De Zaligverklaring.
Wanneer ik het een zestal jaren geleden had ondernomen een geschiedenis
van Jeanne d'Arc te schrijven, had ik destijds het zuiver geschiedkundig
gedeelte kunnen afsluiten na het proces van rehabilitatie. Thans staan
wij er echter geheel anders voor, nu na de Rehabilitatie van 1456 de
Beatificatie gevolgd is in 1909. Sedert de nagedachtenis van Jeanne door
het tweede proces in eer en aanzien is hersteld, bestaat in Orléans de
gewoonte, het ontzet van de stad in 1429 op den 8en Mei feestelijk en
plechtig te herdenken o.a. door het uitspreken van een lofrede op Jeanne
van den kansel in de groote kathedraal. Meer dan eens komt het voor, dat
voor die gelegenheid bekende redenaars door den Bisschop van Orléans
worden uitgenoodigd. Zoo zien wij op den 8en Mei 1860 een nog jong
geestelijke, genaamd Freppel, den kansel bestijgen. Zijn naam als
schitterend redenaar was in die dagen reeds gevestigd. Hij is het,
die aan het slot van zijn eerste panégyrique een geheel nieuw element
inlascht, al is het ook nog slechts aarzelend en in den vorm van een
enkele onderstelling. »Misschien«, zoo waagt hij te zeggen, »zal het God
eenmaal behagen Zijn lieflijke dienares te verheerlijken met de aardsche
kroon, die de Kerk bewaart (réserve) voor den heldenmoed van de deugd.«
Als hem in 1867 andermaal de eer te beurt valt op uitnoodiging van
Mgr. Dupanloup, den Bisschop, op den 8en Mei de gemeente van Orléans te
mogen toespreken, durft hij reeds een groote stap verder gaan. De vraag
omtrent een mogelijke zaligverklaring wordt nu voor de eerste maal
duidelijk gesteld, onderzocht en besproken.
Aan de hand van de daarvoor geijkte formule, die hij ontleent aan het
werk van Paus Benedictus XIV, over de »Canonisatie der Heiligen«, stelt
hij nu onomwonden de volgende vragen:
»Kan men verdedigen dat Jeanne d'Arc de christelijke deugden betracht
heeft tot in het heldhaftige« (à un degré héroïque) »en dat God de
heiligheid van Zijne dienares heeft bevestigd door geloofwaardige«
(authentique) »en onbetwistbare wonderen?«
Van een redenaar, die geroepen is om den volke den lof te verkondigen
van een persoon, die in reuke van Heiligheid staat, en die daarbij de
boven aangehaalde vragen aldus stelt, en tevens een oogenblik later
uitroept: »O, wat mij betreft, ik kan het niet ontkennen, er zijn weinig
menschelijke levens, die ik zoo waarachtig stichtelijk vind«, is het
dunkt mij niet te gewaagd te veronderstellen, dat hij voor zich althans
geneigd zou zijn, de gestelde vragen met een volmondige bevestiging te
beantwoorden. Als die zelfde redenaar in volle geestdrift over Jeanne
verklaart: »Haar openbare leven is één doorloopend wonder«, verraden
dan die woorden niet reeds den geest, waarin hij de tweede door hem
opgeworpen vraag beantwoorden zou? Maar Freppel, hoewel toekomstig
Bisschop, was op het oogenblik, dat hij zoo sprak, nog slechts een jong
geestelijke, en het past hem dus voorzichtig en bescheiden te zijn.
»Ik heb niet de bevoegdheid«, laat hij er dan ook wijselijk op volgen,
»om in deze kwestie te beslissen, zelfs niet om haar voor de bevoegde
machten in de Kerk te brengen. Het is aan de Bisschoppen om na te gaan
of de zaak daar rijp voor is; het is aan den Stedehouder van Jezus
Christus om te beoordeelen of Gods uur geslagen heeft.«
Dit staat in elk geval vast, dat door de woorden van Mgr. Freppel de
kwestie van een mogelijke Zaligverklaring van Jeanne d'Arc voor het
eerst en tevens definitief op het tapijt is gebracht. De bewonderaars
van Jeanne laten de zaak niet meer los, de Bisschoppen rusten niet,
alvorens zij het noodige materiaal bijeen vergaard hebben, en zij de
zaak rijp achten om haar voor den Stoel van den Stedehouder van Christus
te brengen.
Den 13en December 1908 verschijnt een decreet van Paus Pius X tot
erkenning van drie wonderen, verkregen door de tusschenkomst van de
Eerbiedwaardige Jeanne d'Arc, maagd van Orléans. Het verhaal van de in
dit decreet bedoelde drie wonderen, komt voor in een herderlijken brief
van Mgr. Touchet, Bisschop van Orléans.
Het eerste van de drie bevat de geschiedenis van Zuster Thérèse van St.
Augustinus, Benedictijner-non van het Calvarie van Orléans. Zij is sinds
drie jaren lijdende aan hevige maagpijnen, die gepaard gaan met steeds
heviger, veelvuldiger bloedspuwingen. Voedsel kan zij niet meer tot zich
nemen: de dokter acht haar einde nabij. Dan stelt den 30en Juli 1900 de
moeder-overste haar voor aan Jeanne d'Arc haar genezing te vragen. Het
geheele klooster zal zich met haar in het gebed vereenigen.
Gedurende de novene, die den 31en Juli geopend wordt, neemt de kwaal nog
aanmerkelijk in hevigheid toe. Men houdt het Heilige oliesel voortdurend
in de infirmerie bij de hand, want elk oogenblik vreest men, dat zuster
Thérèse bezwijken zal.
In den avond van den 7en Augustus vraagt de zieke, midden in een
heftigen aanval, om hare kleeren. Zij zal morgen kunnen opstaan, want
dan zal zij genezen zijn. De ziekenverzorgsters kijken elkaar aan:
»Laten wij haar hare kleeren maar beneden halen«, zeggen zij tot elkaar,
»zij zullen haar als doodskleed kunnen dienen«.
Daarop slaapt zuster Thérèse in tot twee uur na middernacht. Zij wil
opstaan, maar men gebiedt haar te blijven rusten tot half zes. Zij
gehoorzaamt.
Den 8en Augustus om 5½ uur kleedt zij zich alleen aan en gaat zij
alleen naar beneden naar de kapel, bidt daar een Onze Vader, een Ave
en spreekt er, met de armen in kruisvorm uitgestrekt, verschillende
invocaties uit. Dan ontvangt zij de communie, en vervolgens gebruikt zij
met de andere zusters een maal, bestaande uit aardappelen in de asch
gesmoord, zonder dat het haar iets hindert.
Haar volkomen en plotselinge genezing heeft zich sedert dien geen
oogenblik verloochend.
De geschiedenis van Zuster Julie Gauthier in het tweede wonderverhaal
ademt een geest van zoo'n verrukkelijke naïviteit, zij is zoo'n prachtig
voorbeeld van vrouwelijke logica door hare toepassing van de waarheid,
dat 9 × 1 = 1 × 9, dat wij hier in extenso de vertaling laten volgen van
het verslag daarvan in den herderlijken brief van Mgr. Touchet gegeven.
Tweede Wonder.
Te Faverolles, diocees Evreux, leed Zuster Julie Gauthier aan een
kankerachtige zweer aan de linker borst. Na een smartelijk lijden van
vijftien jaren, heeft zij alle hoop op genezing verloren: als dan op
een dag de pijnen haar met dubbele hevigheid folteren, en zij het plan
heeft opgevat haren superieuren te verzoeken haar van haren post als
onderwijzeres te ontheffen, gebeurt het haar dat zij haren leerlingen
vertelt over Jeanne d'Arc. Het idée komt plotseling bij haar op om
genezing te bidden door de Heilige Bevrijdster. Maar, daar zij haast
heeft, vindt zij eene novene uit van een nieuwe soort. Zij zal naar de
kerk gaan met acht van hare kleine meisjes leerlingen, zij zullen dus
negen in getal zijn, en met haar negenen zullen zij dus eene novene van
gebeden kunnen maken in één enkele séance. Dit oprechte geloof, deze
kort aangebonden, maar naïve piëteit, deze bijstand van kinderen, konden
de Zalige moeilijk mishagen, verondersteld ten minste, dat wij daarboven
eenige van onze neigingen van hier beneden behouden.
Julie Gauthier werd verhoord. Zij, die zich met moeite naar de kerk had
kunnen slepen, keert er flink en moedig uit terug. De wond is gesloten
en voor altijd genezen.
* * * * *
In het derde wonderverhaal is het Zuster Marie Saguier, van de
Congregatie van de Heilige Familie, te Fruges, diocees Atrecht,
die sinds maanden lijdende is aan eene tuberculeuse periostitis
(beenvliesontsteking). De kanunnik Debout, schrijver van een
levensgeschiedenis van Jeanne d'Arc, raadt haar een novene tot Jeanne
aan. Zuster Marie, die zich reeds verzoend heeft met de gedachte spoedig
te zullen sterven, is hiertoe slechts met moeite te bewegen (ten minste
»als ik hieromtrent goed ben ingelicht« voegt Mgr. Touchet er aan toe).
Zij wijst op hare verbonden ledematen, zeggende: »Hoe wilt ge dat Jeanne
d'Arc dat genezen zal?« Ten slotte evenwel laat zij zich overhalen, en
reeds den morgen van den vijfden dag komt zij volkomen en voor goed
genezen naar beneden, om deel te nemen aan het gemeenschappelijk gebed.
* * * * *
Het decreet van de Zaligverklaring van Jeanne d'Arc is gedateerd van
den 11en April 1909. Het vangt aan met in enkele regels te schetsen wie
Jeanne geweest is en wat zij voor Frankrijk gedaan heeft. Verder bevat
het natuurlijk een kort verslag van het onderzoek, dat aan het besluit
is voorafgegaan en de gronden waarop het eindelijk met algemeene stemmen
is genomen.
Wij achten het niet noodig het gewichtige stuk of een vertaling er van
hier over te drukken, ook zullen wij ons niet wagen aan een critiek
op een decreet van Paus Pius X, geteekend door den Staatssecretaris
Kardinaal Merry del Val en handelende over een zaak, waarin Kardinaal
Ferrata rapporteur was; wij willen er ons slechts toe bepalen enkele
punten aan te stippen, die ons bij de lezing van het document bijzonder
hebben getroffen.
Zoo zien wij in de eerste plaats, dat het zoogenaamde »bois chesnu«,
gelegen bij Domremy, in de officiëele stijl van het decreet wordt tot
»een duister woud, eertijds het toevluchtsoord van Druïdisch bijgeloof«
(prope lucum opacum Druidicae quondam superstitionis asylum).
Verder is het wel merkwaardig, maar er zijn in het decreet drie plaatsen
aan te wijzen, die aantoonen, dat men ook thans te Rome nog aanneemt,
dat Jeanne zich in hare jonge jaren thuis voornamelijk heeft bezig
gehouden met het hoeden van de kudden (schapen) van haar vader. Ook de
armoede van het gezin, waartoe Jeanne behoorde, en waarvan de tekst tot
tweemaal toe gewaagt, achten wij voor burgers van dien tijd zeer
betrekkelijk.
»Tantique belli strepitus vix ejus aures contigerat« zegt de tekst, en
wanneer met het rumoer van den grooten oorlog, dat de ooren van Jeanne
te Domremy ter nauwernood zou bereikt hebben, letterlijk bedoeld wordt
het gebulder van de belegeringskanonnen en het geweld van groote
veldslagen, dan kunnen wij deze opvatting deelen. Maar wij zetten in ons
eerste hoofdstuk reeds uit één, hoe Jeanne door de bijzondere ligging
van haar ouderlijk huis veel over de verschrikkingen van den oorlog
hoorde spreken, dat zij wel degelijk wist, dat »grande pitié était au
royaume de France«, dat het ook in de streek van Domremy volstrekt
niet veilig was, en dat men ook daar, evenals in het geheele deel van
Frankrijk, dat ten Noorden van de Loire gelegen is, zoowel direct als
indirect de gevolgen van den oorlog ondervond, al hebben wij daarbij nog
niet eens het oog op de ernstige gebeurtenissen van de tweede helft van
Juli en van begin Augustus 1428, en die dus vielen tusschen het eerste
en het tweede bezoek van Jeanne aan Vaucouleurs.
Het spreekt wel van zelf, dat hetgeen wij gezegd hebben over het »genie«
en de »veine« van Jeanne, slecht passen zou in een Pauselijk decreet van
Zaligverklaring, en het kan dus geen verwondering baren, dat wij daarin
lezen, dat »God het arme boerinnetje, dat zelfs niet lezen of schrijven
kon, wijsheid, kennis, krijgskundige bekwaamheid gaf en tevens de
wetenschap van verborgen en goddelijke zaken.«
De beschrijving, die het decreet geeft van den standaard, die Jeanne
droeg: »een witte banier met gouden leliën bestikt«, klopt niet met de
beschrijving daarvan door Jeanne in het proces gegeven, of is althans
niet volledig. Wij weten immers, en de rechters die haar ondervroegen
wisten het ook, dat de Schotsche schilder James Power naar het
voorschrift van Jeanne op de voorzijde van haar standaard, die van wit
linnen was, bezaaid met Fransche leliën, in het midden bovenaan haar
devies: »Jhesu Maria« schilderde en daaronder God den Vader, gezeten op
een regenboog en aan weerskanten geflankeerd door de figuur van een
geknielden engel.
De uitéénzetting van de gronden, waarop tot de Beatificatie is besloten,
is eigenlijk niet meer dan een beantwoording van de vragen, reeds door
Mgr. Freppel gesteld aan de hand van de formule van Benedictus XIV.
»Virtutes heroicum attigisse fastigium«. Uitgemaakt wordt dus dat
inderdaad de deugden van Jeanne »het toppunt van heldenmoed bereikt
hebben« en verder wordt verwezen naar het door ons reeds genoemde
decreet van 13 December 1908, waarbij verklaard werd »dat er zekerheid
bestaat omtrent drie wonderen«, (de tribus miraculis constare suprema
auctoritate apostolica declaravimus.)
Had men werkelijk na de verklaring uit den aanvang van het decreet, dat
heel het leven van Jeanne een wonder is geweest (tota vita prodigium
visa est), die drie »posthume« en door Mgr. Touchet gerapporteerde
wonderen nog noodig, om te voldoen aan de letter van de voorschriften
uit het werk van Benedictus XIV?
Na een vrij uitvoerige toespeling op de moeilijkheden in Frankrijk,
ontstaan ten gevolge van de wet op de scheiding van Kerk en Staat, volgt
dan de eigenlijke Zaligverklaring met daarbij de bepalingen: 1e. dat
hare beelden met een stralenkrans mogen worden versierd; 2e. dat voor
haar eens in het jaar een Mis mag worden gevierd in de kerken van de
Diocees Orléans; 3e. dat in diezelfde kerken de Zaligverklaring mag
worden gevierd, door een driedaagsch feest, binnen een jaar nadat
dezelfde plechtigheid in de patriarchale basiliek van het Vaticaan zal
zijn gevierd.
* * * * *
Met het decreet van 11 April 1909 is dus de Zaligverklaring van Jeanne
d'Arc een voldongen feit. Het blijft evenwel de vraag of de Katholieke
Kerk hiermede officiëel haar laatste woord in deze zaak heeft gesproken,
of de bewoners van Orléans, of alle Franschen hiermede hun schuld
tegenover hunne bevrijdster als vereffend zullen beschouwen.
De Katholieke Kerk kent naast of beter gezegd boven de Zaligverklaring
nog de Heiligverklaring. Als verschil tusschen deze beiden wordt mij van
bevoegde zijde opgegeven, dat:
»de Heiligverklaring is eene _definitieve_ beslissing van de Kerk (resp.
den Paus), waardoor verklaard wordt, dat een bepaald persoon Heilig is,
d. w. z. in den hemel, en als zoodanig kan _en moet_ vereerd worden.
»De zaligverklaring is slechts _een schrede op den weg tot de
heiligverklaring_, het is een voorloopige niet een definitieve
beslissing, dat een persoon in den hemel is; om dit definitief te
beslissen moeten nog meer wonderen geschieden en worden goedgekeurd.
De vereering van zulk een persoon wordt bovendien niet voorgeschreven,
doch alleen _toegestaan_ en gewoonlijk slechts voor een bepaalde
streek.«
Zullen de trouwe bewonderaars van Jeanne het bij deze eerste _schrede_
laten, zullen zij rusten zoolang niet de geheele weg is afgelegd, die
leiden moet tot de definitieve Heiligverklaring?
Haar nagedachtenis leeft in Frankrijk bij oud en jong, bij groot en
klein, daar kunnen wij zeker van zijn. In de hoogst ernstige uren, in
de moeilijke tijden, die Frankrijk nu (December 1914) doorleeft, komt
telkens en telkens weer de herinnering boven aan haar, die eens toen
»grande pitié était au royaume de France« den grooten stoot heeft
gegeven, om haar land te bevrijden en van vijanden te zuiveren. De
streek van het Noorden van Frankrijk, waar nu de bondgenooten een
reuzenstrijd voeren op leven en dood, is dezelfde waar Jeanne eens door
trok aan het hoofd van hare zegevierende troepen: in Compiègne werd
zij gevangen genomen, naar Reims voerde zij haren »gentil Dauphin«
voor zijn kroning in de thans zoo zwaar geteisterde kathedraal. Maar
hoort wat een ooggetuige nu onlangs nog berichtte: »Op het kleine plein
voor de kathedraal is het standbeeld van Jeanne d'Arc _als door een
wonder_ gespaard gebleven, niettegenstaande de stad bijna dagelijks
gebombardeerd wordt. De Fransche driekleur, die er aan bevestigd is,
wappert fier in de lucht.«
Daar hebt ge reeds een van de nieuwe wonderen, al manifesteert het zich
ook slechts aan het beeld van Haar, wier openbare leven, volgens Mgr.
Freppel, één doorloopend wonder was. En wilt ge nog een ander bewijs,
dat de vrienden van Jeanne naar nieuwe wonderen zoeken, dan vindt
gij er een in de Libre Parole, die in September j.l. duidelijk liet
doorschemeren »dat de Duitschers hun opmarsch naar Parijs hadden
moeten staken, omdat den dag, dat ze tot Compiègne genaderd waren, het
wachtwoord in het versterkte kamp van de hoofdstad »Jeanne d'Arc« was.«
Met groote ontroering en diepe verontwaardiging heeft heel de beschaafde
wereld het bericht vernomen van de gedeeltelijke vernieling van de
Kathedraal van Reims, en bij duizenden, ja misschien bij millioenen
heeft het de herinnering weer wakker geroepen, aan de kroning van Karel
VII, die Jeanne met zooveel moeite had doorgezet. Want zeker is het, dat
de Kathedraal van Reims, die na de Notre Dame te Parijs misschien de
meest bekende kerk van geheel Frankrijk is, het grootste deel van haar,
als wij het zoo noemen mogen, »wereld-populariteit« te danken heeft aan
de kroningsplechtigheid uit het jaar 1429 en aan de rol daarbij door
Jeanne d'Arc vervuld.
»Jeanne d'Arc! ô fantôme adoré, vous voici! Haussant votre étendard le
héraut sonne, et Charles est de pourpre vêtu qui, docile, vous suit...«
roept Paul Fort uit in een gedicht in proza-vorm (d.d. 21 September
1914) getiteld »La Cathédrale de Reims«. Want de Kathedraal bezingen en
Jeanne d'Arc niet noemen, het is bijna niet mogelijk.
* * * * *
De herinnering aan Jeanne leeft in de diocees Orléans, waar zij als
een Heilige vereerd wordt, in Parijs, waar nog éénmaal in het jaar een
onafzienbare schare van trouwe bewonderaars in optocht haar standbeeld
voorbijtrekt en het bedekt met bloemen en kransen, in heel Frankrijk,
ja, maar ook daar buiten, in Rome, waar het decreet van hare
Zaligverklaring werd uitgevaardigd, en waar Pius X op den 19en April
1909 op eene audiëntie voor Fransche pelgrims in zijn toespraak ook een
woord wijdde aan »die heldin, slachtoffer van de lage schijnheiligheid
en van de wreedheid van een afvallige, die zich aan den vreemdeling
verkocht had«, in Engeland, dat o.a. Mgr. Bourne afvaardigde naar de
Jeanne d'Arc-feesten te Reims en zelfs in Amerika, waar een Mark Twain
in een van zijne zeldzame ernstige oogenblikken heeft verklaard:
»Het karakter van Jeanne is eenig.... Het neemt nog de meest verhevene
plaats in die een menschelijk wezen kan bereiken, verhevener dan die,
waartoe eenig ander sterveling, wie ook, heeft kunnen geraken«.
* * * * *
Is het niet door en door begrijpelijk, dat de geloovigen in Frankrijk,
in deze dagen van angst en spanning, hunne gebeden opzenden tot Haar,
die reeds eenmaal hun vaderland bevrijd heeft?
Op den 13en September 1914, dus kort na de overwinning der Franschen aan
de Marne, heeft Kardinaal Amette, in eigen persoon en in vol ornaat,
de menigte toegesproken, die zich verdrong zoowel in de Notre Dame
te Parijs, als op het groote plein voor de kathedraal. In zijne rede
beloofde hij plechtig gevolg te zullen geven, aan zijn lang gekoesterd
voornemen, om in Parijs een kerk op te richten, gewijd aan Jeanne d'Arc.
Na de preek ging de processie rond met de relieken van Notre Dame,
waaronder zich ook de banier van Jeanne bevindt. Vervolgens hield de
Kardinaal nog een toespraak tot de geloovigen op het voorplein. De
indrukwekkende plechtigheid eindigde met de invocaties, uitgeroepen
door den aartspriester van Notre Dame, en waarvan de laatste gericht
was tot de »Gelukzalige Jeanne d'Arc, bevrijdster van het vaderland«.
En de duizenden, die daar neergeknield lagen, antwoordden daarop in
koor: »Zegen ons, red ons!«
Utrecht, April-December 1914.