VIJFDE TOONEEL.

Droomelot, Regina.

REGINA. Dus—is ’t waar?

DROOMELOT. Wat, moederlief?

REGINA. Wat overal, in elke straat ’n ieder zegt—dat jij en hij...

(Droomelot knikt) O, lieve Jezus, ’t is mijn schuld! En ik—ik ben jou

niet tot schrik geweest, tot voorbeeld hoe je ondergaat, als je je

eenmaal geeft...

DROOMELOT. Ik heb me niet gegeven—(hard en trotsch) gééf me niet!

REGINA. En jij en hij?—je knìkte toch!

DROOMELOT. Die man wordt enkel vader van ’n kind, dat ’k leeren zal hoe

men hèm haten moet...

REGINA. Dus... Dus... Jij ook!

DROOMELOT. Ik ook—je hoeft niet bang te zijn, dat ik ook op jou óóit

neer zal zien!

REGINA. Had ’t maar wel gedaan—en wel gekùnd!... Ik ben zoo schand’lijk

slecht...

DROOMELOT. Zoo slecht...? Heb je dan meer—misdaan dan ik?... (Regina

slaat de handen voor het gelaat) Wat heb jij dan misdaan?...

REGINA. Vraagt ’t me niet, m’n kind...

DROOMELOT. ’k Dacht dat je net als ik—gedwongen was geweest.

REGINA. Gedwongen word ik nog. ’r Is geen weg terug.

DROOMELOT. Geen weg terug—dat meen je niet... (op den divan knielend,

achter Regina en de armen om haar heen vouwend).

Dat meen je niet en ’t is niet zoo!

’k Heb over jou, als ’k niet meer schreien kon,

Die nachten, zoo gedacht en zoo je pijn

En zorg geweten, zoo me voorgesteld

Hoe jij gelejen heb, dat ik mezelf

Verweet, dat ik geen dochter voor je was.

Dan nam ik, in ’t donker op mijn bed,

Den kettìng, met ’t groote medaljon

En draaide kreunend zoo de schakels rond,

Of ’k voor je bad en hield een rozenkrans

En jij me in de verte hooren zou!

Jij heb wel schrik’lijk veel verdriet gehad? (Regina tracht Droomelot’s

handen los te maken)

Nee, laat mijn handen om jouw lieven hals.

Ik ben toch ook voor jou ’t kind geweest,

Dat in ’n lichaam angst en vreugde wekt,

En naast je eigen, wilden harte-slag

De zachte echo van ’n tweeden stelt...!

’k Hou nu veel meer van jou! (kust haar).

REGINA. (heftig opstaand) Nee doe dat niet!

DROOMELOT. Dat niet? ’k Omhels jou—en...

REGINA. En ’k wil ’t niet.

DROOMELOT. Weer niet? Weer niet? Dat zei je toen...

REGINA. Toen ook!

DROOMELOT. Waarom?

REGINA. Omdat...

DROOMELOT. Omdat...?

REGINA. Omdat ’k niet wil! (moeilijk).

Omdat wat ’k laat—verkoop aan iedereen,

Niet voor jouw mond en lippen wezen mag!

DROOMELOT. Begrijp ik niet...

REGINA. Hoop dat je ’t nooit zal doen...

DROOMELOT. Je ben van vader weggegaan—waarom?

REGINA. (stug) Dat weet ik niet...

DROOMELOT. Hield jij dan niet van hem?

REGINA. (stug) Dat weet ik niet—herinner ’t me niet meer! ’t Is zoo

lang geleden—en vandaag...

DROOMELOT. Wat dan vandaag?...

REGINA. Vandaag is alles uit... En als ’t uit is, helpt geen spijt,

geen klacht!

DROOMELOT. Je praat in raadsels, moederlief... Je praat...

REGINA... Allicht te veel (met blik op wachter, die even in deuropening

verschijnt)—omdat ’k niet praten mag! Ik kom misschien terug.

DROOMELOT. Dat hoeft niet meer. ’k Ben vrij.

REGINA. Jij vrij?

DROOMELOT. ’r Houdt me niemand hier!

REGINA. (angstig)

Je zegt dat zoo—zoo blij en opgewekt

Omdat je nog niet weet... Ik ben besteld...

DROOMELOT.

Ik weet—weet dat-ie nog gevangen zit,

Wéét dat-ie niet door schùld is los gekocht,

Wéét dat-ie me zoo diep verachten zou,

Als ik door éigen wil gevallen was,

En door zoo’n offer hèm geofferd had...

’k Was voor ’n uur nog tot den dood bereid,

Uit vrees dat hij me ginds ontmoeten zou

En me verwijten, dat ik hem verlost!

Nu is hij even ongerept als ik

Nu trek ik sterk en ongebogen uit

En zet als ’t mag en kan zijn arbeid voort...

En jou laat ’k niet meer los!

REGINA. Ik tel niet mee!

DROOMELOT. Jij blijft bij mij... en ik, ik blijf bij jou!

REGINA. Dan kán niet, kind!

DROOMELOT. ’t Kan!

REGINA. Ik ben melaatsch.

DROOMELOT. Melaatsch!

REGINA. Ik ben gedoemd...

DROOMELOT. Door wie gedoemd?

REGINA. Vraag ’t aan elke vrouw en ied’ren man—maar niet aan mij!

DROOMELOT. Ik vraag ’t aan jou zèlf—zooals mijn eigen kind eens vragen

zal...

REGINA. (worstelend) Ik ben... Ik ben...

DROOMELOT. ...Wat ik geworden ben!

REGINA. Ik was zoo slecht, zoo laag en zoo gemeen

En ook zoo laf, dat ’k haast niet biechten kan.

Ik liet hem in den steek, toen ’t armoe werd,

Armoe met ied’ren dag meer wrok en twist.

’k Was jong, dacht dat ’n ander beter was.

Die ander zette me weer aan den dijk:

Het was z’n recht—hij had ’r voor betááld.

Ik stond op straat, ’r stonden ’r daar meer.

Naar jullie huis dorst ik niet heen te gaan.

Dat durf je niet, je voeten zeggen nee.

En ’k vond dien hongernacht toen weer ’n dak

Bij weer ’n man, die me z’n kussen gaf,

’n Slok jenever en ’n middagmaal.

En ’k stond op straat. En keek de modder aan,

De modder en de mannen, beurt om beurt,

Tot ’k bij die twee geen onderscheid meer zag,

Tot ieder kind me nawees in de stad,

Tot ’k bang was voor de vogels en de zon,

En eerst bij avond langs de wegen ging,

Omdat je dan je eigen schaduw mist.

Eens ben ik ziek geweest, op sterven af,

En heb toen alle heiligen en God

Bezworen dat ’k me beet’ren zou voor goed.

Maar hoe ik worstelde en hoe ik wou,

En hoe ik heb gewroet, gesmeekt, gezocht,

De deuren van de huizen smakten dicht

En ’k stond weer in de modder—in de straat

En ben toen wéér van hand in hand gegaan,

Van man naar man—en heb op ze gespuwd,

En heb gehaat, gehaat, op mijn manier

En als ’k me voelde beu en levenszat,

Dan dee ’k wat ik van anderen geleerd

En dronk. Drank maakt je van de dingen los.

Zoolang je dronken ben, klaag, bid je niet!

En bid je God, vloeken de menschen toch... (Staart met het hoofd in de

handen voor zich uit. Droomelot zelf ontwakend, staat op, neemt met

zacht geweld haar handen weg, kust haar—zij duwt haar op zij).

Laat staan! Laat staan! Je weet niet wat je doet!

Ik ben geen lippen—als van jou—gewend!

DROOMELOT.

Daar móét je dan aan wennen, moederlief

Wij blijven saam (kust haar weer).

REGINA. (lang-aanhoudend snikkend) Je weet niet wat je zegt!

DROOMELOT. (haar de haren streelend)

Wat heb jij, moedertje, ’n leed gekend,

Wat is jouw straf verschrikkelijk geweest,

Wat ben ik blij dat ik je troosten kan

En blij dat ik jouw steun geworden ben

En blij dat vadertje dàt nooit gehoord...

REGINA. Hij ’t nooit gehoord! Hij ’t niet gehoord, ach, ach!

DROOMELOT. Hij zei van af ’t eerste uur, dat ik

’m Vroeg waarom de andre kindren wèl

En ik géén moeder had: je hèb ’r een...

REGINA. (stellig) Dat heeft-ie jou als kind gezegd—als kind...

DROOMELOT (schudt het hoofd).

...Niet waar! Toen ik vertelde hoe ik jou

Dien wintermorgen voor—dat huis gezien,

Dat vreemde huis, met al de blinden neer,

Toen sprak-ie even goed: ze komt terug!

Maar jij je praatte niet van hem—jij zei:

Hou toch vooral je mond als je me ziet...

Ja, ja en zoo ben ik hierheen geraakt...

REGINA. Ik ben ’n beest—’k wou dat ik stierf!

DROOMELOT. En dan? En dan! Heb je je beurt gehad?

REGINA. M’n beurt?

DROOMELOT. Je beurt van òpgang na je ondergang? Je beurt van wraak...

REGINA. (schudt het hoofd) ’t Was m’n eigen schuld! Als ’k niet was

heengegaan, dan zou ik niet...

DROOMELOT. Was ’r ’n weg terug?

REGINA. Die was ’r niet.

DROOMELOT.

Heb jij je vuisten niet gebald, als jij

Weer telkens in de modder kwam te staan?

Wie smeet de deuren dicht?.... Wie wees je na?

Wie heeft je bang voor zon en dag gemaakt?

Was jij dan slechter dan de mannen, die

Te eten gaven jou—en dan opnieuw

Je trapten en je zweepten als slavin?...

Je wóú je modder uit—je kon ’t niet!

Je wóú weer in ’t licht—’t lukte niet!

Je wou ’t zelfde recht van elken man,

Die als-ie in jouw armen was geweest,

Weer vrij-uit, zingend, over straat kon gaan:

Je kreeg ’t niet! Sta op! En help jezelf!

Als jij melaatsch ben, jij, melaatsch, gedoemd,

Dan is ’t ieder, die den steen opnam,

En elke man die met jou heeft verkeerd!

REGINA. Ik word niet meer gered...

DROOMELOT. Je redt jezelf! Jezelf! Jezelf!

REGINA. Daarvoor heb ik geen kracht!

DROOMELOT. Ben ik ’r niet? Heb ik geen kracht voor twéé?

REGINA. Ben jij de droomster en ’t zelfde kind,

Dat bij me kwam? Wat ìs met jou gebeurd?

DROOMELOT. Ik heb van hèm geleerd... (Wachter laat Sero in de cel

terug) En óók geleerd (met bijtenden spot).

Van al de andren, die hier zijn geweest!

En als ik twijfelde en niet begreep,

Dan had ’k een wijs en kost’lijk amulet,

Dat ’k als een troost ook in jouw handen geef! (geeft haar Sero’s

papieren—Wachter schiet toe, rukt ze uit haar hand).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 161 / 167 题