Eensklaps boog Dorus zich uit het venster en riep: "Bop!"

"Waf!"

"Geef attentie, Bop! Hoeveel is tweemaal twee?" Dorus maakte een

bijna onmerkbaar teeken met de hand en sprak op den echten kermistoon.

"Waf! waf! waf! waf!" blafte Bop.

"Hoort u 't?"

"Heel aardig! Nu houd hem dan maar bij je, maar je moet je afwennen

om zoo raar met hem te spreken."

"Ja, meneer!"

De oude heer Tournel, aan wien voorloopig door dokter Abels Dorus'

opleiding was toevertrouwd, leefde stil en bedaard met Augusta, zijn

kleindochter, een wees, in de provinciestad, aan welker uiteinde de

villa van den dokter stond. 't Was een vriendelijk man en een type

in zijn soort: als leeraar der muziek uitstekend, als executant niet

boven het middelmatige zich verheffend.

In het kleine stadje evenwel beschouwde men hem als een soort van

phenomeen, want Tournel arrangeerde bij elke gelegenheid toepasselijke

stukken.

Voor de zangvereeniging Polyhymnia schreef hij koren en soli, voor de

gymnastiekvereeniging Hercules een feestmarsch en voor het zangkoor

in de Luthersche kerk kerstliederen en paaschgezangen. Behalve

orgel, Zondags in de Groote kerk, speelde hij viool en dirigeerde

de orkestvereeniging Orpheus en het zanggezelschap Polyhymnia,

gaf pianolessen aan de jonge dames, onderwees violoncel en leerde

klarinet spelen aan den eenigen dilettant, die zich in het stadje

aan dat instrument waagde.

"Methode," was zijn geliefkoosd stopwoord,--"School," het tweede,

wat hij gebruikte. 't Was geheel een musicus van den ouden stempel;

hij dweepte met Bach en Beethoven, vereerde Mozart, Meyerbeer en

Mendelsohn, en zag met eenige minachting neer op den in de mode

komenden Offenbach en andere dergelijke "muziekfabrikanten", zooals

hij ze noemde.

Er lag over zijn geheele persoon een waas van klassieke waardigheid,

dat bijna op de grenzen van het vermakelijke kwam. Geen zweem van

artistieke losheid lag er in den vorm van zijn hoofdhaar, dat geheel

achterover gekamd als door een grijzen sluier de schedelhuid liet

doorschemeren. Zijn diepliggende grijsblauwe oogen zagen eenigszins

mat de wereld in en met zorg gekweekte bakkebaarden, steeds kort

geknipt, begrensden een paar bleeke wangen, die zich alleen dan

hooger kleurden, als hij zich in Polyhymnia ergerde over de sopranen

of alten, die geen maat wisten te houden, hoezeer hij ook met zijn

schepter zwaaide of met den rechtervoet stampte. In zijn mond, die

goed besneden, meestal vriendelijk lachte, stonden een paar tanden te

veel vooruit en gaven daardoor iets zonderlings aan het overigens vrij

regelmatige gelaat. Hij was gewoon een pince-nez te dragen, die hem,

zoodra hij op repetitiën in vuur kwam, regelmatig van den neus viel,

en hij dweepte met lange gekleede jassen, die door een staanden boord

en een zwarte halsdas waardig werden ter zijde gestaan, om aan zijn

geheelen persoon een deftig uiterlijk te geven. Zijne kleine handen

waren bijzonder zorgvuldig verpleegd en zijn voeten staken altijd in

keurig net schoeisel. Hij was van Fransche afkomst, en zij, die dit

wisten, verklaarden dat hij de voorliefde en zorg voor zijn handen

en voeten daaraan dankte.

Zijn kleindochter Augusta, die sedert den dood harer ouders bij

hem woonde, was het zonnetje in huis; hij had zijn kleinkind, dat

zoo vroeg reeds wees werd, afgodisch lief, en als het bruingelokte

hoofdje van het bijna veertienjarige meisje zich vertrouwelijk tegen

zijn arm legde en het fijne handje zijn wangen liefkoosde, terwijl

de donkere fluweelige oogen zoo innig hartelijk in de zijne keken,

was er niet veel wat de oude aan zijn kleinkind weigeren kon.

Augusta was niet bepaald mooi te noemen; het krullend, bruine haar

en de prachtige oogen waren haar grootste sieraad; voor het overige

was haar gezichtje goed besneden, ofschoon de ietwat te groote mond

er iets onregelmatigs aan gaf.

De nog weinig ontwikkelde vormen en de eigenaardige onbeholpenheid

aan haar leeftijd eigen, maakten, dat haar vrij lang opgeschoten

gestalte bij den eersten indruk weinig aantrekkelijks had; bij nadere

kennismaking en opmerkzame beschouwing echter was het aan te nemen,

dat zich uit de nog slechts half ontloken knop weldra een schoone

frissche bloem ontwikkelen zou.

Iets was er, wat iedereen aangenaam bij haar aandeed, namelijk haar

melodieuse stem, en grootvader Tournel was er trotsch op als kenner te

kunnen zeggen: "Augusta zal eenmaal een sieraad van Polyhymnia worden,

zoodra ze wat meer "school" heeft."

Een nicht van Tournel, juffrouw Barbara, bestuurde het kleine

huishouden en hield rekening met de inkomsten, iets wat de

muziekmeester zelf niet deed. In dat opzicht was hij artistiek en

had geen "school". Ware Barbara er niet geweest om, zooals zij het

noemde "den duim op 't laadgat te houden", Tournel zou het lot gedeeld

hebben van velen zijner kunstbroeders, die meer schulden hebben dan

contanten en die van de hand in den tand leven. Nu echter heerschte

er een zekere mate van welgesteldheid in het gezin, en al wees de

huishoudelijke balans gewoonlijk geen batig saldo aan, toch sloten

Debet en Credit op weinig na.

't Was niet tegen te spreken, dat juffrouw Barbara, al was 't dan

ook maar zachtjes, de pantoffel hanteerde, maar zij deed het met

verstand en overleg, en ofschoon de toon van haar humeur enkele malen

"in mineur" klonk, zooals Tournel beweerde, was zij toch goedhartig

en braaf, ja zelfs te braaf, te vroom naar den zin van haar neef,

die, volstrekt niet kerksch, zich met Barbara's begrippen over den

godsdienst niet vereenigen kon en beweerde, dat zij alleen de dominees

naliep, omdat het zoo de mode was.

Toch was het niet zoo. Juffrouw Barbara was een nauwgezet mensch,

die de uiterlijke vormen van den godsdienst in eere hield, haar

lievelingspredikant had, getrouw elken Zondag naar de kerk en viermaal

's jaars naar 't avondmaal ging. Zij bad voor het eten lang, at gauw

en dankte weer lang. Hoekig en beenig van gestalte, met een grof tanig

gelaat, kleine, scherpe, donkere oogjes en een weinig vaalbruin haar,

droeg zij haar muts en haar vijf-en-veertig-jarigen maagdelijken

staat met gelatenheid.

Toen Tournel haar den voorslag van dokter Abels, om Dorus in huis te

nemen, mededeelde, had zij haar wenkbrauwen gefronst en gezegd: "Als je

er wat mee verdient, Tournel, is 't goed, maar anders zou ik er niet

op gesteld zijn zoo'n kermisklant in huis te nemen. 't Is gewoonlijk

raar soort, halve heidens, die van God, noch zijn gebod weten; als ik

last van den jongen krijg, moet hij de deur uit. 'n Virtuoos steekt in

dien jongen, zeg je? 't Zal wat wezen, als 't voor de heeren komt..."

Augusta daarentegen had zich op de komst van Dorus verheugd. Vooral de

omstandigheid, dat de knaap "kermisklant" was geweest, maakte hem in

haar jeugdig oog belangwekkend en haar levendige verbeelding tooverde

haar een vluggen clown, vol jolige grappen en kuren, voor de oogen.

Tournel, geheel vervuld met de gedachte aan het onmiskenbaar talent van

den jongen, had met geen enkel woord van zijn mismaaktheid gesproken;

hij zag in hem alleen den muzikant, niet den bultenaar.

't Was dus geen wonder, dat op den avond, toen Dorus voor 't eerst

de woning van den muziekmeester binnentrad, Augusta een kreet van

teleurstelling niet kon onderdrukken en halfluid uitriep:

"Ba! een bochel!"

Juffrouw Barbara zei: "Wat een ongelukkige kromme krates", en Tournel

antwoordde: "Dat doet er niet toe; hij heeft talent."

Nog nooit had Dorus zich zoo vreemd en onbehaaglijk gevoeld als in

den eersten tijd, toen hij bij Tournel was. Hij had een gewaarwording,

alsof men hem in een kooi had opgesloten! Instinctmatig gevoelde hij,

dat hij er misplaatst was; maar vlug van begrip en bevattelijk als

hij was, opmerkende en in zijn brein verwerkend wat hij zag, hoorde en

ondervond, verdween dat gevoel van dwang en gedruktheid spoedig genoeg.

Hij lette op, hoe de anderen deden, als zij aan tafel zaten; en

juffrouw Barbara zelfs zeide: "Hij merkt goed op en neemt aan; hij

zit nu al fatsoenlijker bij 't eten en dat is al veel, want je kunt

aan iemand zien van welken komaf hij is, naarmate hij aan tafel zit."

Augusta riep nu niet meer: "Ba! een bochel," want eenige maanden waren

voldoende geweest om haar een zekere genegenheid voor den knaap in

te boezemen en hem zelfs tegen de soms vrij heftige uitvallen van

nicht Barbara te beschermen.

Dorus van zijn kant deed alles wat mogelijk was om zich aangenaam te

maken; hij bewees duizend kleine diensten in het huishouden, zonder

dat men er hem om vroeg en zijn oogen glinsterden van vreugde, als

Augusta hem met een vriendelijken blik er voor dankte.

Met juffrouw Barbara stond hij soms op niet al te goeden voet;

haar meestal knorrige toon van spreken hinderde hem, en als haar

humeur in "mineur" gestemd was, stond het zijne in denzelfden toon:

eenmaal zelfs, toen zij om de een of andere kleinigheid boos geworden,

zich het woord "kermisklant" liet ontvallen, vergat hij zich zoover,

dat hij haar "een serpent" noemde.

Bijna had dat woord aan zijn verblijf bij Tournel een plotseling

einde gemaakt, en 't was Augusta, die hem overreedde om aan nicht

Barbara vergiffenis te vragen voor dit woord.

Trouwhartig zei Dorus: "'k Doe het, omdat u het hebben wilt,

jongejuffrouw, en ik zal haar zeggen, dat 't mij spijt, maar dat ze

toch een serp...."

"Stil, Dorus! zoo moog je niet spreken; je hebt ongelijk," antwoordde

Augusta, terwijl ze haar hand op zijn arm lei.

"Ben ik dan nu nog een kermisklant?"

"Neen, dat niet, maar je bent somtijds wel wat ruw."

"Ben ik dan een heiden, zooals zij zegt, omdat ik me in de kerk

verveel en liever thuis viool studeer?"

"En waarom ga je er dan naar toe?"

"Omdat u het graag heeft; om juffrouw Barbara doe ik 't waarachtig

niet."

"Zoo; maar je moet er om je zelf heen gaan."

"Om mij zelf?"

"Ja, omdat God 't wil."

"Hm! 't zal God wat kunnen schelen, of een jongen als ik in de

kerk komt."

"Foei, Dorus, je moogt niet spotten." Augusta kon nauwelijks een

lach bedwingen.

"Ik spot niet."

"Dat doe je wel. Je bent ook nog wel een beetje heiden want als wij

aan tafel 's middags bidden, dan...."

"Dat is ook geen bidden, jongejuffrouw."

"Niet? Wat is dan bidden?"

"Dat weet ik zelf niet recht."

"Heb je dan nooit gebeden, wezenlijk gebeden?"

"Ja, éénmaal." Plotseling werd Dorus' gelaat ernstig en bleek, zijn

oogen vestigden zich een oogenblik als op iets, dat in de verte alleen

voor hem zichtbaar was, en hij herhaalde zachtjes: "Ja, éénmaal,

toen heb ik geloof ik, wezenlijk gebeden."

Krates: Een Levensbeeld · 第 23 / 47 题