HOOFDSTUK VII.

Jeanne in Beeld: Uiterlijk en Costuum.

Het is weer door een verklaring van Jeanne zelf, dat wij weten, dat

zij nimmer voor een schilder geposeerd heeft, noch op andere wijze ooit

een beeltenis van zich zelf heeft laten maken. Wel is zij ook tijdens

haar leven talrijke malen afgebeeld, maar zij heeft gezegd, dat zij

slechts eenmaal een portret zag met eenige gelijkenis. Onder de andere

afbeeldingen, tijdens haar leven vervaardigd, kunnen er geweest zijn van

de hand van kunstenaars, die haar gezien en gekend hebben, maar tot op

heden is er van Jeanne geen enkel portret gevonden, waardoor wij ons een

voorstelling kunnen maken hoe zij er werkelijk heeft uitgezien. Tijdens

het leven van Jeanne en vooral tijdens het proces hebben er beeltenissen

van haar gehangen in de kerken van Frankrijk, maar die zijn verloren

geraakt en bovendien waren zij vermoedelijk voor het grootste gedeelte

gefantaseerd.

Wat ons hare tijdgenooten omtrent het uiterlijk van Jeanne hebben

medegedeeld, komt hierop neer: zij was slank gebouwd, haar gansche

verschijning was bijzonder innemend en vol jeugdige gratie. Zij had een

knap gezicht met een paar heldere, mooie oogen, een sierlijke, dunne

hals, een klein rood vlekje achter een van de ooren, een fraai gewelfde

borst (»videbat ejus mammas, quae pulchrae erant.« Verklaring van den

duc d'Alençon).

Verder weten wij nog een belangrijke bizonderheid: Jeanne had zwart

haar. Er is n.l. een brief van haar bewaard gebleven aan Dunois, en

deze brief is, volgens gebruik van dien tijd, verzegeld geweest met

een afdruk van haar cachet in was en een zwart haar: een haar van de

afzendster.

Dit zijn ongeveer de eenige gegevens waarover de tallooze beeldende

kunstenaars hebben beschikt, die in de laatste vijf eeuwen, door Jeanne

geïnspireerd, haar beeltenis hebben vervaardigd.

Merkwaardig is het wel te zien, hoe de meesten zich van deze schoone

taak hebben gekweten, hoe betrekkelijk zeer weinigen er zijn onder

die velen, wier opvatting ons kan bevredigen. De ouderen onder hen

vallen wij niet hard om hun naïviteit, wanneer zij van Jeanne een goedig

vrouwtje aan het spinnewiel, een soort oorlogsgodin, een veldheer van de

zeventiende eeuw of een balletfiguurtje uit een Bergerie gemaakt hebben.

Zij wisten niet beter en deden hetzelfde wat Rembrandt heeft gedaan als

hij zijne Bijbelsche figuren stak in costumes van zijn eigen tijd. Maar

van de artisten van den lateren en van onzen tijd verwondert het ons

meer, als wij zien welke vrijheden zij zich veroorloven in het costuum

en hoe weinigen er aan gedacht hebben, dat zij de beeltenis moesten

scheppen van een jong meisje, in elk geval niet ouder dan negentien

jaar.

Want wat het costuum betreft tasten wij niet in het duister. Het

verstelde jurkje van roode wollen stof, waarin zij Domremy verlaat,

is te reconstrueeren, het pagecostuum, haar door de bewoners van

Vaucouleurs geschonken, was het costuum, dat alle pages droegen in dien

tijd, en is dus bekend, het blanke harnas, waarin zij ten strijde trekt,

en de huik, die zij bij sommige gelegenheden over haar wapenrusting

droeg, zijn voor een ieder, die zich de moeite wil geven, b.v. het boek

van Quicherat »Histoire du Costume en France« te raadplegen, tot in de

kleinste bijzonderheden weer te geven zonder hinderlijke fouten en

anachronismen.

Vreemd is b.v. dat Ingres, al had hij dan ook Quicherat nog niet tot

zijn dispositie, in 1854 met een portret van Jeanne voor den dag komt

in den vorm van een »plantureus uitgedijde« vrouw, met een paar heupen,

waarop een Katwijksche visschersvrouw jaloersch zou worden en in een

costuum waarop uit een historisch oogpunt ook nog wel het een en ander

aan te merken valt.

Hoeveel momenten zijn er in het korte, doch veel bewogen leven van

Jeanne niet, die een schilder of beeldhouwer konden inspireeren?

Jeanne, als kind, luisterende naar hare stemmen, en wij denken onder

veel meer aan de schilderijen van Pierre Lagarde, Bastien Lepage,

Cabanes, Benouville en Wagrez, het standbeeld van Lefeuvre en de

beeldengroep van Allar te Domremy.

Jeanne in volle wapenrusting te voet of te paard; en wij noemen de

ruiterstandbeelden te Parijs, Reims, Nancy, Orléans, Chinon en van

Moreau en le Nordez, de beelden van Allouard, Beylard, le Veel en te

Compiègne en Beaurevoir en de schilderijen van Scherrer.

Jeanne op den brandstapel; en wij vermelden het beeld van Cordonnier,

een brons van Cugnot, een céramiek naar Blondat en de schilderij van

Carrier-Belleuse.

Maar er is nog veel meer, te veel om op te sommen, als wij ons b.v.

maar even herinneren,--en wij hadden die wel in de eerste plaats mogen

noemen,--de bekende fresco's van Lenepveu in het Panthéon te Parijs,

en de bijzonder schoone illustraties van Guillonnet voor het boek van

Funck-Brentano.

Wat ons in de platen van Guillonnet dadelijk treft en zoo bijzonder

aantrekt, is, dat ze ons Jeanne zoo gewoon menschelijk weergeven, en

niet steeds als een soort gehallucineerde, met oogen voortdurend naar

den hemel gericht, en die slechts dingen zien, die voor ons onzichtbaar

zijn. Zelfs Lenepveu laat haar b.v. Orléans binnen rijden, met eene

uitdrukking op het gelaat, of zij met hare gedachten geheel in hooger

sfeeren is. Met die opvatting kunnen wij ons vereenigen bij de kroning

van Reims en verder o.a. op den brandstapel, maar toen zij Vaucouleurs

verliet, toen zij haar eersten triumftocht hield binnen Orléans, en

bij nog zoovele andere gelegenheden, die men in beeld gebracht heeft,

stellen wij ons voor, dat zij de omstanders met een opgewekt en van

dankbaarheid stralend gezicht in de oogen heeft gezien, en ze bekoord

heeft door haar eenvoud en haar ongekunstelden glimlach. De deemoed en

berusting waarmede Jeanne geknield heeft gelegen voor het altaar in

de basiliek van St. Denis, toen zij daar haar harnas neerlegde, haar

houding en uiterlijk op dat onvergetelijke oogenblik, hoe dankbaar en

decoratief zij voor een kunstenaar ook mogen geweest zijn, zijn daarom

voor ons van minder belang, omdat zij op zich zelf beschouwd en als

zoodanig geene gevolgen hebben gehad. Maar haar verschijning en de

uitdrukking van haar gelaat op het oogenblik dat zij als met een

tooverwoord hare troepen plotseling bezielde, of hare rechters te

Rouaan verblufte door haar gevatheid en logica, interesseeren ons tot

in de kleinste bijzonderheden, omdat een juiste voorstelling daarvan

onontbeerlijk is, voor een verklaring en een zuiver begrip van het door

Jeanne behaalde succes. En dan, wij herhalen het, dan is het ons niet

mogelijk haar beeld voor den geest te roepen als een gehallucineerde,

als iemand levende in een soort extase, zooals zoovelen haar in die

oogenblikken hebben afgebeeld; er moet behalve haar jeugd en gratie,

kracht en fierheid van haar zijn uitgestraald; zij moet vertrouwen

gewekt en geïmponeerd hebben.

Een ander bezwaar dat wij hebben tegen zeer vele afbeeldingen van

Jeanne, is dat zij haar weergeven met een soort rokje aan. Mogelijk

hebben de kunstenaars dit gedaan om aan het geharnaste figuurtje iets

vrouwelijks te geven. Maar zij schijnen dan niet geweten of althans

vergeten te hebben, dat één van de grieven van de rechters in Rouaan is

geweest dat Jeanne een manscostuum droeg, en dat zij zelf daarvoor als

zeer aanneembare redenen opgaf, dat dit costuum haar gemakkelijker was

bij het paardrijden, en dat het haar welvoegelijker voorkwam in het

gezelschap van uitsluitend mannen ook als man gekleed te gaan. Met haar

rokje aan zooals wij haar o.a. vereeuwigd vinden in het Panthéon te

Parijs in een standbeeld van polychroom marmer door Allouard, had zij

zeker geen paard kunnen rijden en zou zij ook het andere doel dat zij

beoogde, vermoedelijk niet bereikt hebben.

Eigenaardig is, dat uit de chaos van duizende afbeeldingen, die van

Jeanne gemaakt zijn, tot op heden nog geen duidelijk type naar voren

is getreden. De meest natuurgetrouwe afbeeldingen zullen vermoedelijk

zijn de bovengenoemde ruiterstandbeelden in het volle harnas. Maar ook

al dragen deze figuren een open vizier, toch zijn zij, juist door de

harnasbekleeding, nog te anoniem, en ongeschikt tot het scheppen van

een type. De voorstelling op de banier, dus een van buiten toegevoegd

attribuut, is ook in deze gevallen, soms nog het eenige teeken, waardoor

het ons duidelijk wordt, dat wij met een Jeanne d'Arc en niet met een

ander willekeurig jong strijder uit haar tijd te doen hebben.

Wij wachten nog met ongeduld op den kunstenaar, wien het zal mogen

gelukken ons niet voor de zooveelste maal _een_ Jeanne d'Arc uit te

beelden, maar eens en voor altijd _de_ Jeanne d'Arc te geven, het

type, zooals zoovele historische figuren, waarvan geen portretten naar

het leven bestaan, toch door de tijden heen een vast en gemakkelijk

herkenbaar type hebben gekregen, dat de groote massa, maar ook de genen,

die door studie meer met de figuur bekend zijn geraakt, in hoofdzaak en

over het algemeen bevredigt. L'image à faire serait l'image qui crée le

type.

De taak, die wij voor dezen artiest hebben uitgezocht is niet

gemakkelijk, maar ze is dankbaar, hij zal daardoor zijn naam voor eeuwig

verbinden aan den naam van de schoone figuur die hem inspireerde.

Zijn loon zal zijn de onsterfelijkheid.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 43 / 66 题