HOOFDSTUK IV.

Compiègne--Rouaan.

Na een ganschen nacht te hebben doorgereden aan het hoofd van haar

kleine troepenmacht van hoogstens vierhonderd man, komt Jeanne in den

morgen van den 23en Mei 1430 in Compiègne aan. Zij heeft waarschijnlijk

haren troepen daarna enkele uren rust gegund en mogelijk ook zichzelf.

Zij zal ter kerk gegaan zijn, de mis gehoord, en vermoedelijk ook

overleg gepleegd hebben met Guilleaume de Flavy, die namens den

koning bevel voerde in Compiègne. Maar tegen vijf uur van dienzelfden

rampspoedigen Vrijdag, zien wij haar weer in volle wapenrusting,

met een donkerroode, met goud bestikte huik over het blanke harnas,

gevolgd door ongeveer vijfhonderd ruiters en voetknechten, de ophaalbrug

voor Compiègne over trekken, den belegeraars te gemoet. Het bericht,

dat Jeanne zich sedert dien morgen in Compiègne bevond, had het

Engelsch-Bourgondische leger reeds bereikt. De vijand kende haar

rustelooze voortvarendheid en was dus op een spoedigen uitval

voorbereid. De bevelhebber van het vijandige leger had op twee punten

groote troepenafdeelingen in hinderlaag gelegd. Ongeveer vijfduizend

Engelschen te Venette, beneden de stad, en een tweede troep in het

struikgewas op een heuvel, genaamd Mont-Ganelon, met het doel aan het

leger van Jeanne bij zijn terugkeer den pas af te snijden en het te

beletten Compiègne wederom te bereiken.

Niets kwaads achter zich vermoedende trekt zij met hare volgelingen

langs den hoofdweg snel voorwaarts, haar ongeluk tegemoet. Na een

krachtigen frontaanval werpt zij de hoofdmacht van Jean de Luxembourg

terug. Als altijd zien wij haar ook in dit hardnekkige gevecht strijdend

in het voorste gelid, vooraan op de punten waar het meeste gevaar

dreigt, vol ijver, onvermoeid, haar getrouwen aanmoedigend, ze

meesleepend door haar voorbeeld en haar woord, dan hier, dan daar,

schier overal tegelijk.

Maar daar verlaten de Engelsch-Bourgondische troepen op den Mont Ganelon

hun hinderlaag en stormen naar den weg. Jeanne's vrienden zien het

gevaar, dat hen bedreigt en waarschuwen haar.

»Keer haastig terug naar de stad«, roepen zij haar toe, »of gij en wij

allen zijn verloren!«

Maar Jeanne gelooft aan geen gevaar, wil van geen terugtrekken weten.

»Zwijgt!« antwoordt zij, »gij hebt het in uw macht ze te vernietigen.

Slaat maar toe!«

De angst voor omsingeling heeft zich van haar troepen meester gemaakt,

zij maken rechtsomkeert en beginnen te vluchten naar de brug en de

booten om Compiègne nog te bereiken.

Jeanne houdt nog een oogenblik stand met enkele getrouwen, dringt nog

voorwaarts op den vijand in. Dan grijpt op eenmaal d'Aulon de teugels

van haar paard, doet het snel zwenken en voert haar zoo mede in de

richting van de stad. Nog strijdt zij met haar enkele dapperen voort,

maar als een goed bevelhebber thans in het achterste gelid, om den

aftocht van haar manschappen te dekken.

Maar het is te laat. Van alle kanten komen versche versterkingen van

den vijand aangestormd. Ook de Godons van Venette komen opdagen. Zij

is genoodzaakt met haar troep den hoofdweg te verlaten en het lage

moerassige land daarnaast in te trekken.

Zoo naderen Franschen, Bourgondiërs en Engelschen, steeds vechtende,

doch in de grootste verwarring, de stad. Dan geeft Guilleaume de Flavy,

die vreest dat in de verwarring van den terugtocht, met zijn eigen

troepen ook de vijanden de stad zullen binnentrekken, bevel de

ophaalbrug op te halen en ontneemt hiermede aan Jeanne en hare troepen

de laatste kans op redding.

Steeds dichter dringen de vervolgers op de vluchtelingen aan. Zij

haasten zich, want reeds valt de schemer, en hun prooi mag hun ditmaal

niet ontsnappen. Zonder troepen en nog slechts in gezelschap van haar

broers, van d'Aulon en diens broeder en nog enkele anderen nadert Jeanne

de singelgrachten van Compiègne.

Maar zij kan er niet over, de brug is open, ze moet terug. Nu wordt ze

van nabij omsingeld.

»Geef je over, en geef ons je woord, niet te ontsnappen!« roept men haar

toe. Maar Jeanne antwoordt kalm:

»Ik heb mijn woord gegeven en trouw gezworen aan een ander dan aan

jullie, en mijn eed aan Hem zal ik gestand doen!«

Op dit oogenblik springt een Picardiër, genaamd Lyonnel, achter op haar

paard, slaat zijn beide armen om haar heen en valt met haar in het gras.

Jeanne is gevangen.

* * * * *

Dan, kunnen wij ons voorstellen, weerklinken in het half duister woeste

vreugdekreten door gansch het vijandige kamp. Nog voor den nacht zendt

de hertog van Bourgondië renboden met de blijde tijding naar zijn

vrienden in de steden.

Maar in Compiègne is het stil. Van de wallen af zien de inwoners de

vreugdevuren der Bourgondiërs, hooren zij het joelen en tieren der

Godons.

Het wordt nacht. Het vierde bedrijf van het groote treurspel is

afgespeeld. Het scherm valt.

* * * * *

Jeanne, krijgsgevangene van Jean de Luxembourg, wordt eerst opgesloten

in een toren van het kasteel Beaulieu-le-Comte bij Compiègne. Maar het

gelukt haar daar op haar beurt haar wachter in een toren op te sluiten.

Zij wil dan ontsnappen tusschen twee planken, maar wordt nog juist, voor

zij het kasteel verlaat, ontdekt door den portier.

[Illustratie: Gevangenneming van Jeanne d' Arc bij Compiègne.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 31 / 66 题