Jeanne in Beeld: Uiterlijk en Costuum.
Het is weer door een verklaring van Jeanne zelf, dat wij weten, dat
zij nimmer voor een schilder geposeerd heeft, noch op andere wijze ooit
een beeltenis van zich zelf heeft laten maken. Wel is zij ook tijdens
haar leven talrijke malen afgebeeld, maar zij heeft gezegd, dat zij
slechts eenmaal een portret zag met eenige gelijkenis. Onder de andere
afbeeldingen, tijdens haar leven vervaardigd, kunnen er geweest zijn van
de hand van kunstenaars, die haar gezien en gekend hebben, maar tot op
heden is er van Jeanne geen enkel portret gevonden, waardoor wij ons een
voorstelling kunnen maken hoe zij er werkelijk heeft uitgezien. Tijdens
het leven van Jeanne en vooral tijdens het proces hebben er beeltenissen
van haar gehangen in de kerken van Frankrijk, maar die zijn verloren
geraakt en bovendien waren zij vermoedelijk voor het grootste gedeelte
gefantaseerd.
Wat ons hare tijdgenooten omtrent het uiterlijk van Jeanne hebben
medegedeeld, komt hierop neer: zij was slank gebouwd, haar gansche
verschijning was bijzonder innemend en vol jeugdige gratie. Zij had een
knap gezicht met een paar heldere, mooie oogen, een sierlijke, dunne
hals, een klein rood vlekje achter een van de ooren, een fraai gewelfde
borst (»videbat ejus mammas, quae pulchrae erant.« Verklaring van den
duc d'Alençon).
Verder weten wij nog een belangrijke bizonderheid: Jeanne had zwart
haar. Er is n.l. een brief van haar bewaard gebleven aan Dunois, en
deze brief is, volgens gebruik van dien tijd, verzegeld geweest met
een afdruk van haar cachet in was en een zwart haar: een haar van de
afzendster.
Dit zijn ongeveer de eenige gegevens waarover de tallooze beeldende
kunstenaars hebben beschikt, die in de laatste vijf eeuwen, door Jeanne
geïnspireerd, haar beeltenis hebben vervaardigd.
Merkwaardig is het wel te zien, hoe de meesten zich van deze schoone
taak hebben gekweten, hoe betrekkelijk zeer weinigen er zijn onder
die velen, wier opvatting ons kan bevredigen. De ouderen onder hen
vallen wij niet hard om hun naïviteit, wanneer zij van Jeanne een goedig
vrouwtje aan het spinnewiel, een soort oorlogsgodin, een veldheer van de
zeventiende eeuw of een balletfiguurtje uit een Bergerie gemaakt hebben.
Zij wisten niet beter en deden hetzelfde wat Rembrandt heeft gedaan als
hij zijne Bijbelsche figuren stak in costumes van zijn eigen tijd. Maar
van de artisten van den lateren en van onzen tijd verwondert het ons
meer, als wij zien welke vrijheden zij zich veroorloven in het costuum
en hoe weinigen er aan gedacht hebben, dat zij de beeltenis moesten
scheppen van een jong meisje, in elk geval niet ouder dan negentien
jaar.
Want wat het costuum betreft tasten wij niet in het duister. Het
verstelde jurkje van roode wollen stof, waarin zij Domremy verlaat,
is te reconstrueeren, het pagecostuum, haar door de bewoners van
Vaucouleurs geschonken, was het costuum, dat alle pages droegen in dien
tijd, en is dus bekend, het blanke harnas, waarin zij ten strijde trekt,
en de huik, die zij bij sommige gelegenheden over haar wapenrusting
droeg, zijn voor een ieder, die zich de moeite wil geven, b.v. het boek
van Quicherat »Histoire du Costume en France« te raadplegen, tot in de
kleinste bijzonderheden weer te geven zonder hinderlijke fouten en
anachronismen.
Vreemd is b.v. dat Ingres, al had hij dan ook Quicherat nog niet tot
zijn dispositie, in 1854 met een portret van Jeanne voor den dag komt
in den vorm van een »plantureus uitgedijde« vrouw, met een paar heupen,
waarop een Katwijksche visschersvrouw jaloersch zou worden en in een
costuum waarop uit een historisch oogpunt ook nog wel het een en ander
aan te merken valt.
Hoeveel momenten zijn er in het korte, doch veel bewogen leven van
Jeanne niet, die een schilder of beeldhouwer konden inspireeren?
Jeanne, als kind, luisterende naar hare stemmen, en wij denken onder
veel meer aan de schilderijen van Pierre Lagarde, Bastien Lepage,
Cabanes, Benouville en Wagrez, het standbeeld van Lefeuvre en de
beeldengroep van Allar te Domremy.
Jeanne in volle wapenrusting te voet of te paard; en wij noemen de
ruiterstandbeelden te Parijs, Reims, Nancy, Orléans, Chinon en van
Moreau en le Nordez, de beelden van Allouard, Beylard, le Veel en te
Compiègne en Beaurevoir en de schilderijen van Scherrer.
Jeanne op den brandstapel; en wij vermelden het beeld van Cordonnier,
een brons van Cugnot, een céramiek naar Blondat en de schilderij van
Carrier-Belleuse.
Maar er is nog veel meer, te veel om op te sommen, als wij ons b.v.
maar even herinneren,--en wij hadden die wel in de eerste plaats mogen
noemen,--de bekende fresco's van Lenepveu in het Panthéon te Parijs,
en de bijzonder schoone illustraties van Guillonnet voor het boek van
Funck-Brentano.
Wat ons in de platen van Guillonnet dadelijk treft en zoo bijzonder
aantrekt, is, dat ze ons Jeanne zoo gewoon menschelijk weergeven, en
niet steeds als een soort gehallucineerde, met oogen voortdurend naar
den hemel gericht, en die slechts dingen zien, die voor ons onzichtbaar
zijn. Zelfs Lenepveu laat haar b.v. Orléans binnen rijden, met eene
uitdrukking op het gelaat, of zij met hare gedachten geheel in hooger
sfeeren is. Met die opvatting kunnen wij ons vereenigen bij de kroning
van Reims en verder o.a. op den brandstapel, maar toen zij Vaucouleurs
verliet, toen zij haar eersten triumftocht hield binnen Orléans, en
bij nog zoovele andere gelegenheden, die men in beeld gebracht heeft,
stellen wij ons voor, dat zij de omstanders met een opgewekt en van
dankbaarheid stralend gezicht in de oogen heeft gezien, en ze bekoord
heeft door haar eenvoud en haar ongekunstelden glimlach. De deemoed en
berusting waarmede Jeanne geknield heeft gelegen voor het altaar in
de basiliek van St. Denis, toen zij daar haar harnas neerlegde, haar
houding en uiterlijk op dat onvergetelijke oogenblik, hoe dankbaar en
decoratief zij voor een kunstenaar ook mogen geweest zijn, zijn daarom
voor ons van minder belang, omdat zij op zich zelf beschouwd en als
zoodanig geene gevolgen hebben gehad. Maar haar verschijning en de
uitdrukking van haar gelaat op het oogenblik dat zij als met een
tooverwoord hare troepen plotseling bezielde, of hare rechters te
Rouaan verblufte door haar gevatheid en logica, interesseeren ons tot
in de kleinste bijzonderheden, omdat een juiste voorstelling daarvan
onontbeerlijk is, voor een verklaring en een zuiver begrip van het door
Jeanne behaalde succes. En dan, wij herhalen het, dan is het ons niet
mogelijk haar beeld voor den geest te roepen als een gehallucineerde,
als iemand levende in een soort extase, zooals zoovelen haar in die
oogenblikken hebben afgebeeld; er moet behalve haar jeugd en gratie,
kracht en fierheid van haar zijn uitgestraald; zij moet vertrouwen
gewekt en geïmponeerd hebben.
Een ander bezwaar dat wij hebben tegen zeer vele afbeeldingen van
Jeanne, is dat zij haar weergeven met een soort rokje aan. Mogelijk
hebben de kunstenaars dit gedaan om aan het geharnaste figuurtje iets
vrouwelijks te geven. Maar zij schijnen dan niet geweten of althans
vergeten te hebben, dat één van de grieven van de rechters in Rouaan is
geweest dat Jeanne een manscostuum droeg, en dat zij zelf daarvoor als
zeer aanneembare redenen opgaf, dat dit costuum haar gemakkelijker was
bij het paardrijden, en dat het haar welvoegelijker voorkwam in het
gezelschap van uitsluitend mannen ook als man gekleed te gaan. Met haar
rokje aan zooals wij haar o.a. vereeuwigd vinden in het Panthéon te
Parijs in een standbeeld van polychroom marmer door Allouard, had zij
zeker geen paard kunnen rijden en zou zij ook het andere doel dat zij
beoogde, vermoedelijk niet bereikt hebben.
Eigenaardig is, dat uit de chaos van duizende afbeeldingen, die van
Jeanne gemaakt zijn, tot op heden nog geen duidelijk type naar voren
is getreden. De meest natuurgetrouwe afbeeldingen zullen vermoedelijk
zijn de bovengenoemde ruiterstandbeelden in het volle harnas. Maar ook
al dragen deze figuren een open vizier, toch zijn zij, juist door de
harnasbekleeding, nog te anoniem, en ongeschikt tot het scheppen van
een type. De voorstelling op de banier, dus een van buiten toegevoegd
attribuut, is ook in deze gevallen, soms nog het eenige teeken, waardoor
het ons duidelijk wordt, dat wij met een Jeanne d'Arc en niet met een
ander willekeurig jong strijder uit haar tijd te doen hebben.
Wij wachten nog met ongeduld op den kunstenaar, wien het zal mogen
gelukken ons niet voor de zooveelste maal _een_ Jeanne d'Arc uit te
beelden, maar eens en voor altijd _de_ Jeanne d'Arc te geven, het
type, zooals zoovele historische figuren, waarvan geen portretten naar
het leven bestaan, toch door de tijden heen een vast en gemakkelijk
herkenbaar type hebben gekregen, dat de groote massa, maar ook de genen,
die door studie meer met de figuur bekend zijn geraakt, in hoofdzaak en
over het algemeen bevredigt. L'image à faire serait l'image qui crée le
type.
De taak, die wij voor dezen artiest hebben uitgezocht is niet
gemakkelijk, maar ze is dankbaar, hij zal daardoor zijn naam voor eeuwig
verbinden aan den naam van de schoone figuur die hem inspireerde.
Zijn loon zal zijn de onsterfelijkheid.