Jeanne: »Geef ze mij, ik zal ze aantrekken en heengaan. Maar ik ben
tevreden met de kleeren die ik heb, omdat het Gode welgevallig is, dat
ik ze draag«.
Enkele vragen omtrent hare stemmen weigert zij ook ditmaal te
beantwoorden. Op een bijzonder moeilijke vraag van Beaupère betreffende
het vraagstuk van de genade Gods, geeft zij zoo'n handig en
voortreffelijk antwoord, dat hare rechters er verbaasd over staan.
De scène is van groot belang en wij willen haar derhalve hier in extenso
weergeven. Beaupère verhoort en aan hem dus ook vermoedelijk de eer voor
de uitvinding van deze buitengewoon verraderlijke vraag, die men, zooals
Michelet het uitdrukt, zonder misdadig te worden aan geen levend wezen
mag stellen.
Beaupère: »Jeanne, savez vous être en la grace de Dieu?« (»en état de
grace«).
Een huivering vaart door de gansche rechterschaar. Zij voelen het gevaar
en bespeuren duidelijk de adder die onder het gras schuilt. Een kort
oogenblik van groote spanning.
Dr. Jean Le Fèvre, professor in de Godgeleerdheid, staat op. Naar
zijn meening gaat men te ver, hij wil een woord van protest doen
hooren. Aarzelend brengt hij in het midden, dat deze vraag te moeilijk
is, en dat Jeanne er niet op behoeft te antwoorden, waarop Cauchon hem
toesnauwt: »Gij, gij zoudt beter doen te zwijgen!« Maar nu neemt Jeanne
het woord. Hare zeldzame slagvaardigheid stelt haar ook nu weer in
staat de knoop door te hakken en met vaste stem en onverschrokken
antwoordt zij:
»Si je n'y suis, Dieu m'y mette; et si j'y suis, Dieu m'y tienne.«
(»Si ego non sim, Deus ponat me; et si ego sim, Deus me teneat in
illa«).
»De quo responso interrogantes fuerunt multum stupefacti,« verklaart
verder de getuige uit het proces van Rehabilitatie, Boisguillaume,
aan wien wij deze bijzonderheden verschuldigd zijn. »Verbaasd«, wij
gelooven het graag, over zooveel gevatheid, en zulk een goddelijken
eenvoud, maar wij zouden, al vinden wij dat ook niet vermeld in de
getuigenverklaring, er aan willen toevoegen »grootelijks verlucht«.
Verlucht na de angstige spanning waarin de netelige vraag van Beaupère
hen allen gebracht had en waaruit het voortreffelijke en verrassende
antwoord van Jeanne hen had verlost.
Den 25en en 26en Februari wordt Jeanne niet ondervraagd. Zij is
lichtelijk ongesteld: koorts en brakingen. Zij had visch gegeten, haar
gezonden door Cauchon.
Jean d'Estivet, de Promotor van het proces, komt haar in haar kerker
bezoeken. Liet zij mogelijk in een gesprek met hem, iets doorschemeren
van een verdenking? Zeker is het, dat het gesprek zeer heftig eindigde;
van weerskanten vielen harde woorden. De opwinding deed Jeanne geen
goed.
De graaf van Warwick maakt zich ernstig ongerust dat.... zijn gevangene
haar natuurlijken dood zal sterven. Dat moet in geen geval. Hij laat
doctoren komen, die Jeanne onderzoeken en een aderlating noodig achten.
Nieuw gevaar: zij is in staat daardoor zelfmoord te plegen. Toch wordt,
na rijp beraad, tot een aderlating besloten en Jeanne is na twee dagen
weer hersteld.
De volgende zitting heeft plaats den 27en Februari. Beaupère
ondervraagt. Hij wil weten of zij ook thans nog hare stemmen hoort.
Jeanne hoort ze nog dagelijks, zij spreekt nog telkens met de Heilige
Cathérine en de Heilige Marguerite. Zij spreken haar moed in en zeggen
haar dikwijls wat zij antwoorden moet.
Hoe weet zij dat het Heiligen zijn, hoe herkent zij ze, hoe zijn zij
gekleed, is hun beider kleed van dezelfde stof, hoe oud zijn zij,
spreken zij te gelijk of één voor één? Steeds meer bijzonderheden
worden haar gevraagd, maar Jeanne weigert enkele van die vragen te
beantwoorden. Vervolgens moet zij vertellen hoe zij haar degen heeft
laten halen te Fierbois, hoe zij haar harnas en degen weer gedeponeerd
heeft in de basiliek van Saint-Denis. Hoe zag haar banier er uit en door
wien werd die gedragen:
Jeanne: »Die droeg ik zelf wanneer ik den vijand aanviel, om te
voorkomen dat ik iemand doodde ... want ik heb nooit iemand gedood.«
Nog even voor de zitting wordt opgeheven vraagt Beaupère haar of zij
gewond is geweest, omdat men algemeen geloofde in dien tijd, dat de
heksen, wanneer zij gewond werden, met hun bloed hun macht verloren.
Beaupère put zich werkelijk uit in spitsvondigheden, doch voorloopig nog
zonder veel resultaat.
Cauchon zelf vraagt haar in de zitting van den eersten Maart welke van
de drie Paussen zij voor de ware houdt.
In het dossier bevinden zich de copieën van een brief van den graaf van
Armagnac, waarin deze haar dezelfde vraag stelt en van het antwoord
van Jeanne daarop. Haar eigen brief wordt haar voorgelezen, doch zij
verklaart, dat deze copie op verschillende plaatsen niet juist weergeeft
wat zij gedicteerd heeft. Laat haar geheugen haar in den steek of heeft
er vervalsching plaats gehad? En dan nog een duister punt: hoe kwamen
deze brieven in het dossier?
Jeanne verklaart duidelijk en tot tweemaal toe, dat zij voor zich
slechts gelooft in den Paus te Rome.
Cauchon komt daarna nogmaals terug op het geheim tusschen Jeanne en den
koning, op het teeken, dat zij den koning gegeven heeft en op den engel
met de kroon.
* * * * *
In den nacht van den 2en op den 3en Maart bezoeken hare Heiligen
haar en spreken haar moed in. Gelukkig, want de verhooren vermoeien
haar. Hare stemmen zijn haar eenige steun. Zij voelt instinctmatig, dat
achter elke vraag, zelfs achter de oogenschijnlijk meest onbeduidende,
een gevaar schuilt.
Hadden hare Heiligen armen, haren, ringen in hunne ooren? Hoe klonk hun
stem?
Wee haar, wanneer zij in deze détail-beschrijvingen aan de Heilige
Cathérine en de Heilige Marguerite eigenschappen toekent, die volgens
het algemeen geloof in die dagen slechts gevonden worden bij de booze
geesten, bij den Duivel en zijne handlangers.
Is onder die omstandigheden de vrijmoedigheid niet dubbel
bewonderenswaardig, waarmede zij antwoordt op de vragen of de Aartsengel
Michaël, wanneer hij haar verscheen, naakt was:
»Gelooft gij dan dat het Messire aan de middelen ontbreekt om zich te
kleeden?« en of hij kort geknipt haar had:
»Waarom zou het hem zijn afgeknipt?«
* * * * *
Geen wonder dat Cauchon niet tevreden is: de zaak schiet niet op. In
zes geheime vergaderingen ten huize van den Bisschop worden thans de
volgende zittingen voorbereid.
* * * * *
Jeanne heeft in deze zes dagen gelegenheid om uit te rusten. In de
eerste zittingen na deze korte wapenstilstand, is zij bijzonder goed op
dreef. Jean Delafontaine ondervraagt. Hij blijft hoofdzakelijk op het
terrein van de politiek, het geheime teeken te Chinon, de kroon te
Reims.
Heeft Jeanne een Goddelijke opdracht gekregen om Karel VII aan te
wijzen? Zij moet haren rechters telkens herinneren: »Maar dat heeft
niets te maken met het proces!« Als er rumoer is in de zaal, roept zij
ze toe: »Spreekt toch niet allen te gelijk«.
Over het proces-verbaal, dat haar aan het einde van de zitting van 11
Maart wordt voorgelezen, is zij ook al niet tevreden. Zij drukt den
griffier op het hart in het vervolg beter op te passen:
»Wanneer gij U nog eens vergist, zal ik U aan Uwe ooren trekken«.
* * * * *
Cauchon dringt er bij den Inquisiteur-Generaal op aan, dat de
Vice-Inquisiteur, Jean Lemaître, voortaan de zittingen zal bijwonen. Met
andere woorden, dit was tot nu toe niet geschied. Dit feit werpt wel een
zeer eigenaardig licht op de wettigheid van het proces, zooals het tot
nu toe gevoerd was.
Eerst vanaf den 12en Maart zal dus de rechtbank compleet zijn en krijgt
ook de Inquisitie een deel van de verantwoordelijkheid te dragen.
Welk een machtig wapen zou deze onregelmatigheid in de samenstelling van
de rechtbank niet geweest zijn in handen van een verdediger? Maar Jeanne
had er geen, en dit op zich zelf was ook reeds in strijd met het
kerkelijk recht.
Trouwens, een handig en kundig verdediger had om de onwettigheid van de
gansche procedure te bewijzen, niet lang naar argumenten behoeven te
zoeken.
Was Jeanne niet zelf begonnen met de bevoegdheid van de rechtbank te
ontkennen op grond van haar partijdigheid? Had men aan de beklaagde,
behalve een verdediger, niet een curator behooren toe te voegen,
omdat zij minderjarig was? Behoorde niet de Bisschop steeds zelf te
ondervragen en was men niet verplicht geweest gevolg te geven aan het
beroep dat Jeanne aan het slot van de procedure deed op den Paus?
* * * * *
Hoewel wij er dus niet aan twijfelen of een terzake kundig en
geroutineerd verdediger zou van de verschillende leemten en
onregelmatigheden in de procedure beter partij getrokken hebben, toch
zijn er in dit lange proces talrijke momenten, dat wij haast niet kunnen
gelooven, dat er achter de negentienjarige beklaagde geen rechtsgeleerde
raadsman heeft gestaan, die haar aangaf wat zij doen moest, wat zij
volgens rechtsgebruik mocht eischen of verlangen.
Dadelijk bij de eerste dagvaarding wijst zij den deurwaarder Massieu
op de partijdigheid en de onvolledigheid van het college van rechters
waarvoor zij zal verschijnen. Telkens als Cauchon van haar verlangt, dat
zij den eed zal afleggen, verklaart zij zich bereid, doch onder zekere
restrictie. Restrictie maakt zij eveneens wanneer de Bisschop haar
verzoekt het »Onze Vader« op te zeggen: zij wil volgaarne aan het
verzoek voldoen maar in de biecht. Het verbod van opnieuw eene poging
tot ontvluchting te wagen aanvaardt zij eenvoudigweg niet, opdat niemand
haar ooit zou kunnen verwijten, dat zij haar woord gebroken heeft.
Herhaaldelijk weigert zij op enkele vragen te antwoorden, zeggende:
»Dit behoort niet tot het proces« (»Hoc est non de processu vestro«),
of zij stelt haar antwoord uit tot het volgende verhoor en in dat geval
vraagt zij om een afschrift van de haar gestelde vragen. Aan het slot
van een incident in het vijfde geheime verhoor (Woensdag 14 Maart),
waarin sprake schijnt geweest te zijn van het overbrengen van Jeanne
naar Parijs (nadere bijzonderheden omtrent dit incident ontbreken,
helaas, ten eenenmale) vraagt zij om een afschrift van alle vragen en
antwoorden, teneinde dit in Parijs te kunnen overleggen. Ook verwijst
zij soms naar het rapport van de commissie in Poitiers of, wanneer
de ondervrager in herhalingen treedt, verwijst zij doodleuk naar een
vroeger verhoor: »Gij hebt daarop reeds mijn antwoord. Lees Uw boek maar
goed na en gij zult het vinden.«
Handigheden, gevatheden zouden wij dergelijke zetten noemen, wanneer
zij afkomstig waren van een advocaat of van een anderen man van het vak,
maar nu wij ze hooren uit den mond van een ongeletterd kind, kunnen wij
met deze qualificaties niet volstaan, en worden het gezegden die ons
vervullen met eerbied en bewondering.
* * * * *
In de eerstvolgende zitting van 13 Maart komt Jean Delafontaine
nogmaals terug op het teeken te Chinon; hij wil ook weten of Saint Denis
haar ooit verschenen is, de schutspatroon der Fransche koningen. Dan
plotseling de vraag aan wien zij de gelofte heeft gedaan maagd te zullen
blijven.
Zij verklaart die gelofte gedaan te hebben, de eerste maal dat zij hare
stemmen hoorde, aan hare Heiligen, die haar door God gezonden werden.
Heeft zij aan een jongen boer een trouwbelofte gedaan?
Zij ontkent een dergelijke belofte ooit gedaan te hebben.
Het terrein van de politiek wordt nu verlaten, maar helaas, een ander,
een veel gevaarlijker terrein wordt thans betreden, n.l. dat van de
dogmatiek. Het klinkt op het eerste gehoor bijna ongeloofelijk, toch is
het de zuivere, droeve waarheid.
Een meisje van negentien jaar, haast een kind dus nog, dat nooit een
school heeft bezocht, dat lezen noch schrijven kan, dat alleen van haar
moeder de voornaamste gebeden heeft geleerd, zal voor een rechtbank van
gestudeerde en geletterde mannen, zonder eenige bijstand noch hulp,
vragen te beantwoorden krijgen, liggende op het terrein der zuivere
dogmatiek, en van die beantwoording zal haar leven afhangen.
Geen wonder, dat zij niet alle voetangels en klemmen zal kunnen
vermijden, dat zij verward zal geraken in de mazen van het net, dat men
voor haar spant.
Delafontaine: »Is het Uwe overtuiging, sedert Uwe stemmen U gezegd
hebben, dat gij tenslotte in het Paradijs zult ingaan, dat gij gered
zijt, en dat gij niet verdoemd zult zijn in de hel?«
Jeanne: »Ik geloof vast wat mijne stemmen mij gezegd hebben, dat ik
gered zal zijn; voor mij staat dit zoo vast, alsof ik reeds gered was.«
Delafontaine: »Gelooft gij na deze openbaring dat gij U niet meer
schuldig kunt maken aan doodzonde?«