Wat was er van Dorus geworden, sedert den treurigen morgen, waarop
hij bij juffrouw Keetje's sterfbed knielde?
De arme knaap, die op dien ochtend alles verloren had wat hem lief en
dierbaar was op de wijde wereld, was instinctmatig naar dokter Abels'
woning gesneld.
Plotseling stond hij met bleeke wangen en ontdaan gelaat voor
Albertine, die met haar vader in den tuin een morgenwandeling deed.
"Ze is dood, van morgen gestorven!" was alles wat hij uitbrengen kon,
terwijl hij met de handen voor het gelaat op de tuinbank neerviel.
Medelijdend zagen dokter Abels en zijn dochter den armen jongen aan,
die, overweldigd door zijn smart, zijn tranen hun vrijen loop liet
en op niets en niemand scheen te letten.
"'k Zal wat voor dien jongen doen", zei de dokter tot Albertine,
terwijl hij zijn rijtuig liet inspannen om naar de herberg te
Groenendaal te rijden.
Juffrouw Keetje was begraven. Het was een aandoenlijk tooneel geweest,
toen de acrobaat Carlo en de zijnen aan de afgestorvene de laatste
eer bewezen. De sterke man beefde als een riet en weende luid, toen
de kist in den schoot der aarde wegzonk...
"Dat is mijn ondergang," mompelde hij herhaaldelijk, toen ze van de
begrafenis terugkwamen. "Dat's mijn ondergang," herhaalde hij een paar
dagen later met zware tong, toen hij weer in de tent moest optreden
en niet kon, omdat hij... te veel gedronken had.
Arme Carlo! ongelukkige, zwakke sterke man, te zwak om alleen te
staan, uw steun, het tengere, vrouwtje is van u weggenomen en 't
verdriet om haar gemis doet u terugkeeren op het pad, dat ge, door
haar zachte hand geleid, zoo lang gemeden hadt. Wat Dorus betreft, hij
kon niet meer in zijn hansworstenpak optreden, 't was hem onmogelijk,
en trots de dreigementen van Carlo's mededirecteur Hermans bleef hij
weigeren. Viool spelen wilde hij wel, maar toen Hermans 's avonds
zijn spel hoorde, riep hij kwaad en driftig: "'t Lijkt wel een
treurzang. Als jij zoo speelt, jaag je het publiek mijn tent uit;
kijk naar Carlo, dat is eerst een kerel. Wel drinkt hij een borrel
en was een paar dagen in de war, maar hij heeft toch nooit zoo goed
gewerkt als nu; jij bent een sentimenteele stumperd, een huilebalk;
je hadt aanspreker moeten worden."
Alleen de oude Löbell nam hem 's avonds na de voorstelling ter
zijde en vroeg medelijdend: "Bin jij nou nog zoo schwermoedig,
Boeckelorum? Je hebt gespielt, das ich, weiss Gott, de thränen in
de augen kreeg. Jongens, wat een schade oend jammer, dat jij nicht
voor de moeziek wordt opgebracht; 'k wol, dat ik geld had; ich liet
je stoedeeren, wenn's auch op das jammerholz ist."
Gelukkig voor Dorus was Löbell niet de eenige, die er zoo over dacht,
en had dokter Abels hetzelfde denkbeeld gekregen.
Korten tijd na Keetjes dood had hij opzettelijk in gezelschap van
Albertines muziekmeester in een naburige plaats eene voorstelling
van het _Théatre des Nouveautés_ bijgewoond en Dorus nogmaals hooren
spelen.
De oude muziekmeester was geheel en al oor geweest, en toen hij
eindelijk verrukt zei: "Die jongen kan een groot man worden; 't
is een talent, zooals ik zelden heb gehoord," stond dokter Abels'
besluit vast om den knaap uit de hem onwaardige omgeving te verlossen
en voor de kunst te behouden.
Dorus wist niet wat hij antwoorden moest, toen de dokter hem vroeg:
"Heb je lust om te studeeren voor musicus? Wil je van Carlo
vandaan?" De knaap stond sprakeloos van vreugdevolle, dankbare
verbazing, keek met groote verwonderde oogen dokter Abels aan, greep
eensklaps zijn handen, kuste die en stotterde : "Ik kan niets meer
zeggen, meneer!"
Met leedwezen zag de directie van het _Théâtre des Nouveautés_ hun
hansworst vertrekken. Carlo bromde: "Dat heb je er nu van, als je een
jongen van de straat opneemt; als hij wat kan, snijdt hij uit." Hermans
beweerde : "Sedert hij op de viool krast, is hij voor paljas toch niet
meer te gebruiken." Maar de oude Löbell zei, terwijl hij Dorus met
het mondstuk van zijn pijp op 't hoofd tikte: "Doe schwerenöther! noe
kann noch 'mal was rechtes aus jou werden; schade oend jammer, dat
jij kein broest voor die trompete hévt! Adjé! kerlchen, mach's goed."
Het kostte Dorus weinig moeite om afscheid te nemen van het geslacht
Carlo en de overige leden van het gezelschap. De toekomst lachte
hem rooskleurig tegen; zijn hoogste wensch zou vervuld worden; hij
zou muziek leeren! Nauwelijks kon hij aan zooveel geluk gelooven; 't
overstelpte hem; hij was zenuwachtig en gejaagd, en eerst toen hij in
den postwagen zat, die hem naar de stad zou brengen, werd hij kalmer.
's Avonds laat kwam hij in het huis van den muziekmeester Tournel,
aan wiens zorgen zijn beschermer hem had toevertrouwd, aan, en toen
hij in het kleine kamertje, dat hem als verblijf werd aangewezen,
ter ruste zou gaan, zuchtte hij: "Als het maar geen droom is."
Neen! 't was geen droom; daar lag immers zijn viool op tafel; daar
stond in den hoek een muzieklessenaar en daar, op den stoel, hing
een nieuw pak kleeren, zoo goed als hij er nog nooit een had aangehad.
Toen hij den volgenden morgen vroeg ontwaakte, scheen de zon warm en
vriendelijk in zijn kamertje, blonk glinsterend op de daken en speelde
met het loof der boomen van het kleine tuintje achter het huis. Zijn
oude viool scheen hem op tafel toe te lachen, 't Was alsof zij hem
toeriep: "Goeden morgen! Zie je me niet? Hier ben ik."
't Was nog doodstil in huis. Hij luisterde; niets bewoog zich. Zonder
gedruisch opende hij het venster; zoel en geurig stroomde de frissche
morgenlucht in het vertrekje, een vogel zong in den tuin en een bij
gonsde naar binnen.
Hij ademde met wellust de heerlijke lucht in. Snel kleedde hij zich
aan en keek met aandacht naar de bij, die vergeefsche pogingen deed
om weer naar buiten te komen.
"Szoemm! szoemm!" gonsde het insect en stootte tegen de vensterruit.
"Wou je er uit, kameraad?"
"Waf! waf! waf!" klonk een kort blaffen buiten.
"Boppie!" Dorus boog zich uit het venster.
"Waf! waf!"
"Ouwe jongen, ben jij daar? Hoe kom je hier? Ben je mij nageloopen?"
"Waf!"
"Koest dan! Boppie, koest dan, spring niet zoo op; je kunt toch niet
bij mij; koest, dan, Bop!"
't Blaffen buiten ging over in een zacht gejank. 't Werd weer stil
in den tuin.
"Dat's aardig," lachte Dorus in zichzelf, "hij is me nageloopen. Goed
beest!" Hij zag naar buiten. Boppie lag rustig in 't grasperk en keek
omhoog naar 't openstaande venster. Zijn stompje staart kwispelde
onophoudelijk heen en weer, en toen hij Dorus weer aan 't raam zag,
blafte hij zachtjes.
"Koest!"
"De viool op tafel ziet er vandaag heel anders uit dan gewoonlijk,"
dacht de knaap. "Ze is veel glimmender dan vroeger; ik wou wel eens
hooren, of ze ook mooier klinkt. Ze slapen hier nog allemaal in huis;
ik durf niet, ze zullen wakker worden." Hij nadert de tafel. "Zouden
ze het beneden hooren?--Kijk daar zit een vezeltje aan de kwint;
dat moet er toch af."
"Ting!" kwam de snaar, toen hij haar aanraakte. Dat "ting" was
beslissend; hij nam de viool op en speelde pizzicato zachtjes een
paar noten. De strijkstok lag nog op tafel, het zonlicht tintelde in
het paarlmoeren belegsel van den stok.
"'t Is toch een mooi stokje," dacht hij. Hij greep er naar en woog
het in de hand. "Hè! licht als een veer en toch sterk...." Beneden
in de huisgang sloeg de klok zeven uren. "'t Is nog te vroeg om te
spelen. Och, maar als ik 't heel zachtjes doe, dan hooren ze het niet."
Luchtig en licht gleed de strijkstok over de snaren; 't was een
vluchtige, oppervlakkige melodie, die zachtjes door het vertrekje
klonk.
Dorus speelde en vergat allengs, dat hij niet alleen in huis was;
hij speelde voort,--het heerlijke zonlicht, de frissche morgenlucht
bezielden hem.
"Waf! waf! waf!" blafte Boppie in den tuin; hij herkende de zangerige
stem daarboven.
Dorus hoorde het niet en phantaseerde verder. "Bravo! Bravo! mijn
jongen," klonk eensklaps de stem van Dorus' mentor, den muziekmeester
Tournel, die zachtjes was binnengekomen.
"Bravo!" herhaalde hij, "heel aardig gespeeld; maar 't is wildzang,
en als je daarmee doorgaat, komt er niets van je terecht." Verwonderd
zag Dorus den heer Tournel aan, die hem een muziekboek voorhield
en vervolgde: "Als je dit hebt doorgestudeerd, moog je weer eens
phantaseeren. Voorloopig moet je er mee ophouden. Beloof je me dat?"
"Als het noodig is, zeker."
"Goed! berg dan nu je instrument maar op;--laat 'k het eens zien." De
muziekmeester hield de viool schuins voor het venster, zoodat het
licht door de S-gaten viel, zag opmerkzaam binnen in de kast en
mompelde, een paar akkoorden grijpende: "'t Is een aardige viool;
't lijkt mij een Kuyper te zijn, en zij klinkt goed op de D en de
G. Kom, vriendje, nu ontbijten. Augusta en Barbara wachten op ons."
"Waf! waf!" klonk het buiten.
"Dat is Boppie, mijnheer!"
Verwonderd keek de muziekmeester op, terwijl hij vroeg:
"Wat bedoel je?"
"Hij is me nageloopen."
"Wie?"
"Mijn hondje; Boppie! Mag ik hem hier bij mij houden?"
"Hm! 'k houd niet veel van honden. Ze kunnen zoo slecht tegen muziek;
dat's lastig."
"O! hij niet, hij jankt nooit. Toe, meneer! laat 'k hem maar
houden. Al joeg ik hem ook weg, hij zou toch iederen keer weeromkomen,
en...." Dorus keek vriendelijk lachend, maar met een zweem van trots
den heer Tournel aan, "'t is geen gewoon dier; hij kan op de klok zien,
domino spelen en tellen."
"Dus een professor onder 't hondengeslacht," lachte Tournel.
"Waf! waf!"