Naar een schilderij uit het »Musée du Louvre«, te Parijs.]

»Dat is een goed volk; ik heb nog nooit het volk zoo verheugd gezien bij

de aankomst van den edelen koning. Ach, dat ik het geluk moge hebben,

als eenmaal mijn laatste uur zal zijn geslagen, om in deze streek

begraven te worden.«

Op de vraag van den Kanselier, waar zij denkt te sterven, antwoordt zij:

»Waar het God zal behagen. Omtrent den tijd en de plaats weet ik niets

met zekerheid, evenmin als gij zelf.«

En zij laat er de verzuchting op volgen:

»O, dat het Gode mijnen Schepper mocht behagen, dat ik thans mijne

wapens kon afleggen en heen kon gaan om mijn vader en moeder te dienen

en hun kudde te hoeden met mijn zuster en mijn broers, die zoo gelukkig

zouden zijn als ze mij weer zagen.« Een hoogst merkwaardige uiting; de

eenige, waarin Jeanne spreekt over hare ouders en het ouderlijk huis.

Zelfs wanneer men haar later in het proces ondervraagt over hare familie

en haar jeugd, zal zij zich beperken tot korte, zuiver zakelijke

antwoorden, maar in de bangste oogenblikken in haar kerker en aan het

slot op den brandstapel komt geen enkele maal een beroep op of een woord

van verlangen naar hare familie haar over de lippen.

* * * * *

Bij Crépy, of beter gezegd op den weg tusschen Crépy en Senlis, stuit

het Fransche leger op de troepen van Bedford. Van den 14en tot den 16en

Augustus staan de vijandelijke machten tegenover elkaar, zonder dat het

evenwel tot een beslissend gevecht komt. Bedford had al den tijd gehad,

zich stevig te verschansen achter hooge palissaden, maar de Franschen

denken er niet aan hem, in die gunstige positie aan te vallen. Zij doen

alle mogelijke moeite, hem naar buiten te lokken. Jeanne met haar banier

in de hand nadert de versterkingen en klopt zelfs tegen de palissaden.

Zij daagt de Engelschen uit tot een strijd in het open veld, maar

tevergeefs. Eindelijk, in den morgen van den 17en, verlaat Bedford zijne

positie en trekt het Noorden in.

Dienzelfden dag nog ontvangt de koning de sleutels van Compiègne en

trekt hij daar met het geheele leger naar toe. Op een van de eerste

dagen van zijn verblijf binnen Compiègne worden hem de sleutels gebracht

van Beauvais. Cauchon, de Bisschop van Beauvais, had de bevolking

geraden, de poorten te sluiten en de stad in staat van verdediging te

brengen. Maar dit advies viel bij de geloovigen in slechte aarde, zij

joegen hun Bisschop de stad uit en zonden afgevaardigden naar Compiègne

om den koning als hun Heer en Meester te begroeten. In Rouaan en in het

proces zullen wij zien, hoe de Bisschop revanche nam voor zijn

nederlaag.

In Compiègne is het weer wachten en talmen, talmen en wachten. Het is

weer de oude scène: Jeanne, vol ongeduld, dringt er op aan, dat men

onverwijld zal voorttrekken naar Parijs en profiteeren zal van de

gunstige omstandigheden, en de oppositie remt, onderhandelt met

Bourgondië over wapenstilstanden. Maar in den ganschen Raad van Karel

VII is er niemand, die de politiek van den sluwen hertog van Bourgondië

doorziet; zij volgen hem allen gedwee, daarheen, waar hij ze hebben

wil, en dat alleen omdat hij de handigheid heeft, om ze als lokaas van

uit de verte iets voor te houden, dat lijkt op een duurzamen vrede.

Op den laatsten dag van het verblijf van Jeanne te Compiègne, ontvangt

zij nog een brief van den graaf van Armagnac, waarin deze haar vraagt,

welke van de drie door hem genoemde Pausen de ware is. Wanneer zij op

dat oogenblik een verstandigen raadsman bij zich had gehad, had zij

kunnen volstaan met een antwoord in telegramstijl: Martinus V.

Vermoedelijk wist zij niets af van den strijd, die op dat oogenblik

gevoerd werd tusschen Paus en tegenpausen, maar dat wil zij niet

erkennen en bovendien zij wil den graaf van Armagnac, als zij kan, wel

van dienst zijn. Het antwoord, waarmede zij zich voorloopig van de zaak

afmaakt, komt hier op neer, dat zij er eens rustig over wil nadenken en

er met den koning en de anderen over wil raadplegen. In het proces wordt

haar later dit weiflend antwoord verweten.

Met d'Alençon en een deel van het leger verlaat zij eindelijk den

23en Augustus Compiègne en den 25en arriveert zij te St. Denis.

Van uit St. Denis, waar zij haar hoofdkwartier vestigt, begint

Jeanne oogenblikkelijk hare verkenningen om Parijs. Maar helaas, de

omstandigheden zijn er de laatste dagen niet beter op geworden. Bedford

heeft een deel van de Engelsche troepen uit Parijs teruggetrokken

en de verdediging van de stad hoofdzakelijk aan de burgerwacht en

Bourgondische troepen overgelaten. Juist de aanwezigheid van al die

Engelsche soldaten in de stad, waar ze bij de bevolking zoo gehaat

waren, had een groote kans gegeven, dat ook Parijs, wanneer de koning

zich tijdig vertoond had, zich zou hebben overgegeven. En ook nu is de

koning er nog niet, en Jeanne en d'Alençon voelen beiden, dat zij met

een beslissenden aanval moeten wachten tot zij het geheele leger van

den koning tot hunne beschikking hebben, tot Karel VII zelf zich kan

vertoonen en de overgave van zijn hoofdstad kan eischen. Wel heeft de

koning Compiègne verlaten, hij nadert, maar met een slakkengang, zoodat

d'Alençon hem van uit St. Denis meer dan eens gaat opzoeken om hem tot

meer spoed te bewegen. Maar Karel maakt geen haast en waarom zou hij

ook? Den 28en Augustus wordt te Compiègne tusschen hem en den hertog van

Bourgondië voor zes maanden een wapenstilstand gesloten. De bepalingen

van dit verdrag, juist op dat oogenblik gesloten, zijn wel buitengewoon

zonderling. Om een voorbeeld te noemen, werd overeengekomen, dat de

koning Parijs mocht aanvallen, maar dat Bourgondië het recht behield, de

Engelschen ter zijde te staan met de troepen, waarover hij in de stad

beschikte. En dan de houding van Karel VII tegenover Compiègne: deze

stad, die zich loyaal betoond had en den koning bij zijn nadering hare

afgevaardigden met de sleutels tegemoet gezonden had, wordt gedurende

den wapenstilstand weer aan Bourgondië afgestaan. Gelukkig neemt de stad

zelf hier geen genoegen mede, en geen wonder. Is dit de wijze, waarop

een koning de onderdanen, die hem trouw blijven, beloont? Welken invloed

moet het voorbeeld van een behandeling als van Compiègne wel niet

uitoefenen op het gedrag van de andere steden?

Sommige biografen van Jeanne, waaronder enkele van de meest

geestdriftigen, trachten toch nog een woord van verdediging te spreken

voor de politiek van den koning, en beroepen zich daarbij op het

eindresultaat van den oorlog, dat voor de Franschen toch gunstig is

geweest. Zij beoordeelen de bekwaamheden van den metselaar naar den

muur. Maar ik kan daarin onmogelijk met hen medegaan. Karel VII is

niet anders geweest dan een domper voor alle enthousiasme, en een

bluschmiddel voor elke warme en spontane opvlamming van loyauteit. Wat

bereikt is, is bereikt ondanks zijne remmende politiek van schipperen

en talmen. De eindzege, ook al kwam die na haar dood, is te danken

geweest aan Jeanne, aan haar invloed, haar genie, aan haar heerlijk

enthousiasme, haar geloof in eigen kracht, aan het plichtsbesef en het

begrip van vaderlandsliefde, dat zij door haar voorbeeld, voor het eerst

haren troepen gegeven en nagelaten heeft.

* * * * *

Mokkend en tegen zijn zin komt de koning eindelijk den 7en September te

St. Denis. Den volgenden dag, den 8en, heeft de eerste aanval op Parijs

plaats. Het is zeer waarschijnlijk, dat d'Alençon, Gaucourt, de Rais en

de andere bevelhebbers, nog gemeend hebben, dat een ernstige aanval niet

noodig zou zijn, en dat na eenig machtsvertoon en een soort schijnaanval

de hoofdstad hare poorten wel zou openen. Jeanne heeft verklaard, dat

zij voor dezen aanval geen bijzondere opdracht van hare stemmen heeft

ontvangen. Aan alles is dan ook duidelijk te zien, dat de regeling en de

voorbereiding van het gevecht niet het werk van Jeanne zijn geweest.

Toch is zij het geweest, die van het oogenblik, dat zij hare medewerking

aan den aanval heeft toegezegd, er nog van gemaakt heeft, wat er van te

maken was.

Het eigenlijke gevecht begint pas in den namiddag en dus veel te laat.

De Franschen rukken op tusschen de poorten van St. Denis en St. Honoré

aan den voet van den heuvel met de molens, het tegenwoordige Montmartre.

Van een tegenaanval op een ander punt, om de aandacht af te leiden, is

geen sprake. De eerste aanval op de buiten-boulevard bij de poort St.

Honoré gelukt en het bolwerk wordt bezet. Dan neemt Jeanne een oogenblik

weer de leiding. Met haar standaard in de hand, steekt zij de diepe

buitengracht over, waarin geen water staat, en met den stok van haar

vaandel begint zij de diepte te peilen van de binnengracht.

Een boogschutter op den muur ziet haar hiermede bezig en onder het

uitbraken van de grofste scheldwoorden schiet hij haar een pijl door

haar dij, en met een tweede schot doodt hij haar banierdrager. Zwaar

gewond wordt Jeanne weggedragen. Zij tracht nog met hare stem hare

troepen tot een aanval te bewegen, maar de avond begint reeds te vallen,

en d'Alençon met de reserve-troepen is te ver af, achter de »butte«; het

is zeker te laat, om zonder de leiding van Jeanne nog over een ernstigen

aanval te denken.

Ondanks hare zware verwonding en het bloedverlies, dat zij geleden

heeft, is Jeanne den volgenden morgen reeds vroeg in de weer. Zij wil

het signaal tot een nieuwen aanval laten blazen, zij heeft geen rust,

voor ook de hoofdstad veroverd is. Zij overlegt met d'Alençon en de

andere chefs; er komen nog versterkingen aan.... maar dan opeens

ontvangen zij bericht, dat de koning van geen nieuwen aanval op Parijs

weten wil en dat het leger bij hem te St. Denis terug moet komen. Een

oogenblik is er nog van aarzeling, of men wel aan dit onverwachte en

alles verstorende bevel zal gehoorzamen. Den volgenden morgen zelfs

doet Jeanne met d'Alençon nog een verkenningstocht naar een brug, die

d'Alençon in de buurt van St. Denis heeft laten slaan, maar tot hun

groote verbazing bemerken zij, dat gedurende den nacht een gedeelte van

die brug op bevel van den koning weer is afgebroken. Deze ontdekking

breekt hun verzet en slaat hen met lamheid.

Karel VII heeft dus eindelijk gesproken, hij heeft zelfs gehandeld. Zou

dit beduiden een eerste teeken van ontwaken? Wee dan, wee! want zijn

eerste gebaar is er een geweest, waarmede hij Jeanne ontrouw wordt,

verloochent en »désavoueert.«

Diep terneergeslagen begeeft Jeanne zich met de andere leiders en het

leger naar St. Denis. Eenige dagen besteden zij nog om te trachten, den

koning tot andere gedachten te brengen, maar hun geestdrift en hun

welsprekendheid stuiten af op de koppige domheid van hun koning en zij

staan daar tegenover machteloos.

Het gebaar, waarmede Jeanne antwoordt op de eerste formeele daad van

laffe verloochening van haar dierbaren koning, is van geheel anderen

aard. Het is een daad, zoo geheel liggende in de lijn van haar groot

karakter, een daad die ontroert door haar plechtigen eenvoud. Zoodra het

vast staat, dat een deel van het leger zal worden afgedankt en de koning

met het overschot zich weer zal terugtrekken aan de Loire, begeeft

Jeanne zich naar de kathedraal te St. Denis en legt daar haar blanke

wapenrusting neer op het altaar van de Heilige Maagd. Op dit oogenblik

is het haar dus wel duidelijk, dat haar taak in hoofdzaak is volbracht

en zij toont dit in een vroom gebaar van kinderlijke dankbaarheid en

verheven berusting.

Als men haar later in het proces vraagt, waarom zij hare wapenrusting

juist te St. Denis gebracht had, antwoordt zij: »Omdat St. Denis de

oorlogskreet van Frankrijk is.«

Den 13en September breken de Franschen op: een klein garnizoen wordt

achtergelaten te St. Denis. Den 21en komt de koning met Jeanne en zijn

gevolg te Gien aan.

Tegen haar zin wordt Jeanne medegevoerd. Zij blijft bij hare meening en

komt daar openlijk voor uit, dat men had moeten doortasten en haar haar

gang had moeten laten gaan, dan zou ook de hoofdstad zich over gegeven

hebben. Zij begrijpt, wat nu gebeuren zal: het is reeds najaar; een

groot gedeelte van het leger zal uit zuinigheid worden afgedankt en voor

het volgend voorjaar zal zeker aan een ernstig aanvallend optreden van

Fransche zijde niet gedacht kunnen worden. Zij voorziet een winter van

luieren en stilzitten.

De koning van zijn kant verzint al het mogelijke, om haar bezig, ik

schreef haast, om haar zoet te houden. Van Gien trekt zij met het hof

naar Selles en Bergy, Bourges, Loches, Jargeau, Issoudun en het kasteel

Mehun sur Yèvre. Men overlaadt haar met kostbare geschenken en fraaie

kleeren, zij heeft de vrije beschikking over de beste paarden uit den

koninklijken stal. Maar wat maalt zij om dat alles, om persoonlijk

voordeel is het haar immers niet te doen? Om deze dwaze en smakelooze

vertooning volledig te maken, wordt Jeanne met hare geheele familie,

zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie in den adelstand

verheven, »om door alle tijden heen de herinnering te vereeuwigen aan

zooveel Goddelijke genade en glorie.« De acte zegt uitdrukkelijk, dat

de nieuwe familie-naam van de »lieve en beminde Johanna d'Ay« zal

zijn »du Lys« en Jeanne zelf heeft verklaard, dat haar broers zich

als familie-wapen gekozen hadden: twee gouden fransche lelies op een

schild van azuur, met in het midden een kroon, gedragen door een zwaard.

Nergens blijkt gelukkig, dat Jeanne ooit haar nieuwen naam of wapen

heeft gevoerd: haar banier bleef onveranderd en tot het einde toe heeft

zij zich zelf niet anders genoemd dan: »Jeanne la Pucelle«.

Gelukkig voor Jeanne besluit de Raad des konings tegen het eind van

October tot een kleine expeditie in de Loirestreek. Dat geeft dus werk,

al is het niet het groote werk, dat Jeanne verlangt. In de nabijheid van

Bourges worden troepen bijeengebracht en de leiding van de expeditie

wordt opgedragen aan d'Albret en Jeanne. De vijanden van Jeanne, de

oppositie in den Raad, gaat in haar partijdigheid en onrechtvaardigheid

zoover, dat zij Jeanne een verwijt maakt van de mislukking van den

aanval op Parijs. Voor eigen fouten hebben zij een zondenbok noodig,

maar zij vergeten, of liever gezegd, zij verzwijgen, dat zij diezelfde

Jeanne, de eenige persoon, die door haar doorzettingsvermogen en haar

geestdrift in staat was geweest, van een totaal onvoldoend voorbereiden

aanval nog een belangrijk wapenfeit te maken, op het beslissende

oogenblik aan handen en voeten gebonden en haar elk verder handelen

onmogelijk gemaakt hebben.

In den aanvang van de herfstcampagne van 1429 zal Jeanne nog eenmaal

toonen, wat zij vermag, dat haar invloed op hare troepen nog dezelfde

is, maar het slot van de expeditie zal een mislukking zijn, omdat

de middelen zullen ontbreken, om de troepen langer onder de wapenen

te houden en het leger niet meer over voldoende munitie zal kunnen

beschikken. De beide voornaamste biografen van Jeanne teekenen hierbij

terecht aan, dat: »de kunst van hare tegenstanders hier in bestaan

heeft, dat zij haar belet hebben, zich weer op te heffen van haar val.«

In de laatste dagen van October vinden wij Jeanne met hare troepen voor

Saint Pierre le Moustier. De artillerie is in stelling gebracht en na

een bombardement van eenige dagen is het den belegeraars eindelijk

gelukt, een bres in de muren te schieten. Dan volgt een aanval, die

evenwel door de verdedigers wordt afgeslagen. Jeanne strijdt weer in

het voorste gelid. Zij houdt stand aan den voet van den muur, nadat

hare troepen reeds zijn teruggetrokken. d'Aulon, die door eene zware

verwonding geen deel kan nemen aan het gevecht, ziet haar daar staan

met nog slechts enkele getrouwen en beseft oogenblikkelijk in welke

gevaarlijke positie zij zich bevindt. Met moeite stijgt hij nog te

paard en rijdt naar haar toe. Als hij haar vraagt, waarom zij zich zoo

blootstelt en alleen is achtergebleven, licht zij het vizier van haar

helm op en antwoordt:

»Ik ben niet alleen, ik heb nog vijftigduizend man bij mij en zal niet

van hier gaan, voor ik de stad heb ingenomen.«

d'Aulon, verbaasd over zooveel optimisme, blijft aandringen, dat zij

zich in veiligheid zal brengen, maar Jeanne wil er niet van hooren en

met luider stem geeft zij bevel, dat men takkenbossen zal aandragen, om

een deel van de gracht te dempen.

Hare manschappen gehoorzamen. Zij is de eerste, die de gracht oversteekt

en den soldaten toeroept:

»In Gods naam, nu aanvallen! De stad is ons!«

En ook ditmaal nog blijkt dit tooverwoord voldoende, om haar leger als

één man in beweging te brengen en de stad met één krachtigen aanval,

waarvoor alles wijken moet, te veroveren.

Na de verovering van Saint Pierre le Moustier trekken d'Albret en Jeanne

met hunne troepen verder over Moulins naar Charité sur Loire, waarvan

de insluiting begint op 24 November. Maar de winter is intusschen met

groote strengheid ingevallen, de belegeraars hebben gebrek aan warme

kleeren, aan geld en aan munitie. Jeanne heeft reeds naar enkele

streken brieven gezonden met verzoek om steun, en er is ook reeds hulp

ontvangen o. a. van de trouwe en dankbare bewoners van Orléans, maar met

wat men thans bijeen heeft, zal men het niet lang kunnen houden. Na vier

weken van ellende en ontberingen in de bittere kou wordt dan ook het

beleg van la Charité opgeheven, de troepen worden afgedankt en Jeanne

met haar gevolg begeven zich naar het hof, dat zich te Jargeau bevindt.

Dan volgen eenige maanden van stilzitten. De wapenstilstand met

Bourgondië, waaraan beide partijen zich al bijzonder weinig gestoord

hebben, is telkens weer verlengd en de laatste maal zelfs tot aan de

week voor Paschen. Als in de eerste dagen van Maart het hof naar Sully

sur Loire trekt, gaat Jeanne mee, en van uit Sully verdwijnt zij met een

kleine troepenmacht zonder iemand te waarschuwen, juist tegen het einde

van het bestand. Zij trekt naar Lagny, maar onderweg te Melun krijgt zij

de eerste waarschuwing van hare Heiligen, dat zij gevangen genomen zal

worden vóór Sint Jan, dat was dus vóór den 24en Juni van dat jaar.

»Als ik dan gevangen wordt genomen«, antwoordt zij in kalme berusting,

»laat mij dan dadelijk sterven, zonder langdurige gevangenschap«.

De waarschuwing blijft haar bezighouden en telkens als hare Heiligen

haar weer verschijnen, vraagt zij nadere bijzonderheden omtrent den dag,

het uur en de plaats van hare gevangenneming. Maar de Heiligen laten

zich er verder niet over uit en raden haar slechts aan, er niet verder

over te tobben en zich niet angstig te maken, want »God zal haar

bijstaan.«

Te Lagny verblijft Jeanne geruimen tijd, de bevolking draagt haar op de

handen en vereert haar als een Heilige. Van één geval, waarin men haar

tusschenkomst als afgezant van God inroept, willen wij melding maken,

omdat het later in den breede behandeld is in het proces en hare

rechters er haar een verwijt van gemaakt hebben.

Er was dan te Lagny een kind geboren, maar dadelijk na de geboorte

overleden, nog voor men den tijd had gehad, het te doopen. Het geval

was algemeen in de plaats bekend en allen, vooral de vrouwen en moeders,

waren er zeer mede begaan. Den derden dag eindelijk besluit men, de hulp

van Jeanne in te roepen: mogelijk, dat men met haar tusschenkomst nog

iets bereiken kan. Volgens verklaring van Jeanne zelf was het lijkje

reeds zwart, toen men het haar toonde. Zij geeft den raad, dat men

het in de kerk zal brengen en neder zal leggen voor het altaar van de

Heilige Maagd. Daarna vereenigt zij zich met de vrouwen en meisjes, die

in grooten getale zijn toegestroomd, in een vurig, gemeenschappelijk

gebed.

»En ziet«, vertelde Jeanne, »aan het eind van ons gebed scheen het,

dat er leven in het kindje kwam. Het gaapte driemaal en werd gedoopt.

Dadelijk daarna stierf het en het werd in gewijde aarde begraven.«

Uit de uitdrukking van Jeanne zelf, dat het kindje na eenig teeken van

leven gegeven te hebben, al was dit dan ook het eerste na de geboorte,

»stierf«, blijkt wel voldoende, dat zij zelf niet in den waan

verkeerde, een wonder verricht en eene opwekking uit den dood

bewerkstelligd te hebben.

De omstreken van Lagny werden in die dagen onveilig gemaakt door een

ongeregelde bende van drie- à vierhonderd man onder aanvoering van

een zekeren Franquet d'Arras. Zij behoorden tot de partij van de

Bourgondiërs en vermoordden en verbrandden onderweg alles, wat zij van

de Franschen in handen konden krijgen. Jeanne trekt er op een dag met

hare troepen op uit, om met die gevaarlijke bende af te rekenen. Bij

een eerste treffen worden de manschappen van d'Arras allen gedood of

gevangen genomen en hij zelf valt ook in handen van de Franschen. Bij de

verdeeling van de krijgsgevangenen, zooals die toen gebruikelijk was,

wordt de aanvoerder Franquet d'Arras aan Jeanne toegewezen. Vermoedelijk

zal zij hem gekocht hebben, een krijgsgevangene van eenigen rang of

stand kreeg men niet voor niets, maar een ander zal voor haar betaald

hebben, want zij heeft uitdrukkelijk later in het proces verklaard,

dat zij geen geld voor hem gegeven had, daar zij nimmer munter of

schatmeester van Frankrijk was geweest. Jeanne was van plan, haren

gevangene uit te wisselen tegen een hôtelier uit Parijs, den »Seigneur

de l'Ours«, maar, als zij vernomen heeft dat de hôtelier gedood is,

zwicht zij voor den aandrang van den baljuw van Senlis en levert

Franquet d'Arras aan hem uit. Na een kort proces wordt hij daarna ter

dood veroordeeld en onthoofd. In Bourgondische kringen is men heftig

verontwaardigd geweest over de terechtstelling van dezen kapitein en er

schijnt in deze zaak ook iets te zijn, dat niet geheel strookte met de

gebruiken van dien tijd. Maar het is ten onrechte, dat men er Jeanne

een ernstig verwijt van heeft gemaakt: zij heeft slechts toegestemd in

de voltrekking van het vonnis, omdat d'Arras de hem ten laste gelegde

feiten bekend had, en zij meende, dat het recht zijn loop moest hebben.

In het proces zal men uit deze gebeurtenis een bewijs putten voor de

wreedheid en bloeddorstigheid van Jeanne.

Men heeft het Jeanne in het proces nog lastig gemaakt over eene andere

bijzonderheid uit haar verblijf te Lagny, n.l. over hetgeen zij gedaan

had met het beroemde zwaard, dat zij uit Fierbois had laten halen. Maar

zij heeft geweigerd, hieromtrent iets mede te deelen. Men heeft algemeen

verzekerd, dat zij het in een plotselinge opwelling van verontwaardiging

had stuk geslagen, met één slag van het plat van het zwaard, op den

rug van een vrouw van lichte zeden, die zij ondanks haar herhaald en

uitdrukkelijk verbod aantrof in den tros van haar leger. Voor zij Lagny

verlaat, krijgt zij een zwaard, dat men op een Bourgondiër veroverd had,

en dat zij behouden heeft tot hare gevangenneming toe.

Als Jeanne eindelijk Lagny verlaat, begeeft zij zich met haar troepen,

een duizend ruiters ongeveer, over Senlis naar Compiègne. Compiègne,

dat zich, zooals wij reeds gezien hebben, loyaal betoond had, was door

Karel VII bij zijn verdrag met den hertog van Bourgondië weer aan dezen

laatste overgeleverd. Maar Guilleaume de Flavy, de bevelhebber van de

stad, had van deze overgave niets willen weten en zijn poorten voor de

Bourgondiërs gesloten gehouden.

Thans, nu de wapenstilstand geëindigd was, had de hertog van Bourgondië

een nieuw en krachtig leger verzameld, dat onder aanvoering van Jean de

Luxembourg, graaf van Ligny, onderweg was, om zich allereerst van de

weerspannige stad meester te maken.

Bij haar wederverschijnen in Compiègne op den 13en Mei wordt Jeanne

door de bevolking feestelijk ontvangen en met het ceremonieel voor

hooggeplaatste personen: men bood haar wijn aan. Van uit Compiègne

trekt ze met de andere aanvoerders als de Graaf van Vendôme en de

aartsbisschop van Reims naar Soissons, maar hun poging om in de

nabijheid van deze plaats de Aisne over te trekken, mislukt, en ze moet

weer terug, maar neemt afscheid van den aartsbisschop, die met een deel

van de troepen naar Senlis trekt. Zij verlaat Compiègne nogmaals voor

een expeditie naar Pont l'Évèque, dat in handen van de Engelschen is.

Voor eene verovering van dit belangrijke punt beschikt zij evenwel niet

over voldoende troepen. Hun aanval wordt afgeslagen. Op haar terugtocht

verneemt zij te Crépy, dat de Bourgondiërs het beleg voor Compiègne

hebben geslagen. Zij begrijpt, dat er nu geen oogenblik te verliezen is.

Ze wil trachten, door de belegeraars heen te sluipen en zóó de stad nog

te bereiken. Men doet nog een poging, haar van dit plan af te brengen,

maar zij zet door. »Wij zijn talrijk genoeg«, zegt zij, »ik ga mijne

goede vrienden in Compiègne opzoeken«.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 30 / 66 题