Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Vermoedelijk uit angst voor een tweede, gelukkiger poging tot

ontvluchten, laat Jean de Luxembourg haar overbrengen naar het kasteel

Beaurevoir, waar zich op dat oogenblik bevinden Jeanne de Béthune, zijn

vrouw, met haar dochter uit haar eerste huwelijk, Jeanne de Bar en zijn

tante.

Deze drie dames spreken vaak en zeer vertrouwelijk met Jeanne. Zij mogen

haar graag en zijn getroffen door haar schoonheid, haar lieftalligheid,

haar innige vroomheid. Het hindert hun alleen, dat Jeanne manskleeren

blijft dragen. Zij vinden dit onbetamelijk, onderhouden er haar over,

bieden haar zelfs vrouwenkleeren aan of stof om daar zelf vrouwenkleeren

van te maken.

Hun oprechte belangstelling maakt wel indruk op Jeanne, maar zij kan

hun raad niet volgen, zij heeft daartoe nog geen toestemming van haar

Heer ontvangen. Later heeft zij wel verklaard dat, indien zij haar

manskleeren had moeten afleggen, zij het eerder op verzoek van deze

dames had gedaan, dan van eenige andere dame in Frankrijk, uitgezonderd

de Koningin.

Verder nog ontvangt zij dikwijls bezoek van een Bourgondischen edelman,

Aimond de Macy genaamd. Hij spreekt gaarne met haar, maar schijnt ook

niet ongevoelig te zijn ondanks haar manskleeren of, wie weet, juist

daardoor, voor de jonkvrouwelijke bekoring, die er van de achttienjarige

gevangene uitgaat. Zijn poging om zijn hand in haar boezem te steken

wordt door Jeanne op forsche en niet al te zachthandige wijze verijdeld.

In het algemeen moeten wij ons een gevangene in die dagen niet

voorstellen als geheel afgesloten van de buitenwereld. Men kan Jeanne

bezoeken, met haar spreken. Zij blijft daardoor op de hoogte van hetgeen

er gebeurt in Frankrijk en van het lot van »die goede lieden van

Compiègne«. Voortdurend is zij in gedachten in Compiègne. De berichten,

die zij ontvangt, zijn afwisselend, tegenstrijdig, maar zoowel de goede

als de kwade tijdingen laten haar rust noch duur. Is de stad in nood?

Zij wil er heen om hare vrienden te helpen. De gedachte dat de stad zal

worden ingenomen, uitgemoord en verbrand, doet haar menig bang oogenblik

doorleven. Zij wil er heen; ze wil weg uit de zeventig voet hoogen

toren, waarin men haar heeft opgesloten, zij wil ontsnappen, al zou dit

ook gepaard moeten gaan met een levensgevaarlijken sprong. In de

eenzaamheid raadpleegt zij hare stemmen, hare Heiligen.

De Heilige Cathérine tracht haar eenigszins te kalmeeren en gerust te

stellen:

»Waag den sprong niet, God zal U en eveneens de lieden van Compiègne

helpen«.

Maar ook deze belofte vermag niet haar te vreden te stellen. Zij treedt

met de Heilige Cathérine in discussie; zij is dankbaar maar niet

voldaan:

»Wanneer God dan de lieden van Compiègne te hulp zal komen, wil ik er

bij zijn«.

Bij de voortdurende ongerustheid over het lot van hare vrienden, voegt

zich nog haar doodelijke angst dat men haar zal overleveren aan de

Engelschen.

In dezen zwaren strijd, zijn het eindelijk haar zucht naar vrijheid en

de angst voor het lot, dat haar wacht, als men haar uitlevert aan de

Engelschen, die overwinnen, die haar het verbod van hare Heiligen doet

overtreden. Zij waagt den sprong.

Als men haar bewusteloos vindt liggen en voor dood opneemt en wegdraagt,

zijn het hare Heiligen die haar troosten.

De Heilige Cathérine spreekt haar moed in: zij zal genezen en Compiègne

zal geholpen worden.

Dat doet haar gelooven dat het haar Heiligen zijn, die haar bij

haar sprong van den dood gered hebben. Zij toont berouw over haar

ongehoorzaamheid. Dan raadt de Heilige Cathérine haar aan haar schuld te

biechten en God vergiffenis te smeeken, dat zij den sprong gedaan heeft

en eindelijk na haar biecht stelt haar Heilige haar gerust: God heeft

haar vergiffenis geschonken.

Na drie of vier dagen is zij van de gevolgen van haren sprong hersteld.

Na den sprong van Beaurevoir acht Jean de Luxembourg zijn gevangene

aldaar niet meer voldoende in veiligheid. Hij is niet alleen bang, dat

hare vrienden vroeg of laat een poging zullen doen haar te bevrijden,

maar van Engelsche zijde worden hem groote sommen geboden, wanneer hij

hun Jeanne wil overleveren.

Na overleg met Philips van Bourgondië brengt hij Jeanne tegen het eind

van September naar Arras, vermoedelijk naar het kasteel la Cour le

Comte. Van verschillende zijden blijft men het hem lastig maken, blijft

men bij hem aandringen dat hij de »porte-bonheur des Armagnacs« zal

uitleveren aan de Godons, die lokkend blijven rammelen met hun goud. De

Parijsche Universiteit gaat in haar edelen ijver zelfs zoover, dat zij

Monseigneur Jean dreigt met den banvloek, wanneer hij het bod van de

Engelschen afslaat. Eindelijk tegen half November besluit hij tot den

verkoop voor tienduizend gouden kronen. Voorwaar een koninklijke prijs.

Van Arras wordt Jeanne nu vervoerd naar Crotoy en aldaar aan haar

doodsvijanden overgeleverd. Van Crotoy brengt men haar over Saint-Valery

en Dieppe naar Rouaan, waar zij tegen Kerstmis aankomt en waar zij

opgesloten wordt in den toren van het Oude Kasteel.

Rouaan zal zij niet meer verlaten. Met de uitlevering van Jeanne aan

de Engelschen is eigenlijk haar doodvonnis in beginsel reeds geteekend.

Toch zullen er nog vijf maanden moeten verloopen, vijf lange maanden van

moreele en geestelijke marteling voor onze negentienjarige heldin, eer

de beul haar in handen krijgt.

* * * * *

Van het oogenblik af, dat Jeanne gevangen was genomen, hadden zich

verschillende machten in beweging gesteld, om zich van haar meester te

maken en haar uit den weg te ruimen. Hiertoe behoorde in de eerste

plaats de Parijsche Universiteit.

Onder de eerste processtukken treffen we al dadelijk aan:

1e. Een brief van de Universiteit aan den Hertog van Bourgondië om hem

te verzoeken Jeanne over te leveren aan den Bisschop van Beauvais.

2e. Een brief d.d. 14 Juli 1430 van haar aan Jean de Luxembourg, met

de bede om toch vooral Jeanne niet tegen losprijs weer aan haar

vrienden uit te leveren en eindelijk

3e. Een brief van de Sorbonne aan den koning van Engeland (d.d. 3 Jan.

1430) waarin zij hem smeekt dat Jeanne toch naar Parijs zal worden

overgebracht om zich daar te verantwoorden voor eene kerkelijke

rechtbank.

De ijver, die dit beroemde lichaam, dat slechts een bron van licht

had behooren te zijn voor heel de beschaafde wereld, betoont in

deze zaak van afschuwelijke duisternis, kent geen grenzen en nadert

het ongeloofelijke. Geen enkele van de groote biografen van Jeanne

is er in geslaagd of heeft zelfs een ernstige poging gewaagd het

optreden van de illustre Sorbonne in deze zaak goed te praten of

te verdedigen. Integendeel de meesten raken in vuur en uiten hun

heilige verontwaardiging in een heftig en welsprekend: »J'accuse«!

De Parijsche Universiteit haatte Jeanne en zag in deze ketterin, die

volgens hare overtuiging van den duivel bezeten was, een groot gevaar.

Maar de voornaamste reden, waarom het voor de Parijsche Universiteit

van het grootste belang was, dat Jeanne in het openbaar als afvallige

van de Heilige Moederkerk en als ketterin werd terechtgesteld, moeten

wij naar mijne meening nog elders zoeken. Zij ligt meer op politiek

terrein. Parijs was n.l. in handen der Engelschen. De Universiteit was

de getrouwe dienares van den Regent, die van zijn kant haar daarvoor

zijn genegenheid en dankbaarheid meermalen met daden getoond had. Als

noodzakelijk gevolg hiervan ontkende de Universiteit ten eenenmale het

goede recht van Karel VII op den troon van Frankrijk. Het bericht dat

er een jonge maagd aan het hof van Karel te Chinon was verschenen, die

beweerde door God gezonden te zijn om hem weer in het bezit te stellen

van den ouden Troon, had hen getroffen als een plotselinge donderslag.

De tijdingen omtrent het succes der Fransche troepen onder Jeanne's

leiding, omtrent den tocht naar Reims en de kroning, had hen met schrik

en angst vervuld. Wat zou hun lot zijn wanneer het Karel gelukte de

hoofdstad te veroveren? Één middel was er slechts om hun afvalligheid

en trouweloosheid, waarvan zij zich in het diepst van hun ziel bewust

moeten geweest zijn, te verdedigen en te rechtvaardigen.

Die vrouw, die maagd, die zich uitgaf voor een bode van God zelf,

die vrouw moest in een officieel en openbaar proces, door de Heilige

Inquisitie, door de geheele Heilige Moederkerk schuldig bevonden worden

aan ketterij. Die vrouw moest als een dienares des duivels haar dood

vinden op den brandstapel.

In de tweede plaats noemen wij Pierre Cauchon, bisschop van Beauvais.

In zijn optreden in die dagen doet hij ons denken aan het roofdier,

opgeschrikt door de lucht van het aas. Nauwelijks heeft het bericht

van Jeanne's gevangenneming hem bereikt of hij zet zich in beweging

en begeeft zich naar Compiègne. Hij eischt Jeanne op, omdat zij is

gevangen genomen binnen het gebied van zijn diocees. Niet alleen wordt

deze bewering door enkelen beslist bestreden, maar bovendien kan zij

toch onmogelijk als verklaring dienen voor zooveel ijver, zooveel

hardnekkigheid. De leugen ligt er te dik op, maar is doorschijnend

genoeg om daaronder duidelijk te doen herkennen, een krachtig verlangen

om de Engelschen in het gevlei te komen en verder bovenal: persoonlijke

wraakzucht. Cauchon koestert tegen Jeanne een doodelijken haat. Van haar

eerste optreden af aan heeft zij hem schier in alles gedwarsboomd en

benadeeld, en staat zij zijn carrière beslist in den weg.

Als diplomaat was de bisschop van Beauvais een voorstander van den

wapenstilstand. Hij trad als onderhandelaar op tusschen Karel VII en

Philips van Bourgondië en bewees in deze hoedanigheid door zijn list

en geslepenheid, aan den Bourgondiër belangrijke diensten.

Jeanne daarentegen was de vrouw van de daad. Zij wilde van geen

wapenstilstand weten, drong er steeds bij Karel VII en zijne raadslieden

op aan, krachtig door te zetten tot het einde toe; eerst Orléans, dan

Reims, vervolgens Parijs en dan eindelijk de Engelschen het land uit en

de zee over.

Maar, en dat woog nog zwaarder, ook als Bisschop heeft Pierre Cauchon

tot tweemaal toe voor Jeanne het veld moeten ruimen. Een maand voor de

kroning bevond hij zich nog in zijn volle, bisschoppelijke heerlijkheid

te Reims, maar bij de nadering van het Fransche leger onder aanvoering

van Karel VII en van Jeanne, had Cauchon zich uit de voeten gemaakt.

Evenzoo verging het hem in zijn eigen Bisschopsstad Beauvais. Cauchon

had de bevolking geraden de poorten van de stad te sluiten en de plaats

tegen de troepen van den koning te verdedigen. Maar tegen zijn advies

in hadden zij den koning de sleutels van Beauvais gebracht en Jeanne

met haar troepen in triumf binnengehaald. Den bisschop bleef toen niets

anders over dan de vlucht: hij zocht zijn veiligheid bij den hertog van

Bedford en bij Philips van Bourgondië.

Dat zijn bittere pillen, die zwaar op de maag liggen, en die zelfs een

bisschop niet licht verteert.

Thans biedt zich een gelegenheid dien smaad te wreken. De blaadjes zijn

omgekeerd: Jeanne is gevangen, de vogel is in het net. Cauchon neemt de

leiding. Langzaam maar zeker zullen wij hem zien afgaan op het doel,

dat hij voor oogen heeft. De vogel zal tegenspartelen, Jeanne zal zich

dapper verdedigen tot het einde toe. Wat baat het haar? Waar een Pierre

Cauchon de lijnen van het net in handen heeft, is geen ontsnappen

mogelijk. Hij zal zijn rol tot het slot met volkomen meesterschap

vervullen en als eindelijk zijn slachtoffer, tengevolge van zijn eigen

toedoen, valt, zal zelfs de theatrale traan van meelij niet ontbreken.

* * * * *

Jeanne, in handen van de Engelschen, wordt bij brieven van 3 Januari

1431 door den koning Hendrik VI overgeleverd aan den Bisschop van

Beauvais. Zij zal zich te verantwoorden hebben voor een geestelijke

rechtbank.

Pierre Cauchon zelf zal voorzitter zijn, aan hem dus ook de zorg voor

het uitkiezen en bijeenroepen van de overige leden van dit illustre en

verheven lichaam.

Naast Cauchon vinden wij Jean Lemaître, een dominicaner als Vicaris van

den Inquisiteur te Rouaan, en Jean d'Estivet als Promotor.

Als eerste griffier zal zitting nemen Guillaume Manchon, die zal worden

bijgestaan door Guillaume Colles, bijgenaamd Boisguillaume.

Wij willen geen droge opsomming geven van alle namen van de leden van

dit college, waarin o.a. zitting nemen tien abbés van de groote abdijen

in Normandië, die mijters dragen evenals de bisschoppen, bijgestaan door

drie priors, verder zestig assessoren en eindelijk alle geestelijken van

het kapittel te Rouaan. Wij kunnen volstaan met het noemen van enkele

der voornaamsten met hun titels en soms met hun toekomstige titels, dit

laatste om duidelijk te doen uitkomen, dat ondanks het latere proces van

rehabilitatie, de medeplichtigheid aan den dood van Jeanne de rechters

van het eerste proces niet bepaald geschaad heeft in hun carrière.

Wij vermelden dus nog:

Henri Beaufort, Kardinaal van Engeland, chef van den Engelschen Raad.

Louis de Luxembourg, broeder van Jean de Luxembourg, Bisschop van

Thérouanne, later kardinaal.

Jean de Castiglione, een Italiaan, aarts-diaken van Évreux, later

kardinaal.

William Ahnwick, Bisschop van Norwich, een Engelschman.

Jean de Mailly, Bisschop van Noyon. Hij zal later ook deelnemen aan het

proces van rehabilitatie.

Gilles de Duremort, Jean Lefévre, Richard Prat (Engelschman) drie

toekomstige bisschoppen; Raoul Roussel, Pasquier de Vaulx, Robert

Ghillebert, drie toekomstige aartsbisschoppen.

Ten slotte nog deze enkele, merkwaardige bijzonderheid: Nicole Midy, de

rechter, die Jeanne in het openbaar toespreekt op den dag van haar dood,

is dezelfde, die in 1438 de officieele feestrede uitspreekt bij den

blijden intocht van Karel VII in Parijs en Thomas de Courcelles, een

andere rechter van Jeanne, zal bij den dood van den koning de plechtige

lijkrede houden.

* * * * *

De zaak wordt geheel in den vorm en deugdelijk voorbereid. In Domremy

worden inlichtingen genomen en ook op andere plaatsen waar Jeanne

vertoefd heeft. Personen, waarmede zij heeft omgegaan, en nog andere

getuigen worden gehoord. Kortom, alle mogelijke gegevens worden

verzameld, maar bijna uitsluitend uit Engelsch-Bourgondische bron.

Maître Maugier, de advocaat van de familie d'Arc in het proces van

Rehabilitatie, heeft er later op gewezen, dat de gunstige informaties,

die men omtrent Jeanne had gekregen in haar geboorteland, zich niet in

het dossier van het proces te Rouaan bevinden, en dus vermoedelijk

verdonkeremaand zijn.

Eindelijk wordt Jeanne gedagvaard tegen den 21en Februari. Zij verklaart

zich bereid te verschijnen, doch verlangt dat aan de Rechtbank, zooals

deze thans is samengesteld, een gelijk aantal Fransche geestelijken van

haar partij zal worden toegevoegd, en dat men haar zal toestaan de Mis

te hooren. Deze beide verzoeken worden door den Bisschop-voorzitter

afgewezen.

Terwijl dus Cauchon van zijn kant de zaak in alle opzichten goed heeft

voorbereid, is er van eenige voorbereiding van de kant van Jeanne geen

sprake kunnen zijn. Zij heeft geen advocaat, geen verdediger, geen

raadsman: zij heeft met niemand overleg kunnen plegen, er zijn voor haar

geen getuigen à décharge opgeroepen, zij weet eigenlijk niet waar het om

gaan zal, waarvan men haar beschuldigt.

Als Jeanne den 21en Februari voor hare rechters verschijnt is zij

gekleed in manskleeren en blootshoofds, hare handen en armen zijn vrij,

maar hare voeten zijn geboeid met zware ketenen.

Volgens het recht en de gewoonten van dien tijd, had men Jeanne, van

het oogenblik af, dat zij gevangene was van de Kerk, behooren over te

brengen naar eene behoorlijke gevangenis, waar zij door vrouwen bewaakt

werd. Maar de Engelsche heeren stoorden zich niet aan die gebruiken. Zij

bleef dus opgesloten in een donkere cel, met zware ketens aan handen en

aan voeten en werd dag en nacht bewaakt door Engelsche voetknechten. Dit

laatste vooral is mogelijk wel een van de wreedste en meest verfijnde

martelingen geweest, die men dit jonge meisje van negentien jaar heeft

doen ondergaan. De soldaten van dien tijd waren over het algemeen ruwe,

zedelooze en gewetenlooze kerels, de legers waren samenraapsels van

allerhande schuim. Het is wel merkwaardig juist uit den mond van Andrew

Lang, den Engelschen biograaf van de Maid of France, de verzuchting

te hooren, dat wanneer Jeanne in handen was gekomen van Philips van

Bourgondië, zij waarschijnlijk toch wel verbrand zou zijn, maar de

Bourgondiër zou in zijn zucht naar wraak niet zoo diep gezonken zijn en

zou haar niet zoo laaghartig behandeld hebben als de hertog van Bedford

en de graaf van Warwick gedaan hebben.

Het costume waarin Jeanne verscheen, maakte dadelijk al op de meeste

van hare rechters een slechten indruk, alsook het feit dat zij zich

vertoonde met ongedekten hoofde, met hare mooie, zwarte haren kort

afgeknipt boven het oor. De vrouwen van dien tijd, zelfs die van het

laagste soort, zag men nimmer blootshoofds. Het is dus eenigszins te

begrijpen, dat deze breede schare van celibatairen aanstoot nam aan de

voor hen vreemde verschijning van Jeanne.

* * * * *

Het verhoor van den eersten dag is dadelijk voor Jeanne van het grootste

belang. Het gaat om niets meer of minder dan de vraag: zal Jeanne door

haar eed en haar eerste optreden de wettigheid en de bevoegheid van

de Rechtbank erkennen? Wij zullen zien dat zij in hare antwoorden de

moeilijkheid ontwijkt:

Cauchon: »Jeanne, zweer met de hand op het Heilig Evangelie, dat gij

naar waarheid zult antwoorden op de vragen, die U zullen worden

gesteld.«

Jeanne: »Ik weet niet waarover gij mij zult ondervragen. Misschien zult

gij mij wel dingen vragen, die ik U niet mag zeggen.«

Cauchon voelt de handigheid van dit antwoord, maar hij laat niet los,

hij wil den eed.

Jeanne: »Ik zal antwoorden over wat ik gedaan heb, maar niet over de

dingen, die mij door God geopenbaard zijn; die heb ik slechts aan den

koning medegedeeld. Al zou men mij ook het hoofd afslaan, daarover zal

ik zwijgen.«

In dien zin legt zij dan ook den eed af.

Als men haar daarop verwijt dat zij heeft willen ontsnappen, antwoordt

zij openhartig en vrijmoedig:

»Het is waar, ik heb willen ontsnappen, en ik wil het nog. Is dat dan

niet geoorloofd aan elken gevangene?«

Deze zitting was zeer rumoerig. Het publiek en vooral de Engelschen

onder hen maakten door hun geraas en getier Jeanne en zelfs den rechters

het spreken soms onmogelijk. Besloten werd de volgende zittingen in een

kleinere zaal te houden en minder publiek toe te laten.

Den volgenden dag, 22 Februari, is het niet Cauchon, die ondervraagt,

maar Maurice Beaupère, één van de zes afgevaardigden, die de Parijsche

Universiteit tegen den aanvang van het proces in allerijl naar Rouaan

had gezonden om deel te nemen aan het geding. Beaupère is een zeer

beroemd man van groot gezag. Hij maakt bijna het geheele proces mede.

Plotseling drie dagen voor het eind-vonnis verlaat hij Rouaan. Hij

vlucht onder voorwendsel dat hij naar Bazel moet vertrekken om het

Concilie bij te wonen.

Zijne mede-afgevaardigden zijn:

Pierre Maurice, die later Jeanne op den 23en Mei in een lange

redevoering zal toespreken.

Gérard Feuillet, Doktor in de Godgeleerdheid. Hij woont slechts de

eerste helft van het geding bij.

Jacques de Tourraine, Professor.

Thomas de Courcelles, een van de grootste geleerden van de Universiteit,

toekomstig kardinaal. Hij bekleedt bij het proces te Rouaan de functie

van redacteur en secretaris, en vertaalt het proces in het latijn. Ook

hij zal deelnemen aan het Concilie te Bazel.

En eindelijk Nicolas Midy, die later de beruchte twaalf artikelen zal

opstellen.

Hij en Beaupère zijn wel degenen, die het heftigst zijn in hun aanvallen

op Jeanne. Aan Midy wordt opgedragen de veroordeelde toe te spreken

den dag van haren dood, maar ook dat zelfs doet hij in heftige en

beleedigende bewoordingen. Hij zelf sterft later melaatsch, na een lang

en bitter lijden.

* * * * *

Dien tweeden dag wordt Jeanne uitvoerig ondervraagd over haar jeugd,

hare eerste visioenen. Zij antwoordt kalm en duidelijk, geeft alle

bijzonderheden die men van haar verlangt, mits men zich maar niet waagt

op wat zij beschouwt als verboden terrein. Zij is voortdurend op haar

»qui-vive« en slagvaardig.

Zij begint met te verklaren, dat alles wat zij gedaan heeft haar gelast

is in hare openbaringen.

Als Beaupère haar vraagt:

»Wie heeft U aangeraden manskleeren aan te trekken?« antwoordt zij

eenvoudig weg:

»Daar beschuldig ik niemand van.«

Haar bezoek aan Robert de Baudricourt wordt behandeld en vervolgens haar

komst aan het hof te Chinon.

Maar als Beaupère bijzonderheden wil weten over het teeken, dat zij

Karel VII heeft gegeven, bijt zij kort van zich af:

»Daar zal ik U niets op antwoorden. Sla dat maar over en ga verder.«

Een tweede poging zal hetzelfde negatieve succes hebben. Zij geeft

Beaupère den raad:

»Zend iemand naar den Koning, hij zal het U zeggen.«

* * * * *

Bij den aanvang van de derde zitting komt Cauchon eerst terug op de

kwestie van den eed. Hij raadt Jeanne aan te zweren zonder eenige

beperking, zooals het inquisitoriale recht het verlangt. Zijn aandringen

op dit punt ontlokt haar een verklaring, die aan openhartigheid en

duidelijkheid niets te wenschen overlaat, maar die haar dadelijk

tegenover den Inquisiteur in gevaar brengt.

»De geheele geestelijkheid van Rouaan en van Parijs zou mij niet kunnen

veroordeelen, wanneer zij er het recht niet toe heeft«.

»Ik ben gekomen van God: ik heb hier niets te doen; laat men mij

terugzenden naar God van wien ik gekomen ben«.

Beaupère neemt het verhoor over en stelt haar eenige vragen van minder

belang, maar Jeanne wendt zich nogmaals tot Cauchon zeggende:

»Gij zegt, dat gij mijn rechter zijt; wees voorzichtig; gij brengt U in

groot gevaar«.

Vervolgens ondervraagt Beaupère haar wederom uitvoerig over haar

jeugd en vooral over de vraag, wat zij geweten heeft van de bekende

voorspelling, dat er een Lotharingsche vrouw zou komen om Frankrijk te

redden. Ook de manskleeren komen weer ter sprake:

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 32 / 66 题