Verwonderd keek Augusta hem aan, terwijl zij vroeg: "Wanneer, Dorus?"

"Toen _zij_ stierf, daar 's morgens vroeg in de herberg te

Groenendaal. Ziet u, jongejuffrouw, destijds wist ik het zelf niet,

maar nu geloof ik, dat ik toen gebeden heb; en zóó bidden ze in de

kerk niet, ook niet op de catechisatie, waar ik naar toe moet."

"Moet?"

"Nu, waar ik naar toe ga, als u dat liever hoort; juffrouw Barbara

heeft 't mij gebakken, dat ik er heen moet, om...."

"Ha, ha, Dorus, wat sla je weer door," lachte Augusta. "Dokter Abels

vond het ook goed, en daarom .... Zie je wel, dat je nog een heiden

bent en ruw; wie zegt er nu "gebakken".

"Ik zal het niet meer zeggen, jongejuffrouw."

Langzamerhand veranderde Dorus zoowel innerlijk als uiterlijk De

invloed van de beschaafde omgeving, waarin hij zich bevond, deed zich

duidelijk merkbaar gevoelen. Ontsnapte hem nu en dan nog eens een ruw

woord of een onhebbelijke uitdrukking, dan was een verwijtende blik

van Augusta, of een fronsen der wenkbrauwen van Tournel voldoende

om hem te doen begrijpen, dat hij verkeerd had gedaan. Met ijver

en lust had hij zich op de studie van zijn viool-methode toegelegd,

en als hij voor zijn lessenaar stond met het instrument onder de kin

en den strijkstok in de hand, netjes en eenvoudig gekleed, zag hij

er niettegenstaande zijne mismaakte gestalte fatsoenlijk uit.

't Kostte hem geen geringe inspanning om weer van voren af aan de

geheele _Violinschule_ van Kreutzer door te studeeren, maar Tournel

hield niet op om hem het groote nut van die studie voor oogen te

houden, en toen een half jaar verloopen was, zei de oude muziekmeester,

hem goedkeurend de hand op het hoofd leggend: "Je gaat goed vooruit,

Dorus; je stand is goed, de stokvoering wordt beter en je toon is

veel krachtiger. Wanneer je zóó je best blijft doen, dan kun je al

gauwer dan ik dacht naar een conservatoire gaan".

Hoe glinsterden de bruine oogen van den knaap bij zulk een loftuiting,

en hoe vriendelijk vroeg hij dan: "Mag ik nu ook nog eens een half

uurtje phantaseeren?" Niet al te dikwijls stond Tournel het hem

toe, en deed hij het, dan zei hij met een barsch gezicht: "Nu, een

kwartiertje dan, maar langer niet; je speelt toch nog niets degelijks."

Dorus had eens moeten weten, dat, iederen keer als hij zijn phantasie

op de viool den vrijen teugel liet, zijn mentor in de kamer beneden

of er naast zat te luisteren en dat hij dikwijls Augusta riep, om met

hem te hooren naar "dien wildzang", die hem herhaaldelijk de woorden

ontlokte: "'t Is bepaald eenig; dat's een discipel, daar ik plezier

van zal hebben."

Gedurende den tijd, dat Dorus bij Tournel in huis was, kreeg

hij behalve muziek, dank zij de vrijgevigheid van dokter Abels,

in allerlei andere vakken les. 't Was ongeloofelijk welke moeite

de jongen zich gaf om te leeren. Het had er iets van alsof men een

uitgehongerd mensch plotseling een rijk maal had voorgezet en deze

alles op eens trachtte in te zwelgen.

In korten tijd maakte Dorus groote vorderingen, hij verslond boeken

en noten om 't hardst; maar evenals de onverzadelijke, die te snel

eet en te veel op eens, zich de maag overlaadt en onpasselijk wordt,

zóó ging het ook hem. Hij zag er bleek, afgemat en zwak uit. Niemand

had 't evenwel opgemerkt dan juffrouw Barbara, die niettegenstaande

zij dikwijls om allerlei kleinigheden met Dorus kibbelde, den knaap

toch gaarne mocht lijden en hem even goed, zoo niet beter dan een

der andere huisgenooten, verpleegde en bewaakte. Zij merkte ook het

eerst op, hoe Dorus begon te hoesten en te kuchen, hoe zijn eetlust

verdween, en hoe zijn groote oogen mat van uitdrukking werden en diep

in de kassen lagen.

"'t Is net of de jongen langer en magerder wordt," zei ze tot Tournel.

"Hij groeit, Barbara!"

"Jij laat hem te hard werken, Tournel."

"Ik?"

"Ja, jij! Je moet zoo'n jongen ook wat rust gunnen. Maar je bent

altijd zoo geweest; men kan nooit genoeg doen naar jou zin; 't is

jagen, jagen, jagen!"

"O, zoo, heb ik het weer gedaan?" pruttelde de musicus.

"O! dacht jij dan soms, dat ik dien jongen zoo aanzette om te

studeeren? Zet nu maar zoo'n onnoozel gezicht niet; je weet heel

goed, dat...."

"Dat jij vandaag weer in de "kleine terts" bent gestemd. Adieu!"

"Ja, daarmee zou jij je wel van alles willen afmaken, met dat adieu;

ik zeg je, Tournel, dat ik den jongen zoo niet langer in huis wil

houden. Ik bedank er voor om voor ziekenoppaster te moeten spelen."

"Maar, Barbara! de jongen studeert uit eigen beweging zooveel en...."

"Wel zeker, veeg jij je pad maar schoon; nu heeft de stakker 't zelf

gedaan, hé?"

"Natuurlijk, 't is zijn eigen wil...."

"Zet jij hem dan niet elken dag meer en meer aan? 'k Word naar van

dat onophoudelijke gezaag daarboven; ik hoor tegenwoordig niet anders

dan études."

"Mijn goeie Barbara, bemoei jij je nu asjeblieft met de keuken en

kom weer in "majeur"; wil je?"

"Die flauwe oudbakken aardigheid van je kan ik missen; begrepen?"

"Ze gaat over met een dissonant, die zich niet oplost," pruttelde

Tournel, terwijl hij de deur uitging.

"Drink jij dat eens op, Dorus," zei Barbara een half uur daarna,

terwijl zij hem een kop bouillon, waarin zij een ei gemengd had,

voorhield; je ziet er slapjes uit. Je bent toch wel?"

"U is wel goed, juffrouw Barbara, maar ik kan het heusch niet drinken;

't staat me tegen," antwoordde de knaap, terwijl hij moede en mat op

een stoel bleef zitten.

Een dag of wat later had Dorus een hevige koorts, die hem noodzaakte in

bed te blijven; de koorts hield aan en een zware drukkende hoofdpijn

deed hem voortdurend kreunen, terwijl hij nu en dan onverstaanbare

woorden mompelde.

Dokter Abels, aan wien men kennis had gegeven, dat zijn beschermeling

ongesteld was, kwam dadelijk en verklaarde, dat de knaap zich overwerkt

had en dringend rust behoefde.

"Ik zal hem eens een dag of veertien bij mij buiten nemen; dat zal

hem goeddoen."

Dorus hield rust, en toen de koorts voorgoed verdwenen was, bracht hem

het rijtuig van dokter Abels naar diens villa. Zwak en zenuwachtig kwam

hij er aan, tot ergenis van den tuinman, die bij zijn aankomst zei:

"'k Kan maar niet begriepen, wat de dokter veur oarigheid an zoo'n

jong hêt."

Krates: Een Levensbeeld · 第 24 / 47 题