Vermoedelijk uit angst voor een tweede, gelukkiger poging tot
ontvluchten, laat Jean de Luxembourg haar overbrengen naar het kasteel
Beaurevoir, waar zich op dat oogenblik bevinden Jeanne de Béthune, zijn
vrouw, met haar dochter uit haar eerste huwelijk, Jeanne de Bar en zijn
tante.
Deze drie dames spreken vaak en zeer vertrouwelijk met Jeanne. Zij mogen
haar graag en zijn getroffen door haar schoonheid, haar lieftalligheid,
haar innige vroomheid. Het hindert hun alleen, dat Jeanne manskleeren
blijft dragen. Zij vinden dit onbetamelijk, onderhouden er haar over,
bieden haar zelfs vrouwenkleeren aan of stof om daar zelf vrouwenkleeren
van te maken.
Hun oprechte belangstelling maakt wel indruk op Jeanne, maar zij kan
hun raad niet volgen, zij heeft daartoe nog geen toestemming van haar
Heer ontvangen. Later heeft zij wel verklaard dat, indien zij haar
manskleeren had moeten afleggen, zij het eerder op verzoek van deze
dames had gedaan, dan van eenige andere dame in Frankrijk, uitgezonderd
de Koningin.
Verder nog ontvangt zij dikwijls bezoek van een Bourgondischen edelman,
Aimond de Macy genaamd. Hij spreekt gaarne met haar, maar schijnt ook
niet ongevoelig te zijn ondanks haar manskleeren of, wie weet, juist
daardoor, voor de jonkvrouwelijke bekoring, die er van de achttienjarige
gevangene uitgaat. Zijn poging om zijn hand in haar boezem te steken
wordt door Jeanne op forsche en niet al te zachthandige wijze verijdeld.
In het algemeen moeten wij ons een gevangene in die dagen niet
voorstellen als geheel afgesloten van de buitenwereld. Men kan Jeanne
bezoeken, met haar spreken. Zij blijft daardoor op de hoogte van hetgeen
er gebeurt in Frankrijk en van het lot van »die goede lieden van
Compiègne«. Voortdurend is zij in gedachten in Compiègne. De berichten,
die zij ontvangt, zijn afwisselend, tegenstrijdig, maar zoowel de goede
als de kwade tijdingen laten haar rust noch duur. Is de stad in nood?
Zij wil er heen om hare vrienden te helpen. De gedachte dat de stad zal
worden ingenomen, uitgemoord en verbrand, doet haar menig bang oogenblik
doorleven. Zij wil er heen; ze wil weg uit de zeventig voet hoogen
toren, waarin men haar heeft opgesloten, zij wil ontsnappen, al zou dit
ook gepaard moeten gaan met een levensgevaarlijken sprong. In de
eenzaamheid raadpleegt zij hare stemmen, hare Heiligen.
De Heilige Cathérine tracht haar eenigszins te kalmeeren en gerust te
stellen:
»Waag den sprong niet, God zal U en eveneens de lieden van Compiègne
helpen«.
Maar ook deze belofte vermag niet haar te vreden te stellen. Zij treedt
met de Heilige Cathérine in discussie; zij is dankbaar maar niet
voldaan:
»Wanneer God dan de lieden van Compiègne te hulp zal komen, wil ik er
bij zijn«.
Bij de voortdurende ongerustheid over het lot van hare vrienden, voegt
zich nog haar doodelijke angst dat men haar zal overleveren aan de
Engelschen.
In dezen zwaren strijd, zijn het eindelijk haar zucht naar vrijheid en
de angst voor het lot, dat haar wacht, als men haar uitlevert aan de
Engelschen, die overwinnen, die haar het verbod van hare Heiligen doet
overtreden. Zij waagt den sprong.
Als men haar bewusteloos vindt liggen en voor dood opneemt en wegdraagt,
zijn het hare Heiligen die haar troosten.
De Heilige Cathérine spreekt haar moed in: zij zal genezen en Compiègne
zal geholpen worden.
Dat doet haar gelooven dat het haar Heiligen zijn, die haar bij
haar sprong van den dood gered hebben. Zij toont berouw over haar
ongehoorzaamheid. Dan raadt de Heilige Cathérine haar aan haar schuld te
biechten en God vergiffenis te smeeken, dat zij den sprong gedaan heeft
en eindelijk na haar biecht stelt haar Heilige haar gerust: God heeft
haar vergiffenis geschonken.
Na drie of vier dagen is zij van de gevolgen van haren sprong hersteld.
Na den sprong van Beaurevoir acht Jean de Luxembourg zijn gevangene
aldaar niet meer voldoende in veiligheid. Hij is niet alleen bang, dat
hare vrienden vroeg of laat een poging zullen doen haar te bevrijden,
maar van Engelsche zijde worden hem groote sommen geboden, wanneer hij
hun Jeanne wil overleveren.
Na overleg met Philips van Bourgondië brengt hij Jeanne tegen het eind
van September naar Arras, vermoedelijk naar het kasteel la Cour le
Comte. Van verschillende zijden blijft men het hem lastig maken, blijft
men bij hem aandringen dat hij de »porte-bonheur des Armagnacs« zal
uitleveren aan de Godons, die lokkend blijven rammelen met hun goud. De
Parijsche Universiteit gaat in haar edelen ijver zelfs zoover, dat zij
Monseigneur Jean dreigt met den banvloek, wanneer hij het bod van de
Engelschen afslaat. Eindelijk tegen half November besluit hij tot den
verkoop voor tienduizend gouden kronen. Voorwaar een koninklijke prijs.
Van Arras wordt Jeanne nu vervoerd naar Crotoy en aldaar aan haar
doodsvijanden overgeleverd. Van Crotoy brengt men haar over Saint-Valery
en Dieppe naar Rouaan, waar zij tegen Kerstmis aankomt en waar zij
opgesloten wordt in den toren van het Oude Kasteel.
Rouaan zal zij niet meer verlaten. Met de uitlevering van Jeanne aan
de Engelschen is eigenlijk haar doodvonnis in beginsel reeds geteekend.
Toch zullen er nog vijf maanden moeten verloopen, vijf lange maanden van
moreele en geestelijke marteling voor onze negentienjarige heldin, eer
de beul haar in handen krijgt.
* * * * *
Van het oogenblik af, dat Jeanne gevangen was genomen, hadden zich
verschillende machten in beweging gesteld, om zich van haar meester te
maken en haar uit den weg te ruimen. Hiertoe behoorde in de eerste
plaats de Parijsche Universiteit.
Onder de eerste processtukken treffen we al dadelijk aan:
1e. Een brief van de Universiteit aan den Hertog van Bourgondië om hem
te verzoeken Jeanne over te leveren aan den Bisschop van Beauvais.
2e. Een brief d.d. 14 Juli 1430 van haar aan Jean de Luxembourg, met
de bede om toch vooral Jeanne niet tegen losprijs weer aan haar
vrienden uit te leveren en eindelijk
3e. Een brief van de Sorbonne aan den koning van Engeland (d.d. 3 Jan.
1430) waarin zij hem smeekt dat Jeanne toch naar Parijs zal worden
overgebracht om zich daar te verantwoorden voor eene kerkelijke
rechtbank.
De ijver, die dit beroemde lichaam, dat slechts een bron van licht
had behooren te zijn voor heel de beschaafde wereld, betoont in
deze zaak van afschuwelijke duisternis, kent geen grenzen en nadert
het ongeloofelijke. Geen enkele van de groote biografen van Jeanne
is er in geslaagd of heeft zelfs een ernstige poging gewaagd het
optreden van de illustre Sorbonne in deze zaak goed te praten of
te verdedigen. Integendeel de meesten raken in vuur en uiten hun
heilige verontwaardiging in een heftig en welsprekend: »J'accuse«!
De Parijsche Universiteit haatte Jeanne en zag in deze ketterin, die
volgens hare overtuiging van den duivel bezeten was, een groot gevaar.
Maar de voornaamste reden, waarom het voor de Parijsche Universiteit
van het grootste belang was, dat Jeanne in het openbaar als afvallige
van de Heilige Moederkerk en als ketterin werd terechtgesteld, moeten
wij naar mijne meening nog elders zoeken. Zij ligt meer op politiek
terrein. Parijs was n.l. in handen der Engelschen. De Universiteit was
de getrouwe dienares van den Regent, die van zijn kant haar daarvoor
zijn genegenheid en dankbaarheid meermalen met daden getoond had. Als
noodzakelijk gevolg hiervan ontkende de Universiteit ten eenenmale het
goede recht van Karel VII op den troon van Frankrijk. Het bericht dat
er een jonge maagd aan het hof van Karel te Chinon was verschenen, die
beweerde door God gezonden te zijn om hem weer in het bezit te stellen
van den ouden Troon, had hen getroffen als een plotselinge donderslag.
De tijdingen omtrent het succes der Fransche troepen onder Jeanne's
leiding, omtrent den tocht naar Reims en de kroning, had hen met schrik
en angst vervuld. Wat zou hun lot zijn wanneer het Karel gelukte de
hoofdstad te veroveren? Één middel was er slechts om hun afvalligheid
en trouweloosheid, waarvan zij zich in het diepst van hun ziel bewust
moeten geweest zijn, te verdedigen en te rechtvaardigen.
Die vrouw, die maagd, die zich uitgaf voor een bode van God zelf,
die vrouw moest in een officieel en openbaar proces, door de Heilige
Inquisitie, door de geheele Heilige Moederkerk schuldig bevonden worden
aan ketterij. Die vrouw moest als een dienares des duivels haar dood
vinden op den brandstapel.
In de tweede plaats noemen wij Pierre Cauchon, bisschop van Beauvais.
In zijn optreden in die dagen doet hij ons denken aan het roofdier,
opgeschrikt door de lucht van het aas. Nauwelijks heeft het bericht
van Jeanne's gevangenneming hem bereikt of hij zet zich in beweging
en begeeft zich naar Compiègne. Hij eischt Jeanne op, omdat zij is
gevangen genomen binnen het gebied van zijn diocees. Niet alleen wordt
deze bewering door enkelen beslist bestreden, maar bovendien kan zij
toch onmogelijk als verklaring dienen voor zooveel ijver, zooveel
hardnekkigheid. De leugen ligt er te dik op, maar is doorschijnend
genoeg om daaronder duidelijk te doen herkennen, een krachtig verlangen
om de Engelschen in het gevlei te komen en verder bovenal: persoonlijke
wraakzucht. Cauchon koestert tegen Jeanne een doodelijken haat. Van haar
eerste optreden af aan heeft zij hem schier in alles gedwarsboomd en
benadeeld, en staat zij zijn carrière beslist in den weg.
Als diplomaat was de bisschop van Beauvais een voorstander van den
wapenstilstand. Hij trad als onderhandelaar op tusschen Karel VII en
Philips van Bourgondië en bewees in deze hoedanigheid door zijn list
en geslepenheid, aan den Bourgondiër belangrijke diensten.
Jeanne daarentegen was de vrouw van de daad. Zij wilde van geen
wapenstilstand weten, drong er steeds bij Karel VII en zijne raadslieden
op aan, krachtig door te zetten tot het einde toe; eerst Orléans, dan
Reims, vervolgens Parijs en dan eindelijk de Engelschen het land uit en
de zee over.
Maar, en dat woog nog zwaarder, ook als Bisschop heeft Pierre Cauchon
tot tweemaal toe voor Jeanne het veld moeten ruimen. Een maand voor de
kroning bevond hij zich nog in zijn volle, bisschoppelijke heerlijkheid
te Reims, maar bij de nadering van het Fransche leger onder aanvoering
van Karel VII en van Jeanne, had Cauchon zich uit de voeten gemaakt.
Evenzoo verging het hem in zijn eigen Bisschopsstad Beauvais. Cauchon
had de bevolking geraden de poorten van de stad te sluiten en de plaats
tegen de troepen van den koning te verdedigen. Maar tegen zijn advies
in hadden zij den koning de sleutels van Beauvais gebracht en Jeanne
met haar troepen in triumf binnengehaald. Den bisschop bleef toen niets
anders over dan de vlucht: hij zocht zijn veiligheid bij den hertog van
Bedford en bij Philips van Bourgondië.
Dat zijn bittere pillen, die zwaar op de maag liggen, en die zelfs een
bisschop niet licht verteert.
Thans biedt zich een gelegenheid dien smaad te wreken. De blaadjes zijn
omgekeerd: Jeanne is gevangen, de vogel is in het net. Cauchon neemt de
leiding. Langzaam maar zeker zullen wij hem zien afgaan op het doel,
dat hij voor oogen heeft. De vogel zal tegenspartelen, Jeanne zal zich
dapper verdedigen tot het einde toe. Wat baat het haar? Waar een Pierre
Cauchon de lijnen van het net in handen heeft, is geen ontsnappen
mogelijk. Hij zal zijn rol tot het slot met volkomen meesterschap
vervullen en als eindelijk zijn slachtoffer, tengevolge van zijn eigen
toedoen, valt, zal zelfs de theatrale traan van meelij niet ontbreken.
* * * * *
Jeanne, in handen van de Engelschen, wordt bij brieven van 3 Januari
1431 door den koning Hendrik VI overgeleverd aan den Bisschop van
Beauvais. Zij zal zich te verantwoorden hebben voor een geestelijke
rechtbank.
Pierre Cauchon zelf zal voorzitter zijn, aan hem dus ook de zorg voor
het uitkiezen en bijeenroepen van de overige leden van dit illustre en
verheven lichaam.
Naast Cauchon vinden wij Jean Lemaître, een dominicaner als Vicaris van
den Inquisiteur te Rouaan, en Jean d'Estivet als Promotor.
Als eerste griffier zal zitting nemen Guillaume Manchon, die zal worden
bijgestaan door Guillaume Colles, bijgenaamd Boisguillaume.
Wij willen geen droge opsomming geven van alle namen van de leden van
dit college, waarin o.a. zitting nemen tien abbés van de groote abdijen
in Normandië, die mijters dragen evenals de bisschoppen, bijgestaan door
drie priors, verder zestig assessoren en eindelijk alle geestelijken van
het kapittel te Rouaan. Wij kunnen volstaan met het noemen van enkele
der voornaamsten met hun titels en soms met hun toekomstige titels, dit
laatste om duidelijk te doen uitkomen, dat ondanks het latere proces van
rehabilitatie, de medeplichtigheid aan den dood van Jeanne de rechters
van het eerste proces niet bepaald geschaad heeft in hun carrière.
Wij vermelden dus nog:
Henri Beaufort, Kardinaal van Engeland, chef van den Engelschen Raad.
Louis de Luxembourg, broeder van Jean de Luxembourg, Bisschop van
Thérouanne, later kardinaal.
Jean de Castiglione, een Italiaan, aarts-diaken van Évreux, later
kardinaal.
William Ahnwick, Bisschop van Norwich, een Engelschman.
Jean de Mailly, Bisschop van Noyon. Hij zal later ook deelnemen aan het
proces van rehabilitatie.
Gilles de Duremort, Jean Lefévre, Richard Prat (Engelschman) drie
toekomstige bisschoppen; Raoul Roussel, Pasquier de Vaulx, Robert
Ghillebert, drie toekomstige aartsbisschoppen.
Ten slotte nog deze enkele, merkwaardige bijzonderheid: Nicole Midy, de
rechter, die Jeanne in het openbaar toespreekt op den dag van haar dood,
is dezelfde, die in 1438 de officieele feestrede uitspreekt bij den
blijden intocht van Karel VII in Parijs en Thomas de Courcelles, een
andere rechter van Jeanne, zal bij den dood van den koning de plechtige
lijkrede houden.
* * * * *
De zaak wordt geheel in den vorm en deugdelijk voorbereid. In Domremy
worden inlichtingen genomen en ook op andere plaatsen waar Jeanne
vertoefd heeft. Personen, waarmede zij heeft omgegaan, en nog andere
getuigen worden gehoord. Kortom, alle mogelijke gegevens worden
verzameld, maar bijna uitsluitend uit Engelsch-Bourgondische bron.
Maître Maugier, de advocaat van de familie d'Arc in het proces van
Rehabilitatie, heeft er later op gewezen, dat de gunstige informaties,
die men omtrent Jeanne had gekregen in haar geboorteland, zich niet in
het dossier van het proces te Rouaan bevinden, en dus vermoedelijk
verdonkeremaand zijn.
Eindelijk wordt Jeanne gedagvaard tegen den 21en Februari. Zij verklaart
zich bereid te verschijnen, doch verlangt dat aan de Rechtbank, zooals
deze thans is samengesteld, een gelijk aantal Fransche geestelijken van
haar partij zal worden toegevoegd, en dat men haar zal toestaan de Mis
te hooren. Deze beide verzoeken worden door den Bisschop-voorzitter
afgewezen.
Terwijl dus Cauchon van zijn kant de zaak in alle opzichten goed heeft
voorbereid, is er van eenige voorbereiding van de kant van Jeanne geen
sprake kunnen zijn. Zij heeft geen advocaat, geen verdediger, geen
raadsman: zij heeft met niemand overleg kunnen plegen, er zijn voor haar
geen getuigen à décharge opgeroepen, zij weet eigenlijk niet waar het om
gaan zal, waarvan men haar beschuldigt.
Als Jeanne den 21en Februari voor hare rechters verschijnt is zij
gekleed in manskleeren en blootshoofds, hare handen en armen zijn vrij,
maar hare voeten zijn geboeid met zware ketenen.
Volgens het recht en de gewoonten van dien tijd, had men Jeanne, van
het oogenblik af, dat zij gevangene was van de Kerk, behooren over te
brengen naar eene behoorlijke gevangenis, waar zij door vrouwen bewaakt
werd. Maar de Engelsche heeren stoorden zich niet aan die gebruiken. Zij
bleef dus opgesloten in een donkere cel, met zware ketens aan handen en
aan voeten en werd dag en nacht bewaakt door Engelsche voetknechten. Dit
laatste vooral is mogelijk wel een van de wreedste en meest verfijnde
martelingen geweest, die men dit jonge meisje van negentien jaar heeft
doen ondergaan. De soldaten van dien tijd waren over het algemeen ruwe,
zedelooze en gewetenlooze kerels, de legers waren samenraapsels van
allerhande schuim. Het is wel merkwaardig juist uit den mond van Andrew
Lang, den Engelschen biograaf van de Maid of France, de verzuchting
te hooren, dat wanneer Jeanne in handen was gekomen van Philips van
Bourgondië, zij waarschijnlijk toch wel verbrand zou zijn, maar de
Bourgondiër zou in zijn zucht naar wraak niet zoo diep gezonken zijn en
zou haar niet zoo laaghartig behandeld hebben als de hertog van Bedford
en de graaf van Warwick gedaan hebben.
Het costume waarin Jeanne verscheen, maakte dadelijk al op de meeste
van hare rechters een slechten indruk, alsook het feit dat zij zich
vertoonde met ongedekten hoofde, met hare mooie, zwarte haren kort
afgeknipt boven het oor. De vrouwen van dien tijd, zelfs die van het
laagste soort, zag men nimmer blootshoofds. Het is dus eenigszins te
begrijpen, dat deze breede schare van celibatairen aanstoot nam aan de
voor hen vreemde verschijning van Jeanne.
* * * * *
Het verhoor van den eersten dag is dadelijk voor Jeanne van het grootste
belang. Het gaat om niets meer of minder dan de vraag: zal Jeanne door
haar eed en haar eerste optreden de wettigheid en de bevoegheid van
de Rechtbank erkennen? Wij zullen zien dat zij in hare antwoorden de
moeilijkheid ontwijkt:
Cauchon: »Jeanne, zweer met de hand op het Heilig Evangelie, dat gij
naar waarheid zult antwoorden op de vragen, die U zullen worden
gesteld.«
Jeanne: »Ik weet niet waarover gij mij zult ondervragen. Misschien zult
gij mij wel dingen vragen, die ik U niet mag zeggen.«
Cauchon voelt de handigheid van dit antwoord, maar hij laat niet los,
hij wil den eed.
Jeanne: »Ik zal antwoorden over wat ik gedaan heb, maar niet over de
dingen, die mij door God geopenbaard zijn; die heb ik slechts aan den
koning medegedeeld. Al zou men mij ook het hoofd afslaan, daarover zal
ik zwijgen.«
In dien zin legt zij dan ook den eed af.
Als men haar daarop verwijt dat zij heeft willen ontsnappen, antwoordt
zij openhartig en vrijmoedig:
»Het is waar, ik heb willen ontsnappen, en ik wil het nog. Is dat dan
niet geoorloofd aan elken gevangene?«
Deze zitting was zeer rumoerig. Het publiek en vooral de Engelschen
onder hen maakten door hun geraas en getier Jeanne en zelfs den rechters
het spreken soms onmogelijk. Besloten werd de volgende zittingen in een
kleinere zaal te houden en minder publiek toe te laten.
Den volgenden dag, 22 Februari, is het niet Cauchon, die ondervraagt,
maar Maurice Beaupère, één van de zes afgevaardigden, die de Parijsche
Universiteit tegen den aanvang van het proces in allerijl naar Rouaan
had gezonden om deel te nemen aan het geding. Beaupère is een zeer
beroemd man van groot gezag. Hij maakt bijna het geheele proces mede.
Plotseling drie dagen voor het eind-vonnis verlaat hij Rouaan. Hij
vlucht onder voorwendsel dat hij naar Bazel moet vertrekken om het
Concilie bij te wonen.
Zijne mede-afgevaardigden zijn:
Pierre Maurice, die later Jeanne op den 23en Mei in een lange
redevoering zal toespreken.
Gérard Feuillet, Doktor in de Godgeleerdheid. Hij woont slechts de
eerste helft van het geding bij.
Jacques de Tourraine, Professor.
Thomas de Courcelles, een van de grootste geleerden van de Universiteit,
toekomstig kardinaal. Hij bekleedt bij het proces te Rouaan de functie
van redacteur en secretaris, en vertaalt het proces in het latijn. Ook
hij zal deelnemen aan het Concilie te Bazel.
En eindelijk Nicolas Midy, die later de beruchte twaalf artikelen zal
opstellen.
Hij en Beaupère zijn wel degenen, die het heftigst zijn in hun aanvallen
op Jeanne. Aan Midy wordt opgedragen de veroordeelde toe te spreken
den dag van haren dood, maar ook dat zelfs doet hij in heftige en
beleedigende bewoordingen. Hij zelf sterft later melaatsch, na een lang
en bitter lijden.
* * * * *
Dien tweeden dag wordt Jeanne uitvoerig ondervraagd over haar jeugd,
hare eerste visioenen. Zij antwoordt kalm en duidelijk, geeft alle
bijzonderheden die men van haar verlangt, mits men zich maar niet waagt
op wat zij beschouwt als verboden terrein. Zij is voortdurend op haar
»qui-vive« en slagvaardig.
Zij begint met te verklaren, dat alles wat zij gedaan heeft haar gelast
is in hare openbaringen.
Als Beaupère haar vraagt:
»Wie heeft U aangeraden manskleeren aan te trekken?« antwoordt zij
eenvoudig weg:
»Daar beschuldig ik niemand van.«
Haar bezoek aan Robert de Baudricourt wordt behandeld en vervolgens haar
komst aan het hof te Chinon.
Maar als Beaupère bijzonderheden wil weten over het teeken, dat zij
Karel VII heeft gegeven, bijt zij kort van zich af:
»Daar zal ik U niets op antwoorden. Sla dat maar over en ga verder.«
Een tweede poging zal hetzelfde negatieve succes hebben. Zij geeft
Beaupère den raad:
»Zend iemand naar den Koning, hij zal het U zeggen.«
* * * * *
Bij den aanvang van de derde zitting komt Cauchon eerst terug op de
kwestie van den eed. Hij raadt Jeanne aan te zweren zonder eenige
beperking, zooals het inquisitoriale recht het verlangt. Zijn aandringen
op dit punt ontlokt haar een verklaring, die aan openhartigheid en
duidelijkheid niets te wenschen overlaat, maar die haar dadelijk
tegenover den Inquisiteur in gevaar brengt.
»De geheele geestelijkheid van Rouaan en van Parijs zou mij niet kunnen
veroordeelen, wanneer zij er het recht niet toe heeft«.
»Ik ben gekomen van God: ik heb hier niets te doen; laat men mij
terugzenden naar God van wien ik gekomen ben«.
Beaupère neemt het verhoor over en stelt haar eenige vragen van minder
belang, maar Jeanne wendt zich nogmaals tot Cauchon zeggende:
»Gij zegt, dat gij mijn rechter zijt; wees voorzichtig; gij brengt U in
groot gevaar«.
Vervolgens ondervraagt Beaupère haar wederom uitvoerig over haar
jeugd en vooral over de vraag, wat zij geweten heeft van de bekende
voorspelling, dat er een Lotharingsche vrouw zou komen om Frankrijk te
redden. Ook de manskleeren komen weer ter sprake: