GENIE EN PUCELLE.

Wat was Jeanne d'Arc? Voor de Katholieken een Heilige, voor andere

geloovigen een uitverkorene des Heeren, iemand die een roeping te

vervullen had uit naam van God en die ook vervuld heeft. Dit is zeker

wel de gemakkelijkste en eenvoudigste verklaring, die verder alle

commentaar en onderzoek overbodig maakt.

Voor anderen weer en o. a. voor Anatole France en Dr. G. Dumas,

vermoedelijk een hysterica met eenzijdige hallucinaties, die volgens

de théorie van Charcot waarschijnlijk gepaard zijn gegaan met halve

ongevoeligheid. Omtrent dit laatste punt van de halve ongevoeligheid had

de pijnbank zekerheid kunnen geven, zegt Dr. Dumas bijna op een toon,

alsof hij het betreurt, dat door dit verzuim van Jeanne's rechters het

ziektebeeld niet volkomen duidelijk is geworden. Neen, zekerheid kan

de groote neuropatholoog op dit punt niet geven, »een retrospectieve

diagnose«, na bijna vijf eeuwen is niet mogelijk. Maar bovendien,

wanneer de naam van Jeanne thuis behoort op de lijst van de groote

hystericae, dan nog zou deze ziekte slechts eene verklaring kunnen

geven van hare visioenen en hallucinaties. Slechts een onderdeel dus,

want dit is zeker, en dat erkent Dr. Dumas ook aan het slot van zijn

verklaring, het verstand en de wil van Jeanne blijven, te oordeelen naar

de gegevens, die wij bezitten, tot aan het einde van haar leven volkomen

gezond.

Nu wij ons toch op het gebied der pathologie bewegen, willen wij

volledigheidshalve vermelden, hoe d'Aulon geopperd heeft, dat Jeanne

nooit de maandelijksche ongesteldheden gekend heeft der huwbare vrouw.

Tegen dit vermoeden pleiten haar physieke kracht en buitengewoon

uithoudingsvermogen, haar normaal ontwikkeld kuischheidsgevoel en de

flink ontwikkelde lichaamsbouw, die Aimond de Macy en den kleermaker

van de hertogin van Bedford, tot ongepaste vrijmoedigheid verleidt.

Wat m.i. vast staat is, dat Jeanne enkele verschijnselen van »eviratie«

vertoont. Het liefst gaat zij om met hare krijgslieden en onder hen

gevoelt zij zich ook het best thuis. Hoewel zij niet zelf doodt, bevindt

zij zich het meest in haar element, in volle actie, in het heetst van

het gevecht. Zij rijdt uren, ja soms dagen achtereen te paard, zij is

een uitstekend en onvermoeibaar ruiter. En dan, en dat is misschien

wel het voornaamste verschijnsel, haar groote voorliefde voor het

mans-costuum. Zeer zeker had dit costuum ook groote voordeelen voor

haar; zij zat er gemakkelijker mede te paard, zij gevoelde zich er

veiliger in op hare tochten, die soms dagen duurden, in het gezelschap

van uitsluitend mannen, maar opvallend is toch het gemak, waarmede zij

het aanneemt en waarmede zij zich van het begin af aan er in beweegt.

Ondanks deze eviratie-verschijnselen evenwel moeten wij ons wel wachten,

ons Jeanne voor te stellen als een soort man-wijf. Het is en blijft een

door en door vrouwelijke verschijning, en de bekoring die van haar

uitgaat, is die van een negentienjarig meisje.

Maar wat bereiken wij voor de verklaring van de groote hoofdzaak, van de

persoon van Jeanne, zooals die voor ons leeft, met al deze min of meer

pathologische verschijnselen? Pailleron heeft het zoo fijntjes gezegd:

»Men heeft Jeanne d'Arc verbrand en men heeft haar verklaard«.

»De Engelschen hebben er een martelares van gemaakt en de geleerden een

hysterica«.

»Ik houd mij bij de Engelschen«.

Wat heeft de zeer positieve oppositie van Jeanne tegen de politiek van

de hofkliek van Karel VII, tegen de politiek der wapenstilstanden, wat

heeft het scherpe doorzicht, dat haar doet aandringen op den tocht naar

Reims, dien zij met geweld moet doordrijven, wat heeft eindelijk de door

haar bij meer dan één gelegenheid getoonde krijgsmanskunst te maken

met mogelijke hysterie? Is het voor ons niet belangrijker dat generaal

Davout haar een doorkneed strateeg noemt, dan dat Dr. Dumas vermoedt dat

zij hysterica was?

Wanneer het waar is, wat sommigen beweren, dat Napoleon epilepticus

was, verklaart dat dan zijn verhouding tot zijne soldaten, verklaart dat

Marengo en Austerlitz?

Neen, wat Frankrijk in den beklagenswaardigen toestand, waarin het in

de laatste jaren voor Jeanne's verschijnen verkeerde, voor haar redding

noodig had, was een genie, een boven alles uitblinkenden geest, een

waarlijk groot karakter. Het genie, dat zich zelf bewust is genie te

zijn en zich als zoodanig boven andere aardsche grootheid verheven

gevoelt, vinden wij in de analphabeet Jeanne d'Arc. Haar goddelijke

roeping wordt dan voor ons het zelfbewustzijn dat zij Frankrijk kan

en dus moet redden. Zij heeft zich dit als taak gesteld, omdat zij de

kracht daartoe in zich voelt, en zal het dus volbrengen. Door haar

voorbeeld leert zij haren tijdgenooten wat is plichtbesef en liefde voor

het vaderland. Hiervoor is het noodig dat zij zelf een weg bewandelt,

die dood loopt op den brandstapel. In Godsnaam, zij zal daardoor haar

doel bereiken en zij zal Frankrijk redden.

Wanneer de innig vrome Jeanne zegt: »goddelijk roeping« en wij zeggen:

»genie«, geven we dan niet elk een andere benaming aan hetzelfde begrip?

Als »fille de Dieu« treedt zij vrijmoedig haren koning, met alle grooten

van het hof, tegemoet en tracht ze te bewegen haar te volgen, zich

zonder meer aan haar leiding toe te vertrouwen; met de zelfbewustheid

van het genie zegt zij haren Rouaanschen rechters waar het op staat,

stelt zij zich op een standpunt, van waar zij over hunne mijters en

kardinaalshoeden heen kan zien, werpt zij Cauchon de simpele waarheid

voor de voeten: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!«

Voor mij persoonlijk bestaan er geen Heiligen in den zin der Katholieke

Kerk, en ik geloof dus niet aan hunne wonder-verschijningen, maar het

staat voor mij vast, dat Jeanne hare Heiligen gezien en hare stemmen

gehoord heeft, en dat zij volkomen te goeder trouw is geweest in

hare mededeelingen hierover. In hoeverre hare visioenen wijzen op

pathologische afwijkingen en waar een dergelijk »geval« dan verder moet

worden ondergebracht, ik herhaal het, het laat mij tot op zekere hoogte

koud. De hoofdzaak is voor mij, dat Jeanne in de oogenblikken, dat

wij haar het meest bewonderen, bewijst, te beschikken over een helder

doorzicht, een ruime mate van goede logica en een buitengewoon gezond

verstand.

Het meest krijgen wij m. i. den indruk, dat Jeanne met hare begrippen

haar tijd verre vooruit is, als wij hare antwoorden lezen op de

strikvragen van hare rechters. Nemen wij als voorbeeld het verhoor, dat

den 31en Maart, den dag voor Paschen, plaats heeft in den kerker. De

rechters doen een hernieuwde poging om van Jeanne de verklaring te

verkrijgen, dat zij zich onderwerpt aan de Strijdende Kerk.

»Gelooft gij niet«, wordt haar gevraagd, »dat gij onderworpen zijt aan

Gods Kerk hier op aarde, dat wil zeggen aan onzen Heiligen Vader den

Paus, aan de kardinalen, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere

prelaten van de Kerk?«

Waarop zij het buitengewoon treffende antwoord geeft:

»Oui, Notre Sire Dieu premier servi.«

Voor hare rechters klinkt deze verklaring als een gewone uiting van

insubordinatie tegen de Kerkelijke discipline, als een ketterij,

zonder meer. Maar wij hooren daarin iets anders en ten opzichte van

een verklaring als deze staan wij weer op een ander standpunt als de

Fransche biografen van Jeanne, die allen, ook al zijn er onder hen

vrijdenkers, zooals Anatole France, leven in een Katholiek land en

opgevoed zijn met Katholieke begrippen. Met dit beroemde »Dieu premier

servi« doet Jeanne een stap van eenige eeuwen tot zelfs ver over de

Kerkhervorming heen.

Ik zal niet beweren, dat Jeanne met dit gezegde heeft willen te kennen

geven, dat zij zich geen getrouwe dochter gevoelde van de Alleen

Zaligmakende Kerk, maar zij belijdt hier voor het eerst de groote

waarheid, dat hetgeen, waar het voor alle geloovige en vrome menschen in

de allereerste plaats op aan komt, is hun persoonlijke verhouding tot

God, afgescheiden van wat daaromtrent de dogmata der Kerken en andere

door menschen gestichte genootschappen ook leeren en voorschrijven.

Even te voren was haar gevraagd:

»En indien de Strijdende Kerk U beval het tegendeel te doen (van wat gij

in het proces verklaard hebt op bevel van God gedaan te hebben)?«

Waarop Jeanne geantwoord had:

»In geval de Strijdende Kerk mij beval het tegendeel te doen, zou ik mij

op geen mensch ter wereld verlaten, maar op God alleen, en ik zou steeds

Zijne bevelen volgen.«

Daar hebben wij het al. Geen mensch ter wereld, geen priesters, geen

concilie, geen Kerk kan wijziging brengen in hetgeen zij volgens haar

geweten is overeengekomen met God. Zij voelt bij intuitie wat wij

kinderen van de twintigste eeuw gerust hardop durven zeggen, dat onze

verhouding tot God niet afhangt van en niets te maken heeft met de

Kerk of de godsdienstige secte waartoe wij behooren, dat waarachtige

vroomheid en Godsvrucht mogelijk is bij menschen, voor wie er geen Kerk

bestaat en die niet thuis hooren in een van de vakjes, waarin men gewoon

is de Christenen te verdeelen.

Met zulk een verlichting moest men Cauchon en zijnen mederechters nog

niet aankomen, maar zelfs voor de ooren van Calvijn en Luther waren deze

woorden nog niet geschikt, evenmin als voor allen voor wie in onze dagen

begrippen als vroomheid en geloof nog niet te scheiden zijn van een

Kerkgenootschap of Godsdienstige secte.

[Illustratie: Ruiterstandbeeld van Jeanne d' Arc te Reims.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 41 / 66 题