Van hare ouders ontving zij als kind een ring met het opschrift:
»Jhesu-Maria«, hetzelfde dus, dat wij later terugvinden boven hare
brieven en op haren standaard.
Omtrent de verdere familie-relaties van Jeanne, waarvan ons trouwens ook
niet veel bekend is, kunnen wij volstaan met te vermelden, dat haar oom
van moederszijde pastoor was te Sermaize, en haar germain-neef Nicolas
Romée, genaamd de Vouthon, geestelijke aan de abdij van Cheminon. Met
een anderen oom, Durand Laxart te Burey-le-Petit, maken wij later nog
nader kennis.
Het dorp Domrémy, waar Jeanne geboren is, en waar zij hare jeugd heeft
doorgebracht, is gelegen in het Noord-Oostelijk deel van Frankrijk,
tusschen Neufchâteau en Vaucouleurs aan de Maas. De bevolking van
Domrémy, die bestond uit kleine landbouwers, leefde van hare kudden
en van de opbrengst van kleine wijngaarden op de naburige heuvels. Een
beek verdeelde het dorp, dat op een heuvelhelling gebouwd was, in drie
deelen, waarvan één, het deel waarin de kerk en het huis van Jacquot
d'Arc zich bevonden, ressorteerde onder de heerlijkheid Vaucouleurs, en
regelrecht stond onder het gezag van de kroon van Frankrijk. Eerst aan
de overzijde van de Maas begon het gebied van het hertogdom Lotharingen.
Het was dus ten onrechte, dat Jeanne in den volksmond dikwijls
»Lorraine« werd genoemd; zij beschouwde zichzelf als en was ook
inderdaad: »Française«.
De ligging van de geboorteplaats en zelfs van het geboortehuis van
Jeanne is ongetwijfeld van grooten invloed op haar verder leven geweest.
De groote weg, die Vlaanderen en Bourgondië verbond met de Rijnlanden,
met Zuid-Duitschland en zelfs met Italië, loopt door Domrémy langs het
huis van Jeanne's vader. Dagelijks trokken dus reizigers, kooplieden
met hunne kleine karavanen en bedelmonniken hare woning voorbij. Dit gaf
eenig vertier, ja zelfs gezelligheid, want de vermoeide reiziger vond in
het gastvrije huis van Jacquot d'Arc een leger om te rusten en een stal
voor zijn paard en ook de rondzwervende bedelmonnik vond er een stevig
maal en in de kou een warm vuur.
Gedurende de lange winteravonden zaten deze passanten, deze gasten voor
één nacht, genoegelijk met het gezin om de groote schouw, en verhaalden
van hunne wederwaardigheden, of wat zij onder weg gehoord hadden. Zij
maakten groote reizen en konden dus veel vertellen, maar in dien tijd
van rampspoed liepen de gesprekken en handelden hunne verhalen steeds
over hetzelfde onderwerp, waarover men nooit uitgepraat raakte: de
verschrikkingen van den oorlog en de »grande pitié qui était au royaume
de France«.
De kleine Jeanne zat daarbij en hoorde die verhalen aan. Is het te
verwonderen dat zij op haar jong, ontvankelijk gemoed een diepen,
onuitwischbaren indruk hebben gemaakt? Is het niet zeer natuurlijk
zelfs, dat die telkens herhaalde beschrijvingen van bloedige tafereelen,
van plundering, brand en moord haar voortdurend voor den geest bleven,
haar zelfs niet verlieten in hare droomen, en haar vervulden met een
groot en innig medelijden met het zwaar beproefde volk?
Een andere omstandigheid van groot gewicht is, dat het huis, waarin
Jeanne is groot gebracht, gelegen was in de onmiddellijke nabijheid van
de kerk van Domrémy; de tuin grensde aan het kerkhof. Van hare vroegste
jeugd af hoorde zij dagelijks op gezette tijden het vroolijke beieren
van de klok; zij luisterde er naar, want ze hield van dat geluid, zij
onderbrak er haar werk of haar spel een oogenblik voor, en soms ook
stond ze er op te wachten met ongeduld, wetende dat het komen zou. De
klokkenluider van Domrémy was een jongen, dien Jeanne dagelijks zag,
dien zij kende en met wien zij sprak. Zij kon hem niet vergeven, dat
hij lui was en dikwijls te laat kwam, en beloofde hem eenmaal zelfs een
mandje witte wol van de schapen van haren vader, als hij in het vervolg
beter op zijn tijd wou passen en op tijd de klok wou luiden.
Een natuurlijk en bijna onvermijdelijk gevolg van de onmiddellijke
nabijheid van de kerk was nog, dat Jeanne daar behalve voor het bijwonen
van een dienst, het hooren van een Mis, ook op andere tijden dikwijls
binnen liep. Zij zag daar enkele beelden en schilderijen, afbeeldingen
van Heiligen. Vergeten wij niet, dat voor een kind, levende op het
platteland, in de eerste jaren van de vijftiende eeuw, de kerk doorgaans
de eenige plaats was, waar het iets kon zien, dat naar een beeld of
schilderij geleek. Jeanne had voor de afbeeldingen, die zij in de kerk
van Domrémy zag, alle aandacht van een kind, dat zich rekenschap geeft
van hetgeen zij om zich heen ziet. Zij werd langzamerhand vertrouwd tot
zelfs met de kleinste bijzonderheden van de naïeve voorstellingen die
zij dagelijks bewonderde, en als later hare stemmen tot haar zullen
spreken en hare Heiligen haar zullen verschijnen, zullen deze laatsten
gekleed en versierd zijn als de figuren in de kerk te Domrémy.
Vele bijzonderheden zijn ons uit de eerste kinderjaren van Jeanne niet
bekend. Wij weten slechts, maar dit is juist van groot belang, dat zij
een gezond en vroolijk kind was, dat met hare kornuitjes speelde en
stoeide op zijn tijd. Men heeft haar later dikwijls voorgesteld in woord
en beeld als herderinnetje; wij weten uit eene verklaring van Jeanne
zelf, dat deze voorstelling niet zeer juist is; zij heeft duidelijk
gezegd, dat zij slechts zelden de kudde van haren vader gehoed heeft.
De talrijke getuigen uit Domrémy in het proces van Rehabilitatie weten
ons allemaal te vertellen, dat een ieder op zijn beurt er op uit trok,
om het vee van alle bewoners te zamen te weiden en dat Jeanne dit ook
slechts gedaan heeft, wanneer het haar beurt was.
Geen dweepstertje dus was de kleine Jeanne, dat zich van andere kinderen
afzonderde en leefde met hare droomen; neen, een klein meisje, waaraan
aanvankelijk niets bijzonders was, en dat men dus niet opmerkte.
Jaarlijks, op vaste dagen, trokken de kinderen uit de omstreken van
Domrémy in optocht naar het zoogenaamde »bois chesnu«. Dit was een bosch
van statige eiken, gelegen op een heuvel op een kleine mijl afstands van
het dorp. Aan den zoom stond bij een beek een beukeboom, de schoone Mei
genaamd. Volgens oud gebruik brachten de kleinen bloemen en kransen,
door henzelf gevlochten, aan den voet van dien beuk of hechtten ze aan
zijn takken. Men mompelde iets van de verschijning van feeën bij dien
boom en van wonderdadige geneeskundige kracht van het water van de beek,
maar die praatjes waren verdacht en riekten naar den mutserd. Jeanne,
hierover later ondervraagd, verklaarde die verhalen wel gehoord, maar er
nooit aan geloofd te hebben; zij hield ze voor bakersprookjes. Wel was
zij trouw altijd medegetrokken met hare kameraadjes, vroolijk zingend
langs den weg, en had ook zij haar eigen gevlochten kransje neergelegd
aan den voet van de schoone Mei of zooals hij ook wel genoemd werd de
Boom der Feeën.
* * * * *
De eerste jeugd van Jeanne verliep dus heel gewoon zonder eenige
belangrijke of schokkende gebeurtenis voor het kind. Maar in den zomer
van 1425, als zij dus dertien jaar is, krijgt zij haar eerste visioen.
Het was op een middag tegen twaalf uur, zoo vertelt zij zelf. Zij
wandelde rustig in den tuin van haar vader, toen zij eensklaps een stem
hoorde, die haar bij haar naam noemde. Zij zag op naar de zijde, vanwaar
zij geroepen werd, en zag aan haar rechterhand, aan den kant van de
kerk, een helder licht. Dan roept dezelfde stem haar nogmaals en
vermaant haar zich behoorlijk te gedragen.
Die eerste maal schrikt Jeanne hevig, zij is bang, maar als de visioenen
zich kort daarna eenige malen herhaald hebben, begrijpt zij, dat zij
haar door God gezonden worden en bij de derde gelegenheid weet zij
reeds, dat het de stem is van den Heiligen Michaël, die tot haar
spreekt. Zij heeft den Heilige duidelijk voor zich zien staan in het
groote licht rechts aan de zijde van de kerk; hij was als ridder gekleed
en omringd van een breede schaar van engelen.
De zekerheid, dat het een Heilige was, die tot haar sprak en die haar
door God gezonden was, stelt haar gerust, zoodat zij het ook niet noodig
acht, met iemand, zelfs niet met hare moeder, over hare visioenen te
spreken. Eerst later te Chinon vertelt zij alles aan den koning, en
eindelijk aan hare rechters te Rouaan deelt zij er van mede, wat zij
oordeelt, dat zij er van vertellen mag.
De visioenen herhalen zich twee of driemaal per week en verschijnen nu
eens, terwijl de kerkklok luidt, dan weer, als alles stil is in den
omtrek. Na eenige malen is het niet meer uitsluitend de Heilige Michaël,
die zich aan Jeanne vertoont, maar ziet zij ook de Heilige Cathérine
en de Heilige Marguérite. Zooals zij zelf verklaart, herkent zij deze
Heiligen door de namen, waarmede zij elkaar aanspreken en aan de wijze,
waarop zij haar groeten. Bij hun verschijnen dragen zij kostbare kronen
op het hoofd en verspreiden een heerlijken geur. Als Jeanne ze voor de
eerste maal ziet, knielt zij neder, en steekt biddend hare handen op. De
Heiligen zegenen dan den ring met het opschrift »Jhesu-Maria« en Jeanne
doet hun plechtig de gelofte, dat zij Maagd zal blijven, zoolang het God
behagen zal.
Aanvankelijk bepalen de stemmen er zich toe, Jeanne te vermanen, zich
goed te gedragen en trouw ter kerke te gaan, maar al spoedig beginnen
zij er op aan te dringen, dat zij zich op zal maken om »naar Frankrijk«
te gaan, om het land te redden. Het arme kind, hoewel langzamerhand
beseffende, dat zij door God is uitverkoren, acht de taak, dien men haar
opdraagt, te zwaar. Hoe wil zij, een arm meisje van nog geen veertien
jaar, dat niets weet, niets geleerd heeft, haar land te hulp komen?
In dien zin antwoordt zij ook haren stemmen, zeggende: »Ik ben een
arm meisje, dat kan paardrijden, noch oorlogvoeren«. Maar de stemmen
houden aan, en laten haar niet los. Zij herhalen hunne oproepingen soms
tweemaal in één week en dat gedurende geruimen tijd, ja gedurende eenige
jaren. In deze periode van grooten, innerlijken tweestrijd merkt ook
de omgeving van het jonge meisje eenige verandering in haar op. Van
een dartel, vroolijk jong ding, wordt zij nu meer teruggetrokken, zij
verlaat nu dikwijls het spel van hare kameraadjes en zondert zich af in
de eenzaamheid of verdiept zich in de kerk in gebed. Voor al haar doen
en laten vraagt zij raad aan hare Heiligen, die haar blijven steunen en
leiden. Maar helaas, hunne bezoeken duren slechts kort. Jeanne, telkens
verrukt als zij de Heilige Cathérine en de Heilige Marguérite voor zich
ziet, valt ze eerbiedig te voet, kust hunne voeten en den zoom van hun
schitterend kleed. Zij stort haar hart voor hen uit en smeekt ze, haar
mede te nemen naar het Paradijs. Maar de Heiligen trachten haar gerust
te stellen, wijzen haar op hare verheven taak, en als zij verdwijnen,
blijft Jeanne schreiend achter, diep bedroefd, dat zij haar verlaten en
niet medegenomen hebben.
Niemand is er, met wien Jeanne durft spreken over hare Visioenen, over
hare stemmen, en de opdracht, die zij haar gegeven hebben.
In het proces wordt haar later verweten, dat zij haar biechtvader er
niet over geraadpleegd heeft. Maar Jeanne achtte dit niet noodig. Worden
hare Heiligen haar niet rechtstreeks door God gezonden, waartoe dan zou
zij menschelijke hulp inroepen in een zaak uitsluitend tusschen Messire
en haar?
Steun, d.w.z. medewerking voor hare groote plannen, zou zij bij hare
ouders zeker niet gevonden hebben. Bekend is, dat haar vader, blijkbaar
geen vriend van halve maatregelen, in die dagen een droom gehad heeft,
waarin hij Jeanne zag, die met een gewapenden troep ten strijde trok.
Maar aan zijn zoons, wien hij zijn droom vertelde droeg hij op, dat zij
haar, wanneer zoo iets ooit gebeurde, moesten verdrinken, en voegde hij
er aan toe, wanneer zij het niet deden, zou hij haar zelf verdrinken.
Hoogst merkwaardig is zeker, dat Jeanne soms met hare stemmen in
discussie treedt. Zij is in haar verzet dan steeds volkomen logisch en
bewijst dat zij ook in tegenwoordigheid van hare Heiligen of als hare
stemmen tot haar spreken, de volle beschikking behoudt over haar gezond
verstand. Zij wijst in deze eerste jaren hare stemmen op de schier
onoverwinnelijke moeilijkheden aan haar taak verbonden: hoe kan zij
wegkomen van het ouderlijk huis, hoe zal zij den Dauphin bereiken, die
in een van zijne kasteelen aan de Loire vertoeft, dus op een afstand van
eenige honderden kilometers van Domrémy, terwijl de tusschengelegen
streek onveilig wordt gemaakt door vijandige Engelsch-Bourgondische
troepen of ongeregelde plunderende benden?
Maar ook later, als zij met hare stemmen spreekt over haar plan, om
uit het kasteel Beaurevoir te ontsnappen, zijn hare tegenwerpingen zoo
nuchter verstandig, zoo zuiver menschelijk. Nu het er echter om gaat
haar de aangevoerde moeielijkheden uit het hoofd te praten, weten hare
stemmen haar een middel aan de hand te doen, dat een groot deel van
hare bezwaren opheft, en waaraan Jeanne zelf niet gedacht had. Zij
behoeft zich niet regelrecht bij den Koning aan te melden, houden zij
haar telkens voor; zij kan beginnen met zich te wenden tot Robert de
Baudricourt, kapitein van Vaucouleurs. Vaucouleurs is slechts eenige
mijlen van Domrémy verwijderd en de bevolking van de plaats is den
Koning trouw gebleven. De naam van den kapitein was Jeanne ook niet
onbekend. Robert de Baudricourt was het type van een ruw soldaat, een
echte houwdegen, maar een open, ronde kerel, hij deed genoeg van zich
spreken in de gansche streek, en Jacquot d'Arc was meermalen persoonlijk
met hem in aanraking geweest, o. a. bij de onderhandelingen over eene
schadevergoeding aan Robert de Saarbrück, waarbij de kapitein als
scheidsrechter optrad.
Hem kan Jeanne haar plan mededeelen; hij zal haar helpen en de noodige
manschappen te harer beschikking stellen, die haar veilig en wel bij den
Koning zullen brengen.
Maar Jeanne aarzelt nog en geen wonder.
Juist alles, wat zij over de Baudricourt gehoord heeft, doet haar
betwijfelen of hij nu wel de rechte man is, die haar gelooven zal, en
dien zij voor haar groote zaak zal kunnen winnen. Zal deze krijgsman
haar wel ontvangen en aanhooren?
Hare stemmen houden aan, steeds dringender. De nood stijgt hooger;
reeds hebben de vijanden het beleg voor Orléans gelegd en troepen worden
gezonden, om ook het oosten van het land, de streek van Vaucouleurs, te
onderwerpen.
Dan eindelijk, in de eerste dagen van Mei 1428, is haar besluit genomen.
Jeanne vertrekt. Het is Gods wil, zij kan niet anders. Niets kan haar nu
meer tegenhouden, en »al had zij ook honderd vaders en moeders gehad, al
was zij eene koningsdochter geweest, zij zou toch vertrokken zijn«.
Zij verlaat de ouderlijke woning onder een voorwendsel. Zij krijgt
toestemming van hare ouders, om voor eenige dagen naar haar »oom Durand
Laxart« te Burey-le-Petit te gaan. Deze »oom«, in werkelijkheid een
neef, die door de kinderen van Jacquot d'Arc, omdat hij veel ouder is,
oom genoemd wordt, zal zij eerst in vertrouwen nemen, in de hoop dat hij
haar helpen zal, om met Robert de Baudricourt in aanraking te komen.
Maar oom Durand schijnt niet op het eerste gehoor van de hooge roeping
van zijn nicht overtuigd geweest te zijn en Jeanne heeft gedurende een
week al hare overredingskracht noodig, om hem te winnen. Zij herinnert
hem o.a. aan eene oude voorspelling »dat een vrouw het Fransche
koninkrijk zou te gronde richten, en dat een Maagd het zou redden«.
Durand kent deze voorspelling en dit laatste argument van Jeanne stemt
hem tot nadenken. De eerste helft van de voorspelling is reeds droeve
waarheid geworden: heeft Isabeau de Bavière, de weduwe van Karel VI,
het land niet aan zijn vijanden overgeleverd en verkocht? Waarom zou
dan de tweede helft.... en waarom zou dan zijne nicht niet kunnen zijn
de Maagd, gezonden door God, om te volbrengen, wat zij allen zoo vurig
wenschen? Durand geeft eindelijk toe en met Jeanne vertrekt hij den 13en
Mei naar Vaucouleurs. Daar aangekomen, begeven zij zich regelrecht naar
het kasteel. Men brengt hen in de zaal, waar Robert zich bevindt in
gezelschap van eenige andere krijgslieden. Maar Jeanne behoeft geen
oogenblik te aarzelen, hare stemmen duiden haar aan tot wien zij zich
wenden moet en vastberaden treedt zij op den kapitein toe met de
woorden:
»Ik ben door Messire tot U gezonden, opdat gij den dauphin zult doen
weten, dat hij stand houde en zijnen vijanden geen slag moet leveren.«
De bijzonderheden omtrent deze eerste ontmoeting tusschen Jeanne en
Robert de Baudricourt zijn ons bekend uit de getuigenis van Bertrand de
Poulengy, een schildknaap, die bij de samenkomst aanwezig was. Hij kende
Domrémy en zijne bewoners, had meermalen zelfs Jacquot d' Arc bezocht,
zoodat vermoedelijk Jeanne zelf ook geen vreemde voor hem was.
Seigneur Robert, hoewel voor geen kleintje vervaard, staat het eerste
oogenblik toch eenigszins verwonderd tegenover Jeanne; de verschijning
van dit jonge meisje, gekleed in een eenigszins armoedig rood jurkje,
en dat hem zonder eenige inleiding, op kalmen en beslisten toon een
opdracht geeft voor den dauphin, overvalt hem wel wat onverwacht.
Jeanne vervolgt en voorspelt: »Voor mi-carême zal Messire hem hulp
zenden.«
Dan zet zij in enkele woorden uiteen een deel van de taak, die zij zich
gesteld heeft: »In waarheid is het koninkrijk niet in het bezit van
den dauphin. Maar Messire verlangt, dat de dauphin koning zal zijn en
heerschen zal over het koninkrijk. Ondanks zijne vijanden zal de dauphin
tot koning gekroond worden, en ik zal het zijn, die hem naar de
kroningsplechtigheid geleiden zal.«
Robert begrijpt haar niet. Toch vraagt hij nog: »Wie is Messire?« en
Jeanne legt hem uit: »De Koning der Hemelen.« Maar deze verklaring maakt
voor den kapitein het geval niet duidelijker. Te drommel, wat wil ze van
hem, die knappe verschijning met hare heldere oogen en haar manhaftig
optreden? Tegenover de overige aanwezigen, zijn krijgsmakkers en
onderhoorigen, redt hij zijn figuur door eenige ruwe, ongepaste
soldatengrappen ten koste van het jonge meisje, dat tegenover hem staat;
dan wendt hij zich tot oom Durand en stuurt hem weg met Jeanne: »Breng
haar terug bij haar vader en wasch haar maar eens ferm de ooren!«
Deze eerste tegenslag doet Jeanne den moed niet verliezen. Haar
vertrouwen heeft niet in het minst geleden, zij behoeft slechts te
wachten op eene betere gelegenheid. Teruggekeerd in de ouderlijke
woning, vertelt zij niets omtrent haar bezoek aan Vaucouleurs en ook
oom Durand schijnt haar geheim trouw bewaard te hebben. Alleen in vage
termen spreekt Jeanne met sommige personen over de groote dingen, die te
gebeuren staan, maar zij verzwijgt de rol, die zij daarin vervullen zal.
Zoo neemt zij b.v. Michel Lebuin, een knaap van haren leeftijd, in
vertrouwen, en voorspelt hem (23 Juni):
»Er woont tusschen Coussey en Vaucouleurs een meisje, dat, vóór er een
jaar verstreken is, den koning van Frankrijk zal doen kronen.«
* * * * *
De vijand zit intusschen niet stil. Er worden toebereidselen gemaakt om
het werk der onderwerping van het geheele koninkrijk te voltooien. De
regent van Hendrik VI in Frankrijk, de hertog van Bedford, draagt aan
Antoine de Vergy, gouverneur van Champagne, op om een troepenmacht van
een duizend man te verzamelen en het oostelijk deel van Frankrijk, de
streek van Vaucouleurs, in bezit te nemen. In de tweede helft van Juli
rukken de twee gebroeders Antoine en Jean de Vergy met hun leger op.
Zooals het oorlogsgebruik van dien tijd medebrengt, worden de dorpen,
die zij op hun marsch door trekken, geplunderd en verbrand en de
bewoners, die zich niet tijdig uit de voeten hebben gemaakt, vermoord.
Als zij Domrémy naderen, verlaten de bewoners met hun vee en alles, wat
zij redden kunnen, het dorp en vluchten naar Neufchâteau in Lotharingen.
Onder deze vluchtelingen bevindt zich ook Jacquot d'Arc met zijn gezin.
Jeanne en hare familie vinden een onderkomen bij eene vrouw, genaamd La
Rousse die een herberg, wij zouden zeggen een klein hôtel, hield.
Valsche getuigen, booze tongen, hebben later verklaard, dat Jeanne in
die dagen in die herberg met vrouwen van lichte zeden een losbandig
leven heeft geleid. Maar de verklaringen van verscheidene geloofwaardige
personen uit Domrémy, die met haar waren uitgeweken, zijn daar om te
bewijzen, dat dit slechts vuile laster is.
Wel had Jeanne tijdens het korte verblijf te Neufchâteau een voor
haar onaangename zaak te beredderen. Zij werd voor den rechter te Toul
geroepen op aanklacht van een jongen man uit Domrémy, die beweerde, dat
Jeanne hem trouwbeloften had gedaan. Later, in het proces te Rouaan,
keert men de zaak om en verwijt men Jeanne, dat zij den jongen man had
doen dagvaarden. Zij zet dan uiteen, hoe de zaak zich werkelijk heeft
toegedragen: zij was gedaagde, zij had geen trouwbeloften gedaan, en
wordt ook door den rechter in het gelijk gesteld, zeer tegen den wensch
van haar vader, die het jongmensch genegen was, en hem gaarne met zijne
dochter Jeanne had zien huwen.
Na een dag of veertien keeren de vluchtelingen naar hunne haardsteden
terug, of beter gezegd, naar de plek, waar die zich eenmaal bevonden.
Zij vinden van het dorp nagenoeg niets terug. Hunne huizen, de kerk,
alles is verbrand en geplunderd en de oogst is verwoest.
Wij kunnen gerust aannemen, dat de gebeurtenissen van de tweede helft
van Juli en van begin Augustus 1428, de vlucht naar Neufchâteau en de
terugkeer in het verwoeste dorp, Jeanne buitengewoon gesterkt hebben in
hare overtuiging, dat voor haar het oogenblik om te handelen gekomen
was, dat spoedige hulp voor den dauphin en voor Frankrijk noodzakelijk
was.
Ook laten hare stemmen haar geen dag met vreê. Steeds met meer nadruk
dringen zij er bij Jeanne op aan, dat zij haar dorp zal verlaten en naar
Frankrijk zal gaan. De nood is op het hoogst, ook Orléans wordt reeds
door den vijand belegerd.
In het begin van 1429 komt het toeval Jeanne te hulp. De vrouw van oom
Durand Laxart ligt in het kraambed en laat nu vragen, of Jeanne eenigen
tijd in Burey-le-Petit mag komen, om voor het huishouden en de kleine
te zorgen. Dit verzoek, dat volstrekt niets buitengewoons had onder
familieleden in dien tijd, wordt toegestaan. In gezelschap van oom
Durand, verlaat Jeanne dus, één van de eerste dagen van Februari, het
ouderlijk huis en Domrémy, om er nooit meer terug te keeren. Zij is
opgewekt en vol goeden moed. Onderweg groet zij vroolijk alle kennissen,
haren speelkameraadjes, Guillemette de Greux en Mengette, roept zij
toe »Adieu, ik ga naar Vaucouleurs.« Zij ontloopt alleen haar oudste
vriendinnetje, Hauviette genaamd, dat eerst later verneemt, dat Jeanne
vertrokken is, en dan zeer verdrietig is. In Vaucouleurs neemt zij haar
intrek bij de vrouw van een wagenmaker, Henri Le Royer, eenen goeden
bekende van hare familie.
Ditmaal schijnt Robert de Baudricourt moeilijker te genaken te zijn
geweest. Er verloopen ten minste eenige dagen, voor het Jeanne gelukt,
hem weer te spreken te krijgen. Zij brengt die dagen door met het
verrichten van huishoudelijk werk voor hare gastvrouw, en verder
met bidden in de kerk. Het eerste bezoek van Jeanne aan Robert de
Baudricourt en het doel van haar komst waren in Vaucouleurs geen geheim
gebleven.
De kapitein had er later met zijne krijgsmakkers nog eens hartelijk om
gelachen. Eén van hen, Jean de Metz, een dappere jonge man van dertig
jaar, vindt Jeanne op een morgen voor de deur van den wagenmaker en
roept haar toe:
»Wel, beste meid, wat doe je nog hier? Moet de koning uit zijn rijk
gejaagd worden en moeten wij Engelschen worden?«
Jeanne legt hem uit, dat het haar nog niet gelukt is met Robert de
Baudricourt te spreken. Zij wilde hem verzoeken, haar naar den koning
te zenden, want zij alleen kan Frankrijk redden. Dan geeft Jean de Metz
haar heel kameraadschappelijk een hand en vraagt: »Welnu, beste meid,
wanneer vertrekken wij?«
En Jeanne antwoordt:
»Liever nu dadelijk dan morgen, en liever morgen dan later.«
Jean de Metz en Bertrand de Poulengy, met welken laatste Jeanne een
dergelijke ontmoeting had, dringen er bij den kapitein op aan, dat hij
haar ontvangen zal. Hun moeite heeft het gewenschte resultaat. Nu, bij
de tweede ontmoeting, hoort Robert Jeanne kalm aan en jaagt haar niet
weg. Zij vertelt hem, dat Messire haar heeft opgedragen, naar den
dauphin te gaan, daarna Orléans te ontzetten en vervolgens den koning
te doen kronen te Reims.
[Illustratie: Kamer in het huis waar Jeanne d'Arc te Domremy woonde.
Het huis wordt zooveel mogelijk in den oorspronkelijken toestand
bewaard. In het midden een standbeeld van Jeanne.