibar gekocht. Zij zijn
van verschillenden aard: wit en blauw katoen, koper- en latoendraad,
groote en kleine koralen met uitgekozen tinten, gekleurde weefsels,
rood laken, kleederen, Arabische mantels of vesten, zwart of rood,
met goud geborduurd, en ten laatste, wisselpoeder, hetwelk een monopool
van den sultan is.
Al die waren dienen tot gangbare munt voor de betaling der dragers
en soldaten, voor den aankoop der levensmiddelen, voor het voldoen
van den hongo of doortochtrecht.
Eindelijk is het noodig, ook eenige kleine geschenken mee te nemen,
zooals: messen, bellen, armbanden, spiegels, bekers, enz., die men
blij zal wezen op sommige oogenblikken te bezitten, om de eene of
andere groote moeilijkheid uit den weg te ruimen.
De aankoop dier belangrijke nietigheden is een werk, dat eene
groote omzichtigheid en, op voorhand, de nauwkeurigste inlichtingen
vereischt. Want, indien de mode in Europa afwisselt, doet zij dit ook
in Afrika; nu is 't het katoen, dat gevraagd wordt, dan is 't het
glaswerk. Eene karavaan trekt voorbij en betaalt hare aankoopen in
stoffen; eene andere volgt haar en ziet zich verplicht, in hetzelfde
district, met koralen te betalen. Wat deze laatste betreft, in deze
streek worden de witte vurig verlangd, in gene de zwarte, of de
roode, of de roze, met uitsluiting van alle andere. In 1858 is Burton
gedwongen geweest, verscheidene duizenden reien kralen als nutteloos
weg te werpen; niemand wilde er van, zelfs niet «als geschenk».
Eens de koopwaren aangekocht, zal de reiziger een tiental inpakkers
huren om de vrachten klaar te maken, die zullen verschillen van 25
tot 30 Kilogram per man! Elk pak moet genummerd worden en men zal
nauwkeurig aanteekening nemen van zijnen inhoud.
Terwijl de lasten gemaakt worden, zorgvuldig in zakken van vlechtwerk
gewikkeld, zal men het geleide van Zanzibariten aanwerven. Men zal
zich vóor alles eenen kapitein aanschaffen, een krachtdadigen en
verkleefden hoofdman, die zich doorgaans, tegen commissiegeld, zal
gelasten met de soldaten of askaris te kiezen. Cambier nam er tachtig
in dienst, waarover hij zeer tevreden was. Hoewel men hen soldaten
heet, hebben die askaris niets gemeens met de militaire macht van 't
land; zij zijn gelast met de tucht der karavaan, en desnoods met hare
verdediging tegen de aanvallen der struikroovers, die zekere districten
onveilig maken. Zij worden met geweren gewapend (die van Gambier hadden
comblains) en krijgen dien ten gevolge slechts eenen geringen last,
meestendeels bestaande uit voorwerpen van dagelijksch gebruik.
Wanneer ik nu nog vermeld zal hebben de aanwerving van gidsen,
tolken en knechts, de laatste bijzonder gelast met den dienst van
kamp en keuken, dan zal ik, dunkt mij, het einde hebben bereikt van
de opsomming der voorbereidende werkzaamheden, welke te Zanzibar zelf
moeten verricht worden; en de reiziger zal gereed zijn om zich in te
schepen, met personeel en bagage, op eenige daoes, om de zeeëngte over
te steken en aan wal te stappen op Afrika's grond. Daar wacht hem een
veel ingewikkelder en moeilijker werk: de werving van dragers. Ik ga
er komen.
Cambier had gedaan met het inpakken zijner balen en het aannemen
zijner soldaten, toen te Zanzibar aanlandde, het was op 28 April,
de heer luitenant Wautier, weinige dagen nadien gevolgd van den heer
dokter Dutrieux. De drij reizigers staken zonder verwijl naar het
vasteland over.
De kust, tegenover Zanzibar, telt drij kleine dorpen, welke de
voornaamste vertrekpunten zijn der karavanen met bestemming voor
Oenyangembe en Tanganika. Het zijn: Sadani in 't Noorden, Bagamayo
in 't midden en Kaole in 't Zuiden. Gedurende de maanden Juni, Juli
en Augustus vindt men er immer een aanzienlijk aantal inboorlingen,
gereed om dienst te nemen als dragers of pagazis.
De groote hinderpaal tegen de snelheid der reizen in dat gedeelte van
Afrika spruit voort uit den aard van 't vervoer en de afwezigheid
van muntspeciën. In plaats van een vijffrankstuk of eenen dollar,
hebt gij vier meters stof noodig (een doti); een kralen halssnoer in
stede van eenen stuiver; eenen rol latoendraad bij wijze van goudstuk;
en om die lastige munt te vervoeren hebt gij noch rijtuig, noch kemel,
noch paard, noch os. De tetza, de giftige vlieg van centraal Afrika,
verspert den weg naar 't binnenland voor al de trekdieren, en de
kwestie van het temmen van den inlandschen olifant staat nog niet
verder dan de voorbereidende studie. Blijft de neger. Het aanwerven
eener bende van drie tot vierhonderd dragers is dus de laatste taak,
welke de onderzoekingsreiziger te vervullen heeft, vooraleer zich in
't binnenland te wagen. Het is verreweg de lastigste en ondankbaarste.
De eerste man, die gehuurd moet worden, is de kirangosi; het is een
invloedrijk inboorling, gelast met het besturen van de marschen, en
bestemd om de man van vertrouwen van den aanvoerder te worden. Deze
zal hem moeten weten te paaien met kleine geschenken, tusschen vier
oogen met hem den te volgen weg vaststellen, zoowel als den afstand
voor elken dag, enz., en eindelijk, hem gedurig en tegen iedereen
beschermen. In éen woord, gij moet trachten, den kirangosi altoos
langs uwen kant te hebben in uwe geschillen met de dragers. Deze
zullen u dan volgen gelijk schapen van Panurge.
De heeren Cambier, Wautier en Dutrieux kwamen dus te Sadani aan om er
hunne karavaan van pagazis in te richten en er degene te ontvangen,
welke M. Broyon--een Zwitsersch belastingpachter, door Cambier
nabij Kiora ontmoet--beloofd had, naar de expeditie te sturen. Maar
de dragers naar Bagamayo gegaan zijnde en dit dorp niet willende
verlaten voor Sadani, waren de drie reizigers wel gedwongen, zich
met heel hunnen trein naar Bagamayo te begeven.
Het aanwerven der pagazis vraagt een zoodanig geduld, dat het voor
een nieuwen reiziger nutteloos is er aan te peinzen, dit zelf te
verrichten. Hij zal zich dus moeten wenden, ofwel tot eenen Indiaan
van de streek, wiens specialiteit het is, ofwel tot het opperhoofd
van het geleide, die, tegen een te bedingen prijs, hem de noodige
manschappen zal leveren. Men moet zorgen, deze te nemen tusschen
de Oeanyamoeëzis, welke de boodschappers zijn van dit gedeelte van
't vasteland. En bovendien moet men de echte uitkiezen, zachtaardig
en gedwee, en geene Oeachetas bij voorbeeld, wier woelig karakter en
boosaardigheid de expeditie weldra zou leeren ondervinden.
De luitenant Wautier bracht alleen de werving ten einde. De heeren
Cambier en Dutrieux, beiden door de koorts aangetast, waren verplicht
geweest de gastvrijheid te aanvaarden, hun op de hartelijkste wijze
aangeboden door de Fransche missionarissen, te Bagamayo gevestigd.
Den 26sten Juni was de karavaan, dank aan een contract, gesloten
met den Indiaan Sewa, bepaald gevormd. Zij bestond uit 327 dragers,
hetgeen met de 80 zanzibaritische soldaten en knechts eene macht van
407 man uitmaakte, die onmiddellijk gevoerd werden naar eene kleine
plaats, Chamba Gonera genaamd, waar het gemakkelijker valt de tucht
te handhaven, dan te Bagamayo zelf.
VI
HET VERTREK EN HET DESERTEEREN DER DRAGERS
Op 28 Juni 1878, te 6 uren 45 minuten 's morgens, verliet de eerste
expeditie der Internationale Vereeniging het kamp van Chamba Gonera,
onder het bevel van luitenant Wautier; de trompet werd geblazen
en het blauwe vaandel met gouden ster ontrold vóor het hoofd der
kolom. De heeren Cambier en Dutrieux konden slechts eenige dagen
nadien Bagamayo verlaten en voegden zich, met de achterblijvers, den
11den Juli bij de expeditie, welke haar kamp had opgeslagen tusschen
de twee bergen Pongoué.
Al de reizigers vermelden de streek, gelegen aan den voet der kegels
Pongoué, als een prachtig land, eene soort van park met bekoorlijke
valleien en zachthellende hoogten, bekleed met een heerlijken wasdom.
Geplaatst op vijf dagreizen van de kust, op eene reeds verheven hoogte
(313 meters boven den zeespiegel), op den rechteroever van den Voeami,
welke tot daar bevaarbaar is, zou de bergvlakte van den Pongoué niet
geschikt wezen tot het vestigen eener Europeesche standplaats? Dit
moet de toekomst ons leeren.
De karavaan, onder het bevel van luitenant Cambier, hervatte haren
tocht door de hoogten, welke de vallei van den Kingani scheiden
van degene van den Voeami. Zij had den laatsten reisweg van Stanley
gevolgd van aan de kust tot aan Rosaka, en, te beginnen van dit dorp,
toog zij meer naar het noorden dan alle vorige expeditiën. Dit is,
schijnt het, de beste baan om van Bagamayo naar Mpoeapoea te gaan:
zij ontwijkt de moerasachtige vlakten der Makata.
Weldra zette men over den Voeami nabij het dorp Kingoué. Hij heeft
te dier plaatse veertig meters breedte en de overtocht der karavaan
vergde acht uren en half tijd.
De bergen van Ngoeroe en Oesagara vormen de eenige keten van belang,
welke men langs den weg naar Tanganika ontmoet. Zij zijn in drie
evenwijdige kammen verdeeld, die uitgestrekte lengtedalen van elkander
scheiden. Meer dan elk ander is Oesagara het land der bloemen, en
zijne vele vruchten hebben eenen eigenaardig zuren smaak, aangenaam
en gezond te gelijker tijd.
Het is na vijf en twintig dagen gaans en in de nabijheid van het
kleine dorp Mvomero, dat de tegenspoed met de dragers begon en deze
in menigte wegliepen. Geene enkele Afrikaansche expeditie is vrij
van deze plaag, maar die der Internationale Vereeniging had er meer
van te lijden dan alle andere.
Een verschil van gevoelen tusschen den aanvoerder der expeditie en
den kirangosi over den te volgen weg was de bron der oneenigheid. De
kapitein wilde de baan door de vlakte nemen, gemakkelijker en
aangenamer, terwijl de gids degene der bergen verlangde te volgen,
die, korter zijnde, verkozen werd door de pagazis, welke voor heel
de reis gehuurd waren en er dus alle belang bij hadden, snel te gaan.
Na een eerste geschil, gelukkiglijk geslecht, verwekte de
eigenzinnigheid van den kirangosi een nieuwen twist, die weldra
ontaardde in opstand en deserteering. Opgestookt door hun opperhoofd,
begonnen de pagazis de pakken te verscheuren, welke de stoffen tot
betaling bevatten, en weg te vluchten onder het aanheffen van een
wild geschreeuw.
De heeren Cambier en Wautier, geholpen door eenige Zanzibariten,
poogden te vergeefs door overtuigende woorden de vluchtelingen te
weerhouden. Zij zorgden vooral, alle bloedvergieten te vermijden
tusschen den troep muitende dragers en de getrouwe soldaten.
Bij den aanvang des strijds zou eene daad van brutaal gezag de
tuchtelooze bende wellicht in bedwang gehouden hebben. Maar de
zending, toevertrouwd aan de reizigers der internationale Vereeniging,
veroorloofde deze niet, gebruik te maken van hunne wapens, tenzij
wanneer hun leven zich wezenlijk in gevaar zou bevinden.
Het geval van Mvomero is den tocht van Cambier van den beginne af
komen dwarsboomen, maar heeft de Vereeniging getoond, dat het hoofd
harer eerste expeditie diep doordrongen was van de grootheid zijner
zending. Zijn gedrag is onberispelijk geweest en heeft de goedkeuring
verworven van het uitvoerend comiteit.
Gedurende heel dien noodlottigen dag (23 Juli) zetten de reizigers
de vluchtelingen na en vingen onderhandelingen aan met eenige hunner;
zij bekwamen hoegenaamd geenen uitslag. De nacht brak aan en kwam de
vlucht van eenige muitelingen nog begunstigen.
's Anderendaags morgens kon de expeditie den droevigen toestand
waarnemen, waarin het wegloopen van bijna al hare mannen haar gebracht
had: meer dan driehonderd dragers hadden den opstand van den gids
benuttigd om te deserteeren, een twintigtal vrachten weefsels
meenemende.
Er viel geen tijd te verliezen om den in gevaar gebrachten toestand
te herstellen. Hier ook nog toonde Cambier, door de snelheid zijner
besluiten, op de hoogte zijner taak te zijn.
Er werd beslist, dat men ter plaats zooveel dragers mogelijk huren
zou; dat een deel der bagage voorloopig te Mvomero zou blijven onder
de hoede eeniger verkleefde mannen, terwijl een magazijn dadelijk
zou ingericht worden in de Engelsche missie te Mpoeapoea, op negen
uren gaans van Mvomero; dat de hoofdmacht der karavaan, onder de
bevelen der heeren Wautier en Dutrieux, er de nieuwe dragers zou
afwachten, die onmiddellijk aan de kust waren gevraagd; eindelijk,
dat de aanvoerder der expeditie, met eene lichte karavaan, vooruit zou
rukken tot aan Oerambo, vanwaar, indien het noodig was, hij dragers
zou afzenden naar zijne kameraden.
Deze schikkingen werden uitgevoerd zonder nieuwe verwikkelingen en
den 8sten Augustus kwamen de reizigers te Mpoeapoea aan.
VII
BIJ DE ROOVERS WAGOGO
Mpoeapoea is eene plaats gelegen op de westelijke grens van
Oesagara, op eene helling in vorm van terras, op halverhoogte der
heuvels. Topografisch gesproken, is 't het belangrijkste punt tusschen
Bagamayo en Tabora. Al de wegen, voerende naar den Oegova, komen er
samenloopen en al de karavanen, vertrekkende van de kust of er zich
heen begevend, doen het dorp aan. De streek is gezond, beschut als
zij is door de bergen tegen den noordoostenwind. De inboorlingen
leggen er zich vooral op de veeteelt toe.
Het vlek Mpoeapoea is gewis geroepen tot eene groote toekomst, vooral
als handelstatie. Sedert het begin van het jaar 1879 is het de zetel
eener missie van de Church missionary Society, waarvan de drie leden,
de heeren Least, Bopplestone en Baxter, eene merkwaardige werkzaamheid,
volharding en practisch verstand aan den dag leggen. Zij hebben
er voorloopige lokalen ingericht, huizen en magazijnen, gebouwd
met eene soort van beton en gedekt met zeer dikke rieten daken. Op
het oogenblik, dat de karavaan voorbijtoog, begonnen zij met den
bouw van een steenen huis. In het naburige bosch is eene zagerij
ingericht. Katoen, koffie en cacao groeien er zeer goed, zoowel als
verscheidene Europeesche fruitboomen.
De Belgische reizigers werden hartelijk ontvangen door de leden der
missie en rustten er eenige dagen uit.
Zooals het vastgesteld was geworden, werden de balen in het dorp
nedergelegd, waar ook een klein kamp werd opgeslagen voor de zieken. De
heeren Wautier en Dutrieux liepen ieder op beurt over en weder tusschen
Mpoeapoea en Mvomero, en kapitein Cambier begaf zich op weg den 12den
Augustus, naar Oerambo, met een en tachtig man.
Mpoeapoea is in 't westen van den Oegago gescheiden door eene woestijn,
door Burton, Cameron en Stanley geheeten de Marenga-Mkali (bitter
water) en door Cambier aangeduid met den naam van Porry van Tchoenioe
(Porry wil zeggen: woestijn zonder water, en Tchoenioe is de naam
van een klein dorp).
Het is eene verzengde heide, waarvan de doortocht pijnlijk is voor
al de karavanen. Het is eene vlakke streek, hier kaal, daar bedekt
met dichte en stekelige struiken, waar het pad midden doorslingert;
het water is er zeldzaam, bitter en salpeterachtig.
De karavanen maken er tirikeza. Men noemt tirikeza den versnelden
marsch over verlaten en waterlooze vlakten. In de taal der kust is
koutirikeza de onbepaalde wijs van een onovergankelijk werkwoord,
waarvan de zin is: marscheeren na den middag; de Araben hebben er een
naamwoord van gemaakt, en dit drukt voor de luie pagazis de zwaarste
beproeving uit, welke men hun kan opleggen.
De tirikeza wordt derwijze geschikt, dat de karavaan, in den namiddag
opbrekend van eene plaats, waar water is, den marsch voortzettend lang
na het vallen van den avond en zoo vroeg verder trekkende mogelijk,
niet langer dan twintig uren zij zonder drinken te vinden, in stede
van dertig, gelijk het zou gebeuren, indien men 's morgens vertrok.
De Marenga-Mkali kan beschouwd worden als het begin van de hooge
middenvlakte. Cambier gebruikte achttien uren versnelden marsch om
ze over te steken, elk pagazi droeg zijn rantsoen levensmiddelen en
zijnen voorraad water.
's Anderdaags trad de karavaan in Oegogo.
Oegogo heeft eene droevige vermaardheid verworven door de plagerijen
van allen aard, welke zijne talrijke sultans, dwingelanden op kleinen
voet, de karavanen, die het land doorreizen, doen ondergaan. Van aan
de kust tot hier stellen de opperhoofden zich tevreden met kleine
geschenken, die de reiziger hun wel wil aanbieden in ruiling voor de
levensmiddelen, welke zij hem leveren. In Oegogo is het geene gift
meer, die zij ontvangen, maar eene schatting, welke zij eischen. De
doortochtrechten of hongos zijn er verpletterend, en de lange twisten,
welke hunne vaststelling doet ontstaan, verslinden schromelijk veel
tijd en vragen een geduld, dat alle beschrijving te boven gaat.
Ziehier hoe gewoonlijk de verhandeling van het hongo gebeurt. In
het dorp aankomende, moet men vóor alles beginnen, met eenige
gebruikelijke geschenken te zenden aan den sultan, zijne vrouw en
zijnen opzichter. Dat de reiziger zich wel wachte, er te veel of te
schoone te geven, want dan zullen zijne rijkdommen hoog aangeslagen
worden, en men zal hem naar evenredigheid belasten.
De gezanten zullen terugkeeren en hem de eischen van het opperhoofd
doen kennen, eischen, welke immer de juiste maat zullen overschrijden:
vandaar woordenwisselingen, geschillen, twisten. Het is dikwijls maar
na twee of drij dagen van omslachtig gekijf, dat de zaak beklonken
wordt, en de reiziger zijnen weg kan voortzetten, verlicht met
eenige pakken stof en eenige kleederen. Al de hel geverfde stoffen
van Cambier verdwenen bij dien doortocht van Oegogo, welke aan zijne
kleine karavaan meer dan vijftienhonderd frank kostte.
De Wagogo's vormen eene machtige natie, befaamd wegens hare dapperheid
in den oorlog. Wat hunne andere hoedanigsheden betreft, die zijn
geenszins beminnelijk: het zijn schreeuwers, vechters, dieven; zij zijn
niet te betrouwen bij het koopen en beoefenen volstrekt geene Schotsche
gastvrijheid; alles bij hen moet betaald worden, zelfs het water. Voeg
daarbij eene luidruchtige en onbescheiden nieuwsgierigheid en men
zal een denkbeeld hebben van de beminnelijkheid der Wagogo's. Ook
landen de karavanen bij hen nooit aan dan met een zekeren schrik,
en de aanvoerders der pagazis en askaris bevelen hunne mannen op
voorhand de grootste voorzichtigheid aan.
Ziehier, volgens Burton, de schilderachtige aanspraak van den kapitein
zijner askaris: «Maneno! Maneno! (Luistert, luistert) o Blanken, hoor
mij aan! en gij, kinderen van den Saïd, gij, zonen van Ramji, gij,
sombere afstammelingers der duisternissen, let op mijne woorden. De
reis geraakt aan Oegogo. Opgepast, opgepast! (Hevige gebaren.) Gij
kent de mannen niet, die er wonen. Zij zijn gevloekt, driemaal
gevloekt! (De redenaar stampt op den grond met den voet.) Spreekt
niet met die heidenen van 't binnenland, treedt niet in hunne hutten;
drijft geenen handel met hen; toont hun geene stoffen, noch armbanden,
noch glasparelen. (Aangroeiend rumoer.) Eet niet, drinkt niet met hen;
liefkoost hunne vrouwen niet. (Dolzinnig geschreeuw). Kirangozi, gij,
die hen leidt, houd uwe zonen tegen! Veroorloof niet, dat zij in de
dorpen omzwerven, dat zij zout koopen buiten het kamp, levensmiddelen
rooven, zich bedrinken in bier of zich nederzetten bij de putten!»
Het laatste dorp van Oegogo is Mgondoeko. Daar voorzien de pagazis
zich van mondbehoeften voor tien dagen en bereiden zich om de bittere
onaangenaamheden van den Mgonda-Mkali (Brandende vlakte) te trotseeren.
Die naam werd haar gegeven vóor veertig, vijftig jaar, door de
karavanen, welke twaalf groote marschen en verscheidene tirikezas
gebruikten om haar te overschrijden. In 1859 kondigde Burton aan,
dat de slechte faam, welke zij toen genoot, weldra slechts in de
herinnering meer zou bestaan, want elken dag deden fakkel en bijl hare
grootte inkrimpen en verminderden de bezwaren van haren overtocht. In
1871 trokken de pagazis van Stanley de Mgonda-Mkali door al zingende
en kreten van vreugde slakend, op deze vlakte, welke hunne voorgangers
gevloekt hadden. Zij vonden er den overvloed, en hun aanvoerder kon
schrijven, dat deze provincie in vruchtbaarheid niets toegaf aan de
valleien der kuststreek. Daarvoor was het voldoende geweest, dat een
vreedzaam en arbeidlievend ras zich vestigde in deze verzengde velden.
Op zijne beurt heeft Cameron in 1872 gezegd, dat, alhoewel er nog
eenige lastige gedeelten zijn, de verandering volledig is, en dat
de brandende woestijn, eertijds door de karavanen gevreesd, zonder
schrik wordt aangevat en zonder veel moeite doorschreden.
Welke aanmoediging in die feiten voor hen, die volharden! Geen
ondankbare grond en een vroege oogst. Eere dus aan de werkers,
aan hen, welke blijdschap verwekken, waar droefheid heerschte,
den overvloed in de plaats van den hongersnood, en die, de aarde
genezende van hare kwalen--de woestijn is eene melaatschheid--hare
krachten in evenwicht brengen en rustige dagen voorbereiden, gunstige
jaargetijden en zekere oogsten.
Ongelukkiglijk heeft de oorlog, door Mirambo, den vermaarden
negerkoning van Oenyamoeësi, gedurende vijf jaar tegen de Araben
gevoerd, in de Mgonda-Mkali de dorheid en verlatenheid teruggebracht,
en, in stede van de rijkdommen, waar Stanley en Cameron van spreken,
ontmoette Cambier niet anders meer dan puinhoopen.
De overtocht van de Mgonda-Mkali vroeg hem twaalf dagen (van 16 tot
28 September), binnen welken tijd de expeditie van den morgen tot den
avond doorstapte, soms een gedeelte van den nacht zelfs, wanneer de
maan den weg verlichtte.
VIII
MIRAMBO, DE ZWARTE BONAPART
Den 18den September kwam de expeditie te Ouyoui, eerste stad
toehoorende aan Mirambo. Hare aankomst werd er begroet door luide
vreugdekreten vanwege de inwoners.
Cambier ontving er het bezoek der vrouwen, welke beurtelings
dansen kwamen uitvoeren vóor zijne deur en den lof bezingen van den
vreemdeling. Dit gebruik is algemeen in al de dorpen van Oenyamoeësi,
en het is de gewoonte, te dezer gelegenheid eene uitdeeling van parels
te doen.
Den 23sten liet Cambier, volgens de regels der plaatselijke beschaving,
twee zijner mannen Mirambo van zijne aankomst verwittigen, en den
tweeden volgenden dag, toen hij omtrent den middag de verblijfplaats
van den Moeami (titel des sultans) naderde, zag hij Mirambo op een
honderdtal passen van zijn tembe (woning) hem te gemoet komen.
De sultan van Oenyamoeësi is een man van ongeveer vijftig jaar, rijzig
van gestalte, niet diklijvig, met een schrander uiterlijk. Hij laat
niet gemakkelijk zijne indrukken waarnemen en vestigt nooit zijnen
blik op zijnen medespreker.
Het kan niet geloochend worden, dat zijn verstand de middelmaat van
dat der negers overtreft. Hij bezit vooral eene zeldzame hoedanigheid,
die hem eene onbetwistbare meerderheid geeft over zijne onderdanen en
mededingers: het is van eene beslissing te kunnen nemen en vervolgens
met snelheid te handelen, vaak zelfs buiten wete van hen, die hij
voor de uitvoering zijner plannen gebruikt. Die vlugheid van besluit
verzekert hem in zijne oorlogen tegen zijne buren het voordeel van
zich altoos op het onverwachts te vertoonen.
Uit vrees hem elk oogenblik aan het hoofd zijner benden te zien
aanrukken, verkiezen de sultans der ommelanden de erkenning zijner
opperheerschappij en betalen hem schatting. Het is aldus, dat hij
zich sedert lang den bijnaam heeft kunnen toeëigenen van «Mirambo»,
welke beteekent: «degene, vóor wiens voeten men geschenken nederlegt.»
Eenvoudig inlandsch opperhoofdje van het district van den Oehioea,
heeft hij zich aldus door zijnen moed en zijne woelige krachtdadigheid
eenen naam verworven, even bekend als die van Mtesa, den machtigen
koning van Oeganda, eenen naam, dagelijks uitgesproken van Nyangoué
tot Zanzibar, en die tot onderwerp dient voor de zangen der inlandsche
barden.
Mirambo en Cambier, elkander naderend, wisselden eenen salam
(goedendag) en een handdruk; daarna begaven zij zich naar de hut, welke
het zwarte opperhoofd voor zijn blanken gast had doen gereedmaken. De
Moeami deed den reiziger ondervragen door een Arabischen tolk over het
doel zijner reis, luisterde aandachtig naar zijne antwoorden en wilde
weten, of hij van dezelfde nationaliteit was als de Engelschen. Hij
stond hem al de dragers toe, welke hij verlangde, maar vroeg vooreerst
de uitwisseling van bloed.
Dit is eene plechtigheid, welke hoog aangeschreven staat in centraal
Afrika. Zij greep plaats den volgenden dag in de woning van den sultan.
Een der soldaten van Moeami maakte eene lichte insnede in de borst
van den kapitein, terwijl een der Zanzibariten van dezen dezelfde
bewerking deed bij Mirambo.
De enkele druppels bloed werden opgevangen op twee versche bladeren
en onder een weinig boter gekneed. «Indien het eenen uwer gebeurt,
zegde daarop een der helpers, te kort te komen aan de heilige
broederlijkheid, dan zal hij verscheurd worden door leeuwen, vergiftigd
door de slang, zijn voedsel zal bitter zijn, zijne vrienden zullen
hem verlaten, zijn geweer zal stukspringen in zijne hand; kortom,
alwat slecht is zal hem vervolgen totterdood!»
Waarna de twee opperhoofden elkander wederzijds de gewijde bladeren
boven het hoofd verscheurden. Zij waren broeders en elke daad van
vijandschap tusschen hen moest noodlottig voor gevolg hebben den dood
van den meineedige. Zóó wil het volksgeloof dit.
Stanley, die insgelijks de broeder van Mirambo is, is teruggekomen op
het eerste oordeel, hetwelk hij over hem had uitgebracht. De sultan,
dien hij in 1871 bevochten had als bondgenoot der Araben van Tabora,
nam hem bepaald voor zich in in 1875, toen hij hem ontmoette in
Oerambo.
«Hij heeft, zegt hij, elk denkbeeld omgeworpen, dat ik had opgevat over
den gevreesden man, dien ik brandmerkte als bandiet». Wat er van zij,
heden nog weet men niet zeker, of Mirambo een te wenschen bondgenoot
is of een te vreezen tegenstrever. In alle geval, de nabuurschap der
Europeesche standplaatsen kan niet anders dan een heilzamen invloed
uitoefenen op den machtigen potentaat van Oenyamoeësi.
De tegenwoordige hoofdstad van den Moeami ligt ten noordwesten van
Tabora. Het is een groot vierkant van tweehonderd meters zijde,
met dikke muren omgeven, waarlangs een honderdtal hutten geschaard
zijn, bewoond door de voornamen. Die stad werd door haren stichter
«Thierra-Magazy» geheeten. De Engelsche missionarissen, die er zich
pas nedergezet hebben, noemen haar ook in hunne brieven «koei-koeroe»,
wat «hoofdstad» beteekent.
Zij telt eene bevolking van eenige duizenden inwoners, verspreid over
verscheidene groote dorpen, gelegen in de omstreken. Het leger, dat het
groot opperhoofd er in oorlogstijd kan bijeenbrengen, bereikt ongeveer
3000 man, naar men zegt. Al de sultans van Oenyamoeësi leveren hem
een contingent, en degenen, die niet willen of niet kunnen deelnemen
aan den veldtocht, zenden hem, bij zijnen terugkeer, eene schatting
in ivoor of slaven.
Cambier bracht drie maanden in de hoofdstad van Mirambo door met
dragers te huren en de hoofdmacht der expeditie af te wachten. Koorts
en roodeloop, die hem gespaard hadden onder de reis, tastten hem
herhaaldelijk aan tijdens zijn verblijf te Thierra-Magazy. Niettemin
schokte geene enkele dezer ongesteldheden ernstig zijne gezondheid,
en de genezing volgde immer snel en volledig.
Terwijl de aanvoerder van de expeditie bij Mirambo uitrust, keeren
wij op onze stappen terug, naar Mpoeapoea, waar wij de heeren Dutrieux
en Wautier met de bagage en het materiëel gelaten hebben.
IX
DE DOOD VAN WAUTIER
Dank aan de krachtdadigheid van M. Greffulbe, agent van het huis
Roux, de Fraissinet en Cie te Zanzibar, dank ook aan de vriendelijke
tusschenkomst van den E. V. Stefanus, opperste van het Fransche huis
van Bagamayo, hadden nieuwe dragers, in voldoende getal, de karavaan
versterkt te Mpoeapoea, en den 15den October begaf deze zich weder
op marsch, onder het bevel van den luitenant Wautier.
Het oproer der pagazis te Mvomero had dus aan de eerste expeditie
niet alleen eene nogal aanzienlijke som gelds gekost, maar ook een
verlies van tijd van twee maanden en half. Dit was gelukkiglijk
niets in vergelijking met de levendige onrust, in België ontstaan
ten gevolge van een valsch gerucht, door de dagbladen verspreid,
en volgens hetwelk de Belgische expeditie, aangevallen door een
inlandschen stam, overmand en uitgeroeid was geworden.
Het doortrekken van Oegogo gebeurde langzaam, ter oorzake van de zich
immer vernieuwende geschillen over den hongo; dit vroeg zes weken,
maar bood geen enkel merkwaardig voorval aan.
Bij Kironda, niet ver van het dorp Simbo, voegde zich de expeditie
bij eene karavaan, welke M. Broyon naar de Engelsche missionarissen
van Oejiji geleidde, en die zich gereedmaakte om de Mgonda-Mkali over
te steken.