Droomelot, Sero.
DROOMELOT. (waakt op, ziet de sleutels op den divan, grijpt ze, treedt
bij Sero binnen, blijft stuipend van angst staan, als ze hem ziet
liggen): Vader! Vadertje!.. (hij stut plotseling op de armen, kijkt
haar enkel aan) Goddank!... (knielt bij ’t bed, neemt z’n hand, kust
die—hij stoot haar driftig terug). Vadertje! (hij blijft haar
aanstaren, zij wijkt achteruit). Je kijkt zoo vreemd—ik ben
’t—Droomelot! Herken je me niet meer? (hij schudt wild het hoofd, wijst
haar heen te gaan). Ik ben ’t—ik! (knielt opnieuw bij ’t bed).
SERO. (moeilijk): Ga weg! (schor lachend).
’k Verdraag de lucht niet van jouw zeep!
Daar stik ik bij! Smijt open hier ’t raam!
Ga weg! Ga weg! Ga weg! Ik ken je niet!
DROOMELOT. Je kent me niet? Ik ben je eigen kind!
SERO. (halverwege van ’t bed).
Ben jij m’n eigen kind—weet je dat wel?
Ik stik! (zij bukt, reikt hem de waterkruik—hij duwt haar achteruit).
Nee, uit jouw kinderhanden niet!...
Eer kruip ik naar den berg van Horeb heen,
En wacht ’t wonderwater uit de rots...
Dan dat ik nog van jou, van jóú—wat wil!
DROOMELOT. Toe, vader, vader, vadertje!
SERO. Ga weg!
Jij wist den weg, daar bij de schouw, niet waar?
DROOMELOT. Dien wist ik, maar ’k dacht...
SERO. Jij dacht—jij dacht, hahaha!
Ik ook! Ik heb zoo vreeslijk veel gedacht,
Ik heb dit zotte hart kapot gedacht! (lacht)
’k Heb naar jouw stem daar door die spleet gesnakt,
En midden in den nacht m’n hoofd gebonsd
Tegen den wand, of je ’t niet hooren wou,
Of je geen oogenblik meer voor me had,
Of je ’t begrijpen zou, dat ìk niet kon!
Maar jij, je hield je stil—jij had...
DROOMELOT... Ik had...
SERO. Je pater en je moeder, den Regent!
Je beetre kost, je bijbel en je zeep!
Je leugens en je liederlijk bedrog!
DROOMELOT. O vadertje, ik zweer je ’t is niet waar!
SERO. Geloof je niet! Wie gaf die sleutels jou?
DROOMELOT. (laat ze vallen): Die vond ik straks...
SERO... Die vond je naast je bed,
Je bed dat beter veeren hebben zal,
En beter peluw dan waarop ik sterf!
Ik heb, toen ik zoo pas hier binnenkwam,
Jouw moeder’s stem in druk gesprek gehoord,
Je deur staat open toch voor iedereen!
Jij ben je moeder’s kind, zooals ’t was
Je zuster die bijtijds in ’t graf gelegd... (zit zwaar hijgend op ’t
bed).
DROOMELOT. Ze hadden me gezegd voor maanden al, Dat jij weer buiten in
de vrijheid was...
SERO. Wie zei jou dat?
DROOMELOT. Die man.
SERO. Dat zei-ie jóú? Waarom? En waarom heb jij ’t geloofd?
DROOMELOT. Omdat—omdat-ie gaf z’n eerewoord.
SERO. Z’n eerewoord—aan jou?... Aan jou z’n eer?... En jij gaf ook je
eere-woord—je eer?... (zakt schor lachend achterover).
DROOMELOT. (bij het bed neerstortend) O, lieve vader, ’k ben en blijf
van jóú!
SERO. (haar woest terug-duwend).
Waar is—waar is dat pak, dat ik aan jou
Dat ik aan jou toen toegeworpen heb,
Dat pak dat voor de kameraden was?...
Terug! Terug! Hoort in jouw handen niet!
DROOMELOT. (losbarstend).
Dat heb ’k niet meer, maar ’k heb ’t zoo geleerd,
Zoo in me opgenomen, vader, dat
Elk van je woorden gloeiend in me leeft!
SERO. Geloof je niet!
DROOMELOT. (hartstochtelijk) Ik draag ze met me mee!
SERO. Geloof je niet!
DROOMELOT. Ik zweer ’t bij—m’n kind.
SERO. Je kind. (staat onbewegelijk rechtop). Je kind. Heb ik dat goed
verstaan?
DROOMELOT. Hij heeft me met geweld, geweld, geweld...
SERO. (staart, glimlacht bij de herhaling van dat woord) Geweld!
(beweegt machteloos de handen) En als jij me beliegt...
DROOMELOT. Ik lieg niet vader—bij mijn kind van háát!
SERO. (nu sterker glimlachend, hurkt op ’t bed).
Zeg op dan wat ik voor m’n makkers sprak!
En aan je stém, je stém zal ’k hooren of,
Of ik kan slapen gaan...
DROOMELOT. (knielt bij hem, kust zijn handen).
Jij heb gezegd...
Jij heb gezegd op ’t allereerste blad... (spreekt, terwijl hij gretig
elk woord met lippen-gemummel herhaalt).
„De aarde ligt wel kostlijk voor ons uit,
„Alsof ze zóó door ons te grijpen is,
„Maar van haar vruchten zijn wij zelf niet rijp
„Nog—en we moeten met een jongen lach,
„Van dat het ochtendlicht naar schemer gaat,
„Het onkruid wieden en gestadig voort
„Aan d’ouwe akkers geven t nieuwe zaad,
„’t Gouden zaad, dat zonnebloesems wekt! (hem vergetend is zij
opgestaan—hij smakt achterover).
„Al boom, die met te woeste hand geschud,
„Werpt groene knoppen in ’t vertreden gras!
„Wij tasten toe eerst met de volle kracht,
„Als onze Macht zoo gaaf en sterk gestut,
„Dat wij het Leven in zijn heerlijkheid,
„Zijn groote, heil’ge onverwoestbaarheid,
„Van al zijn leugens, zijn erbarmlijkheid,
„Voor wat niet leeft, niet leven mòcht—bevrijd!” (kijkt
verheugd-glimlachend om, ziet hem liggen, stort op hem toe).
O, liefste God, wat is ’r vadertje?
Je kijkt me aan en ziet—en ziet me niet!
Je glimlacht, maar je mond die ademt niet!
Slaap je, of ben je—dood?... Toe vadertje,
Toe vadertje, zeg nog een enkel woord! (staat op wijkt achteruit, denkt
na, maakt den ketting met ’t medaljon van haar hals los, legt dien in
zijn handen, kust zijn voorhoofd).
Dan moet ik verder, verder, als ’k beloofd
En jij blijft bij me, waar ik reis en trek,
Want dat heb jij me, vader, óók beloofd... (kust hem nog eens, raapt de
sleutels van den grond, gaat heen).