NASCHRIFT.

Kalm, doch met een vast doel voor oogen, werkt de Kerk voort. Zij zal

niet rusten voor het Haar gelukt is Jeanne te doen opnemen in de rij der

Uitverkorenen, voor de geheele Katholieke wereld haar heilig verklaard

heeft. Maar ook van wereldsche zijde zit men niet stil en wordt er zelfs

in deze spannende en gewichtige dagen, door enkele van hare getrouwen,

rusteloos voortgearbeid aan de verheerlijking van haar, die wellicht

meer dan ooit eenig ander, de groote deugden heeft bezeten, die in het

bijzonder het Fransche volk eigen zijn, van haar, die ééns in dagen,

oneindig donkerder, dan die welke Frankrijk thans doorleeft, haar volk

voor het eerst, door haar voorbeeld en haar woord, geleerd heeft wat

vaderlandsliefde was. Hun streven gaat volstrekt niet tegen het werk

van de Kerk in, maar loopt daarmede min of meer evenwijdig. Voor hen

is Jeanne in de eerste plaats de bij uitstek nationale figuur, de

incarnatie van het patriotisme, die verdient verheerlijkt en vereerd

te worden door alle Franschen, groot en klein, van welk geloof ook

of van welke religie. Heeft zij niet zelf haar volk de eenige religie

gepredikt, die geen atheisten duldt, de religie van het vaderland? O

zeker, zij erkennen, dat Jeanne visioenen gehad heeft en stemmen gehoord

heeft, maar waar het voor hun op aankomt is, dat zij boven alles uit

gezien heeft de »grande pitié qui était au royaume de France« en gehoord

heeft de noodkreet van het vaderland, dat in gevaar verkeerde.

Aan het hoofd van de wereldsche beweging staat Joseph Fabre,

oud-kamerlid, senator en groot kenner van de geschiedenis van Jeanne.

Van zijn hand hebben reeds verscheidene werken over onze heldin het

licht gezien en het zijn vooral zijne geschriften en studies die voor

ons van Jeanne een figuur hebben gemaakt, die leeft. Quicherat, zoo

drukt Anatole France het uit, had Jeanne ontdekt, maar Fabre heeft haar

toegelicht.

Sinds jaren reeds ijvert hij voor de officieele instelling van eene

tweeden nationalen feestdag in Frankrijk, die dan gewijd zou zijn aan

Jeanne d'Arc. Naast den 14en Juli, het feest van de vrijheid, den 8en

of den 30en Mei, het feest van het patriotisme, dat zou kunnen en

moeten zijn een dag van algemeene verbroedering, een dag, waarop alle

partijstrijd tijdelijk zou rusten en worden vergeten, een feest voor

alle Franschen, groot en klein, omdat Jeanne, ook, al zal de Kerk haar

aanstonds onder hare Heiligen plaatsen op hare altaren, niet toebehoort

aan eenige partij of aan eenig kerkgenootschap, maar aan het vaderland,

dat zij gered heeft en aan het volk dat zij heeft doen ontwaken.

In zijn laatste werk »Les Bourreaux de Jeanne d'Arc« et »Sa Fête

Nationale« (Paris 1915) geeft Fabre verslag van wat hij gedaan heeft en

reeds bereikt heeft om te geraken tot de instelling van het Nationale

Feest.

In 1883 reeds heeft hij voor het eerst het plan geopperd en den 30en

Juni 1884 bereikt de Kamer reeds een wetsvoorstel in dien zin, geteekend

door 252 kamerleden.

In Mei 1894 wordt een aanvang gemaakt met de behandeling van datzelfde

wetsontwerp in den Senaat. Fabre zelf brengt als rapporteur van de

commissie van onderzoek verslag uit in een welsprekende en luid

toegejuichte rede. Maar hij stuit op eenige oppositie. Art. 1 van het

door hem verdedigde en door 128 Senatoren onderteekende wetsvoorstel

luidt: »De Fransche Republiek viert jaarlijks het feest van Jeanne

d'Arc, feest van het patriotisme«, maar hierop is door enkele Senatoren

een tegen-voorstel ingediend van één enkel artikel, dat luidt: »Er zal,

ter eere van Jeanne d'Arc, op het plein te Rouaan, waar zij levend

verbrand werd, een monument worden opgericht met deze inscriptie: »Aan

Jeanne d'Arc. Het dankbare Fransche Volk.««

Senator Demôle treedt op als verdediger van het tegen-voorstel. Wat al

dadelijk bij de discussie in den Senaat in het oog springt, is dat de

politiek in de zaak gemengd wordt. Wij hooren toejuichingen van links,

tegen teekenen van afkeuring van rechts, interrupties van royalisten,

uitroepen van vrijmetselaars. Het is duidelijk, dat de heeren Senatoren

nog niet voldoende van de waarheid »Johanna nostra est« doordrongen

zijn. De royalisten zien kans uit de figuur van Jeanne politieke munt

te slaan en beroepen zich daarbij op het feit, dat Jeanne zich door

God gezonden achtte om den koning te doen kronen en op zijn troon te

bevestigen, maar zij vergeten daarbij voor het gemak het allerdroevigste

figuur, dat Z.M. Karel VII in de geheele geschiedenis van Jeanne

geslagen heeft. De vrijmetselaars staan eenigszins huiverig tegenover

iemand, die door de Kerk reeds zalig verklaard is en op het punt staat

op den R.K. kalender haar heiligen dag te krijgen. Zal de nationale

feestdag, wanneer die samenvalt met den Heiligen dag, niet »ontaarden«

in een zuiver kerkelijk feest? Moeten de Republikeinen zich dan niet

herinneren, dat Jeanne voor het koningschap gestreden en geleden heeft?

»Zoudt gij dan willen«, vraagt een van de sprekers van de tribune, »dat

Jeanne in 1400-zooveel Republiekeinsch geweest was?«

Een figuur als die van Jeanne, die juist als zuivere incarnatie van het

patriotisme, boven alle partijen staat, wordt ook nu weer bezoedeld en

besmeurd, enkel door het feit, dat zij met geweld wordt neergehaald

tot in het politieke strijdperk. »Ook nu weer«, ja zeker, want het

verschijnsel is niet nieuw. Het duidelijkst blijkt dit wel uit de

geschiedenis, die wij hier voor de curiositeit laten volgen, en die wij

ontleenen aan de redevoering van Senator Wallon, van het monument voor

Jeanne, opgericht in Orléans.

21 Juli 1456 werd door één van de Bisschoppen, die deel hadden genomen

aan het proces van rehabilitatie, en door den Inquisiteur van Frankrijk,

ter herinnering aan Jeanne een kruis opgericht, dat tegen het einde van

de vijftiende eeuw werd vervangen door een monument, opgericht uit

vrijwillige bijdragen van de vrouwen van Orléans.

Dit monument wordt in 1567 verwoest door de protestanten, weer hersteld

in 1570, weer verwoest in 1793 door de Revolutie, en met toestemming van

den Eersten Consul Bonaparte, weer opgebouwd in 1804, en eindelijk in

1855 vervangen door het monument, dat er nu nog staat.

Maar gelukkig, het eind van de discussie in den Senaat is toch, dat het

wetsvoorstel van de commissie wordt aangenomen met 145 tegen 92 stemmen,

en het voorstel omtrent het nationale monument met 180 tegen 20 stemmen.

18 Juni 1894 verhuist het wetsvoorstel naar de Chambre des Députés, waar

het op dit oogenblik nog ligt.

Het geheele ontwerp, zooals het nu luidt, bestaat uit de drie volgende

artikelen.

Art. 1.

De Fransche Republiek viert jaarlijks het feest van Jeanne d'Arc, feest

van het patriotisme.

Art. 2.

Dit feest heeft plaats den tweeden Zondag van Mei, verjaardag van de

bevrijding van Orléans.

Art. 3.

Er zal, ter eere van Jeanne d'Arc, op het plein te Rouaan waar zij

levend verbrand werd, een monument worden opgericht met deze inscriptie:

Aan Jeanne d'Arc.

Het dankbare Fransche volk.

Meer dan eens heeft men getracht urgentie voor de behandeling van het

wetsvoorstel te verkrijgen, doch te vergeefs. Monsterpetities zijn er

bij de Kamer ingekomen, o. a. een van de Fransche vrouwen, om er op

aan te dringen, dat de behandeling aan de orde van den dag zal worden

gesteld. De afgevaardigde de Mahy, zelf vrijmetselaar, trotseert het

veto van zijn orde, dient een rapport in, waarin hij pleit voor spoedige

behandeling van de wet, »die hem evenals heel Frankrijk, zoo na aan

het hart ligt«. Belangrijke onderdeelen van het groote Gemeenebest

zijn intusschen de Regeering voorgegaan, hebben het goede voorbeeld

gegeven. In Juli 1890 reeds verklaarde de »Conseil Supérieur de

l'Instruction publique« den 8en Mei tot feestdag voor alle inrichtingen

van Openbaar Onderwijs. Met algemeene stemmen heeft ook reeds de

Academische Senaat te Parijs besloten tot de jaarlijksche viering van

een universiteitsfeest voor Jeanne d'Arc binnen haar geheele gebied.

In 1912 brengt de afgevaardigde Aynard in de Kamer het rapport uit

van de commissie van onderzoek, en eindelijk in December 1914 kondigt

Maurice Barrès aan, dat hij het wetsvoorstel opnieuw zal indienen

aan het Bureau van de Kamer. Maar de Minister-President verzoekt hem

dit voorloopig uit te stellen en Maurice Barrès, hoewel persoonlijk

overtuigd, dat de Minister-President hierin ongelijk heeft, acht het

met het oog op de hoogst ernstige tijden, thans niet het moment daarover

met hem in discussie te treden, en onderwerpt zich dus aan zijn

verlangen.

»Le Président du Conseil a-t-il tort, a-t-il raison?« vraagt Maurice

Barrès zich af, en er zijn er in Frankrijk, die hem daarop zouden willen

antwoorden: »Il a raison« en daarbij zouden willen aanvoeren, dat men

toch in deze dagen nu Frankrijk en Engeland zijde aan zijde strijden

tegen een gemeenschappelijken vijand, niet vergeten moet, dat Jeanne

juist tegen de Engelschen gevochten heeft, en dat hoewel zij gevonnist

werd door een rechtbank voor het meerendeel bestaande uit Fransche

priesters, het toch in de eerste plaats de Engelschen zijn, die hare

veroordeeling bewerkstelligd en haren dood veroorzaakt hebben. Maar

ook in deze moeilijkheid is voorzien en het is hoogst merkwaardig

te hooren, hoe Joseph Fabre en zijne volgelingen zich met de noodige

spitsvondigheden hier uitredden. Het is evenwel zeker het best en het

onpartijdigst om de eindbeslissing in deze kwestie bij de Engelschen

zelf te zoeken en geheel aan hen over te laten.

Of is het geen spitsvondigheid, wanneer de vrienden van Jeanne in dit

verband er aan herinneren, dat zij zelf heeft verklaard niets liever te

willen dan, wanneer eenmaal de vrede gesloten en het land van vijanden

gezuiverd zou zijn, gezamenlijk met de Engelschen een kruistocht te

ondernemen ter verdediging van de beschaving en het Christendom.

Neen, laten we in dit geval liever luisteren naar hetgeen zij te zeggen

hebben van wie men oppositie vreest, en dus het woord geven aan de

Engelschen zelf.

Als wij dan in de eerste plaats herlezen het warme en enthousiaste

pleidooi dat Andrew Lang ons levert in zijn »Maid of France« zijn wij

dan eigenlijk niet al voldoende op de hoogte van hetgeen het Engeland

van onze dagen denkt over Jeanne? Is het dan nog noodig terug te

gaan naar 1795 toen Robert Southey Jeanne verheerlijkte in een lang

gedicht? Moeten wij dan nog lezen hoe Coleridge den grooten Shakespeare

onderhanden neemt over zijn eerste deel van Henry VI of hoe Thomas de

Quincey haar verdedigt?

Het verwijt van Carlyle: »Hartelooze Franschen, spotters, gij zijt

de edele maagd niet waard!«, lijkt ons wat hard en onverdiend.

Rudyard Kipling treft beter den toon, wanneer hij de bondgenooten

van heden samen de verantwoordelijkheid voor Jeanne's dood laat dragen

en zegt: »Wij vergeven elkaar onze wederzijdsche fouten en de oude,

onvergeeflijke misdaad, de zonde, waaraan elk onzer zijn deel had, op

het Marktplein te Rouaan.«

En wat dunkt U verder van de navolgende aanhalingen ontleend aan een

hoofdartikel in de Times van 29 Januari 1894 en dus geschreven in de

dagen, toen te Rome de eerste stappen werden gedaan voor de

Zaligverklaring:

»Wanneer de dag zal aanbreken van de Heiligverklaring van Jeanne d'Arc,

zullen zelfs zij, die de aanmatiging van Rome absurd of belachelijk

vinden, moeten erkennen, dat nooit edeler figuur aan de vereering der

zielen werd aangeboden.

In geheel de Middeleeuwen is er geen eenvoudiger en schitterender

geschiedenis, geen smartelijker tragedie dan die van het arme, kleine

herderinnetje, dat door haar hartstochtelijk geloof, haar vaderland

heeft opgeheven uit de diepten der vernedering en der wanhoop, om daarna

zelf door de handen harer vijanden de wreedste en schandelijkste dood te

ondergaan.

De verhevenheid en de moreele schoonheid van het karakter van Jeanne

hebben de harten veroverd van alle menschen, en de Engelschen herinneren

zich met schaamte de misdaad waarvan zij het slachtoffer werd....

Was er ooit een natuur zoo oprecht, zoo teeder, zoo rein, zoo innig

vroom?.....

Tegenover de gevangenen is zij zacht en mededoogend. Zelfs voor de

Engelschen is haar ziel vol medelijden. Zij noodigt ze uit om zich met

haar te vereenigen voor een grooten kruistocht tegen den vijand van de

Christenheid.

..... hare laatste woorden zijn woorden van vergeving voor hare beulen.

In Jeanne d'Arc vereert de Roomsche Kerk een _type_, waaraan niet alleen

een natie, maar de geheele wereld hulde zal brengen, het type van de

goede, teedere, reine Christin, in een zinnelijken en meedoogenloozen

tijd.«

* * * * *

En ten slotte voor hen die nu nog mochten twijfelen, nog dit: »Een

Engelsch Gebaar« uit de oorlogsdagen van heden, opgeteekend door Joseph

Fabre:

»Ziehier een gebaar van onze Engelsche vrienden, dat van een zeldzame

kieschheid is, en wel waard dat men er even over nadenkt. De officieren

van de legers van koning George, verpleegd in het Engelsche hospitaal te

Versailles, wenschten hulde te brengen aan de Fransche soldaten, die met

hen strijden op de zelfde slagvelden. Op het lint van een fraaie garve

witte rozen en anjers lieten zij deze woorden plaatsen: »De Officieren

van het algemeene hospitaal van het Britsche leger te Versailles, als

aandenken en betuiging van bewondering aan hunne Fransche kameraden«.

Vervolgens gingen zij, eenvoudig weg, deze garve nederleggen aan den

voet van het standbeeld van Jeanne d'Arc in de Kerk van den Heiligen

Lodewijk in Versailles.«

»Is dat niet schoon?«

Ja zeker is het schoon. Voorwaar een veelzeggend, symbolisch gebaar

van groote suggestieve kracht, dat slechts zijn verklaring kan vinden

in hetzelfde gevoel van oprechte bewondering, dat den Engelschen

bevelhebber bezielde, toen hij order gaf, dat bij de jongste viering van

het Jeanne d'Arc feest, de eerewachten bij hare standbeelden moesten

worden betrokken door Britsche soldaten.

* * * * *

Onze conclusie kan kort zijn. Wanneer de Fransche Regeering thans

besluit tot de instelling van een tweeden nationalen feestdag, het

feest van het patriotisme en gewijd aan Jeanne d'Arc, zal zij voorzeker

handelen in den geest van de overgroote meerderheid van het Fransche

volk. Ook behoeft zij niet bevreesd te zijn voor eenige oppositie van

den kant van den machtigen Britschen bondgenoot, want ook aan gene zijde

van het Kanaal zal het besluit gewaardeerd en met vreugde begroet

worden.

Waartoe dan langer getalmd? Met Maurice Barrès verlangen wij »que

justice soit enfin rendue, après quatre siècles d'ingratitude, à la

sainte de la patrie«.

[Illustratie: SCHETSKAARTJE VAN FRANKRIJK]

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 45 / 66 题