DERDE TOONEEL.

Regent, Droomelot.

DROOMELOT. (heeft de papieren gelezen, bergt die op) O, vadertje, als

je eens wist—als je eens weten kon!

REGENT. (onstuimig binnentredend, werpt mantel en hoed op divan) Daar

ben ik weer—verdoemd, terwijl ’k gister pas gezworen heb, nóóit meer ’n

stap hier in ’t hok te zetten! Daar ben ik weer, voor spot van

soldeniers en wachters! (zij smakt met het hoofd op de tafel) Daar ben

ik weer! Heb je me niet verstaan? Dat is geen houding die jou past, als

ik hier ben! (rukt haar omhoog) Zit recht en kijk me aan!... Heb jij,

heb jij de bloemen die ik zelf voor jou geplukt, daar op den grond

gesmeten? Neem op! Neem op! (houdt haar tegen, bukt, legt haar de

bloemen in den schoot, grijpt geknield haar handen).

Daar ben ik weer: doe met me wat je wil!

Trap me en sla je handen om m’n strot—

Kwel me en laat me kruipen als ’n dier,

Dat nog je nasluipt, als ’t geranseld wordt!

Ik kan niet buiten jou, m’n Droomelot!

Ik hijg in eenzaamheid m’n uren door,

Je hatend en verwenschend eindeloos

En naar je snakkend met zoo’n woesten lust,

Zoo’n rauwen opstand van m’n heele lijf,

Dat ik m’n tanden in m’n lippen zet,

En met m’n vuisten beuk m’n gloeiend hoofd!

Ik zal je niet en nooit meer met geweld

Heendragen naar je bed, als toen dien dag!

’k Wil dat je zèlf je armen om me legt

En zèlf den adem van mijn mond begeert

En zelf met dat waanzinnig ongeduld,

De slinger-slagen telt, om te zien! (kust haar handen).

Zeg nu een woord en staar niet voor je uit! (heftig).

Ik wìl en zàl jouw eersten vrijen kus!

DROOMELOT. (de bloemen zonder hem aan te zien brekend).

Je heb me met geweld hierheen gebracht

En met geweld geleerd wat moeder is

En met geweld gezegd hoe ’k bidden moet

En met geweld gehaald van vader af

En met geweld mijn tranen weggekust

En met geweld me ’t vrees’lijke gedaan (smijt alle bloemen neer).

Maar dàt, dat uit mezelf, dat kàn ik niet!

REGENT. Dat kun je niet!

DROOMELOT. Dat kan ik niet...

REGENT. Ook niet—als—als... als ik je smeek en bid? (zij schudt het

hoofd)... Ook niet als iedre wensch van jou...

DROOMELOT. ’k Heb ’r maar een—hier dood te gaan!

REGENT (haar in de armen nemend).

Kom nu, m’n kleine, kleine Droomelot:

Je weet hoe ik je slaaf geworden ben,

Hoe ik, die honderd vrouwen heb gehad,

Gehad en weer verschopt, hoe ’k van jóú hou,

En hoe je me gelukkig maken kan

Door éven vroolijk kijken en ’n lach!

Is ’r een deur, die hier gesloten blijft?

Ben je niet vrij, ook zonder dat je vraagt?

DROOMELOT. (zich losrukkend). Ik wil niet vrij!

REGENT. Je wil niet vrij? Waarom?

DROOMELOT.

Als ’k buiten kom, dan ken ik maar één stap

Waar ’t water diep is, en geen mensch me ziet,

Waar ’k niet meer denk en tob, en niet meer vrees

Dat ik m’n vadertje ontmoeten zal.

’k Hoop dat-ie sterft, voor iemand ’m dat zegt...

REGENT. Dat kàn ’m niemand zeggen!

DROOMELOT. Iedereen! (divan en kleeden bedoelend).

Waar zooveel wachters dat en dat gezien,

Hoort ’t de heele stad eer ’t avond is

En eer ’t avond is, hoort hij ’t ook! (valt snikkend neer).

REGENT. Hij hoort ’t niet en nóóit!

DROOMELOT. Hij weet ’t al!

REGENT.

En als-ie ’t weet, wat raakt dat mij—en jou!

Druk een keer zèlf je lippen op mijn mond

En wee degeen die dan niet voor je buigt!

DROOMELOT. (in knielende houding, de oogen gesloten) Ik zeg—ik zeg niet

langer nee... Ik zal...

REGENT. Je zult...?

DROOMELOT. Ik zal je kussen op je mond...

REGENT. Uit vrijen wil?

DROOMELOT. Dankbaar—uit vrijen wil—als ’k dan voor goed vrij-uit mag

gaan!

REGENT. Waarheen?

DROOMELOT. Waar ’k nooit meer vadertje ontmoeten kan!

REGENT. Je vader niet—maar mij?

DROOMELOT. Geen sterveling!

REGENT. Verdoemd! Ben jij zoo op den dood verzot, enkel uit angst...

DROOMELOT. Voor zìjn twee oogen—ja!

REGENT. En voor die van je moeder dan?

DROOMELOT. Voor haar? Ik ben geworden wat mijn moeder is.

REGENT. En als-ie nu gestorven was—of weer—neem dat eens aan: opnieuw

gevangen werd...

DROOMELOT. Als hij gestorven was—is-ie dat dan?

REGENT. Hij is nog hier—hij is niet weg geweest!

DROOMELOT. Niet weg geweest?... En jij, je gaf je woord!

REGENT. Dat heb ik ook gegeven in m’n roes! (moeilijk pratend en

lachend, terwijl zij met eene verjonging van het gelaat voor zich heen

staart).

’k Heb dronken wel m’n zaligheid beloofd,

Meer dan ik had en ik belooven kon

Om als m’n dolle kop weer nuchter was,

’t—met verstand—weer andersom te doen!

Maar jij—maar jij!—hield jij je woord dan wel?

Dee ’t je wat, dat jij me had bekeerd

Niet langer je te kussen met geweld?

Dee ’t je wat of ik krankzinnig werd?

Heb ’k niet gekropen en mezelf verlaagd

Heb ik een oogenblik voor jou bestaan?

DROOMELOT. (starend).

Hij is niet weg geweest—en hoort ’t nooit....

REGENT. (sleutels op divan smijtend).

Nu lieg ik niet en laat ik je de keus

En speel niet met den tijd, eer ’t me berouwt!

Daar zijn de sleutels om hier uit te gaan,

Voor hem èn jou, of voor jou heel alleen,

Of als-ie wil, voor hèm, terwijl jij blijft,

Als jij je volle ziel me overgeeft,

En met den geur van bei je lippen zegt,

Dat ìk de koning van je droomen ben,

Dat jij me toebehoort met al den lust,

Die de verkwikking is van jonge min!

Ik zweer...

DROOMELOT. Dat heb je gister pas gedaan!

REGENT. Ik steek m’n vingers op...

DROOMELOT. ’k Geloof je niet!

REGENT. Ik laat de sleutels hier...

DROOMELOT. En neemt ze weer terug! Zooals je op je woord getrapt!

REGENT. (heft z’n vuist, wijkt bij haar oogen, werpt de deur open). Ik

wacht.

DROOMELOT. (voor zich uit glimlachend).

Voor ik m’n beste zelf jou geef

En ongedwongen jóú tot liefste neem,

En jou vertel het diep en teer geheim,

Dat me in wreede nachten heeft ontrust,

Vraag ’k zekerheid, dat ’k gaan kan ongestoord...

REGENT. Gaan naar den dood?

DROOMELOT. Nee! Naar ’t leven heen!

REGENT. En als je me bedriegt?

DROOMELOT. ’k Bedrieg je niet!

REGENT. Ik zekerheid—maar jij geen onderpand!

DROOMELOT. ’r Is ’r een...

REGENT. Wat dan?

DROOMELOT. Wat dan?... Ons—kind.

REGENT. Ons kind! (grijpt haar onstuimig in de armen). Ons kind—en jij

je weigert nog.

DROOMELOT (haar gelaat hijgend afwendend). Ik heb ’t niet gewild—heb ’t

verwenscht...

REGENT (lachend voor zich uit starend, holt de gang in, wenkt wachter).

Kom hier! En zeg aan al je kameraads,

Aan alle wachters en aan iedereen,

Dat zij de vrijheid heeft om heen te gaan,

Heen waar ze wenscht en waar ’t ’r behaagt

En dat ’n klacht van haar een vonnis wordt!

(Wachter tikt aan, verwijdert zich)

Dat is mijn kind! (grijpt haar handen).

DROOMELOT (trotsch). Nee, nee—’t is van mij!

REGENT. Ik zorg ’r voor—ik voed ’t op!

DROOMELOT (de handen terugtrekkend). Nee ik.

REGENT.

Ik! Jij!—Jij! Ik!—Dat komt op ’t zelfde neer!

Krijg ’k nu wat ’k heb gevraagd die maanden lang?

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 159 / 167 题