Droomelot, Regina, Sero, Wachter.
2de WACHTER. Komt niets van in! Daar heb ik op geloerd! (verscheurt ze
driftig).
’r Uit gedragen wordt hier niemendal!
Zie zoo! Nou kun je grabb’len allebei! (een snipper lezend)
Dacht ik ’t niet: jawel, ’t bekende schrift! (bukkend en de snippers
nog eens verscheurend)
Te groote brokken steken in je keel
En maken dat je je verslikken zou.
Dat’s beter mondjesmaat—En jij ’r uit!
REGINA. ’r Uit?... Ik ben besteld om—hem te zien...
2de WACHTER. Komt niets van in!
REGINA. De kommandant...
2de WACHTER. Is gek!
REGINA. Je heb me zelf gezegd...
2de WACHTER. Ik ben óók gek
We zijn ’t allemaal, ik, de Regent,
En ieder die te loopsch naast rokken loopt! (schatert het uit).
Geloof, dat als ik wijven-wachter was,
M’n uniform gauw an den kapstok hing! (tot Droomelot, die glimlachend
de snippers geraapt heeft)
Wil je ze liever strooien op de plaats.
DROOMELOT (ze spottend nakijkend).
Ik geef ze aan den wind—en woord voor woord
Ik weet den stand van elke letter nog...
2de WACHTER (tot Regina). ’r Uit madam!
REGINA. Dus mag ik ’m niet zien?
2de WACHTER. Hier namaals ja—maar bij z’n erwten niet!
REGINA. Dat is gemeen! Als-ie toch stervend is! (Droomelot schrikt op,
luistert onbewegelijk toe).
2de WACHTER. Jij kletst! De kommandant is idioot!
Ik heb ’m zelf pas in de zon gelucht!
En op de plaats heeft-ie gefloten als
’n Vink, die bij z’n voer wat suiker vindt!
DROOMELOT. Hij liegt!
REGINA. Je liegt! Ik ga hier niet vandaan! Laat me ’r door.
2de WACHTER. (z’n mouwen opstroopend):
Haha, dat wordt ’n bokspartij!
’t Spijt me wel, madam, ’t is afgelast!
DROOMELOT. Door wie?
2de WACHTER. Door den Regent!
DROOMELOT. Wanneer?
2de WACHTER. Zoo pas.
REGINA. Mag ik dan wachten hier?
2de WACHTER. Nee, nee—hier niet!
Maar als je wachten wil, met véél geduld
Neem dan je intrek in mijn wachtlokaal
’k Heb bier en goed-belegen roggemik!
REGINA. Dan wacht ik daar! Dag Droomelot, m’n kind! Ik dank je wel, en
als ’k je niet meer zie...
DROOMELOT. We zien mekaar nog eer ’t avond is.
REGINA. Dat weet ik niet.
DROOMELOT. Maar ik—ik weet ’t wel.
2de WACHTER. Na u—ik heb de sleutels en de eer! (af met Regina).