Hoe vreemd dit ook moge klinken over een persoontje, dat op
negentienjarigen leeftijd levend wordt verbrand, toch blijft het waar:
_Jeanne heeft in haar leven veel geluk gehad_. Maar ook dat heeft zij
gemeen met de meeste groote figuren, die zich op hetzelfde gebied
bewogen hebben. Het is haast een gemeenplaats geworden, om te spreken
over de geluksster van sommige groote veldheeren, en zeer in het
bijzonder over die van Napoleon, maar wij weten, dat hij zelf in zijn
ster geloofde en nog iets verder ging in deze richting, wanneer hij
er openlijk voor uitkwam, dat hij geen generaals kon gebruiken zonder
»veine«. De beroemde uitroep van Jeanne, bij de bestorming van les
Tourelles, blijkt te zijn een tooverwoord, dat in één oogenblik beslist
over de geheele krijgsverrichting en eigenlijk een wending geeft aan den
loop van den geheelen verderen oorlog. Komt de eer daarvan niet eerlijk
toe aan haar, die het woord gesproken heeft, en is haar verdienste
minder groot, dan die van Napoleon, als schrijver van de rollende en
knetterende, maar zeer zeker ook bezielende zinnen, in zijne terecht
beroemd geworden proclamaties?
Als bij de aankomst van Jeanne voor Orléans de Engelschen binnen hunne
verschansingen blijven, en ter gelegener ure de wind draait, roepen de
geloovigen binnen de stad: »een wonder!« en vallen dankbaar op hunne
knieën. Wij constateeren »veine«, maar zonder eenige geringschatting,
want het is de veine, die zelfs de grootste schaker noodig heeft, en hem
in staat stelt, te profiteeren van een oogenblik van onbedachtzaamheid,
van een minder goed gekozen zet van zijn tegenpartij.
In het heetst van het gevecht, en bij haar eigenaardige wijze van
strijden steeds in het voorste gelid en op het gevaarlijkste punt,
dient Jeanne het geluk, dat aan zoovele beroemde veldheeren is te beurt
gevallen, als zij »onder een dichten kogelregen, die hunne troepen
decimeerde«, zelf ongedeerd bleven. De keeren, dat zij getroffen of
gewond wordt, is het niet doodelijk en zelfs zonder ernstige gevolgen.
De tijd en de omstandigheden maken, of wilt ge liever, »openbaren«
het genie. Is dat dus ook niet reeds een kwestie van »veine«? Om haar
land te behoeden voor een wissen ondergang, moet Jeanne opgroeien
in een tijd, dat »grande pitié était au royaume de France«. Om hare
hervormingen en verbeteringen in te voeren, moest zij wantoestanden
en verwarring aantreffen, om in de harten en hoofden van hare
tijdgenooten voor het eerst begrippen te prenten van plicht, discipline
en vaderlandsliefde, moest zij leven in den avond der middeneeuwen, om
te werken en zich geheel te geven, moest zij een vruchtbaar arbeidsveld
vinden. Maar dat alles doet niets af aan de grootte van haar genie, want
om een Luther te doen spreken moesten er misbruiken in de Katholieke
Kerk zijn, voor ridders is er een verdrukte onschuld, zijn er draken en
monsters noodig en voor een Herakles een Augiasstal.
* * * * *
Jeanne, de Maagd van Orléans, een voorbeeld van ingetogenheid en
ongeveinsde kuischheid. Ook deze intiemere kant van haar leven en
karakter is in het eerste proces te Rouaan tot in de kleinste
bijzonderheden nageplozen en allerhande lasterpraatjes zijn gretig
verzameld. Het opschrift aan de paal op den brandstapel vermeldde
uitdrukkelijk dat Jeanne o.a. schuldig was bevonden aan »losbandigheid«
maar deze verklaring van hare rechters heeft evenveel waarde als de
overige conclusies uit hun vonnis en kon evengoed afkomstig zijn van
de Engelsche soldaten, die Jeanne nooit anders genoemd en aangesproken
hebben dan als »de heks of de hoer der Armagnacs«.
Jeanne was kuisch en is als maagd gestorven, maar zij was een kind
van haar tijd en was afkomstig van het platte land, m. a. w. Jeanne
_wist_ van hetgeen er destijds in de wereld te koop was, alles wat een
boerenmeisje van haar leeftijd wel weten moest, omdat de natuur en het
leven zelf het haar geleerd hadden en er haar vertrouwelijk mede hadden
gemaakt.
Wij moeten dit goed voor oogen houden. Het bepaalt voor ons de
waarde, die wij hechten kunnen aan de belofte, die Jeanne reeds op
dertienjarigen leeftijd aan hare Heiligen doet »dat zij maagd zal
blijven, zoolang het God behaagt« en het houdt bovendien voor ons een
verklaring in voor den hardnekkigen en verwoeden strijd door Jeanne
aangebonden en tot het einde toe gevoerd tegen de gewoonte, dat vrouwen
van lichte zeden medetrokken in den tros van de legers.
Is het feit dat Jeanne ten minste eenig begrip had van wat er in de
wereld op sexueel gebied te koop is, m. a. w. dat zij wist waarvoor zij
zich te hoeden had, niet juist de oorzaak van haar behoud geweest? Zou
zij argeloos en groen van den eersten dag af aan de rechte en juiste
houding hebben kunnen aannemen tegenover al die krijgslieden, waarmede
zij in aanraking kwam en in wier gezelschap zij soms dagen en nachten
achtereen vertoeven moest? Zij beweegt zich met het grootste gemak,
is niet overdreven preutsch, dat zou oogenblikkelijk tot botsingen
geleid hebben en misschien tot erger, maar zij weet de grenzen en het
is vermoedelijk ook weer voor een groot deel aan haar buitengewone
takt te danken geweest, dat al die mannen, die ruwe krijgslieden
van 1400-zooveel, waarmede zij omging, zich ook steeds in haar
tegenwoordigheid op hun gemak hebben gevoeld en haar gerespecteerd
hebben.
Bij het onderzoek te Vaucouleurs voor het eerste proces, heeft men een
relaas opgedaan over een gesprek van Jeanne met Robert de Baudricourt.
De bron er van is niet zeer vertrouwenwekkend en Jeanne heeft, toen zij
er over ondervraagd werd, ook verklaard zich niets van dit onderhoud te
herinneren.
Wij geven het dan ook slechts weer, omdat wij het ons zouden kunnen
voorstellen als een voorbeeld van de wijze waarop Jeanne iemand te woord
staat als den kapitein van Vaucouleurs, die ook in een gesprek met een
jong meisje geen blad voor zijn mond neemt en er niet voor terugschrikt
zich op gewaagd terrein te begeven.
Jeanne zou dan Robert verteld hebben, dat wanneer eenmaal de groote
opdracht, haar door Messire gegeven, volbracht zou zijn, zij zou trouwen
en drie zoons krijgen, waarvan de een paus, de tweede keizer en de derde
koning zou worden.
De schalk Robert vatte hierop dadelijk vuur, zeggende:
»Als dat zulke voorname lui zullen zijn, zou ik je er wel één van willen
maken. Mijn aanzien zou daardoor ook verhoogd worden.«
Maar Jeanne antwoordde kalm en vrijmoedig: »Nennil, nennil, gentil
Robert, zoover zijn we nog niet. En te zijner tijd zal daar dan de
Heilige Geest wel voor zorgen.«
A la guerre, comme à la guerre. In den namiddag van den vierden Mei zien
wij hoe Jeanne die een vermoeienden morgen achter den rug heeft, zich
zonder haar wapenrusting, dat wil dus zeggen, grootendeels ontkleed,
ter ruste begeeft met het dochtertje van haar gastheer, in hetzelfde
vertrek waar d'Aulon zich ook te slapen legt. Door hare stemmen gewekt
en gewaarschuwd dat er gevochten wordt, vliegt zij spoedig daarna weer
overeind en is het ook weer d'Aulon, die haar als kamenier of laten
wij zeggen als schildknaap behulpzaam is bij het aantrekken van haar
wapenrusting. En ten overvloede hooren wij denzelfden d'Aulon in het
proces van rehabilitatie verklaren dat Jeanne mooi en welgevormd was,
en dat hij meerdere malen, als hij haar hielp om zich te kleeden (te
wapenen) of bij het behandelen van hare wonden, hare bloote beenen had
gezien, zonder dat dit in hem eenig vleeschelijk verlangen had opgewekt.
Maar Aimond de Macy en Jeannotin, de kleermaker van de hertogin van
Bedford, weten zich minder goed te beheerschen. Hun beider poging om hun
hand in de boezem van Jeanne te steken bekomt hun slecht. Wij zouden
misschien tot hunne verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat zij mogelijk
geen bepaald slechte bedoelingen hadden, en dat hun vrijpostigheid meer
thuis behoort op het gebied der ongeoorloofde aardigheidjes. Zij
zagen trouwens Jeanne onder geheel andere omstandigheden dan hare
krijgsmakkers, de heldin is ontwapend, de Heilige mist haar aureool.
Bepaald stuitend en grievend is alles wat op dat gebied hare vijanden
haar aandoen. Wij hebben Jeanne zien schreien op de brug van Orléans
toen de Engelschen haar laatste sommatie in ontvangst namen met
den kreet: »Er is nieuws van de hoer van de Armagnacs!« en wij
zijn er getuige van geweest hoe zij het arme schepseltje schier tot
vertwijfeling brengen door haar in haar gevangenschap bloot te stellen
aan de ruwe en schandelijke bejegening van hare bewakers. Een van de
getuigen in het proces van rehabilitatie heeft zelfs verklaard dat
Warwick tot tweemaal toe op de hartverscheurende kreten van het jonge
meisje is toegesneld om haar te beschermen tegen de beestachtige
belagingen van de Engelsche soldaten die de wacht hielden in haar
kerker. Hoewel met zware ketens aan handen en voeten geboeid is Jeanne
blijkbaar toch in staat geweest haar lijf te verdedigen, maar zij had
ooren, die hoorden en oogen, die zagen.... en wij doen beter de onze te
sluiten en deze gruwelen te laten in het afschuwelijk duister, waarin ze
thuis hooren.
Maar telkens weer, als wij denken aan den smaad en de ellende, het
arme schepseltje in de dagen van haar gevangenschap door haar vijanden
aangedaan, hooren wij den wanhoopskreet waarmee zij ineenzinkt als
zij vernomen heeft, dat zij den volgenden dag op den brandstapel moet
sterven: »Mijn lichaam, dat ik tot het einde toe rein en ongerept heb
weten te houden, zal dus verbrand, en tot asch verteerd moeten worden!«
Hoe diep weemoedig ze ook zijn, toch bevatten deze woorden voor ons
iets, dat klinkt als een troost, omdat deze kreet, die plotseling
opwelde uit het diepst van haar gemoed de waarheid bevat en niets dan de
waarheid: Jeanne is volkomen rein en als Maagd gestorven.