Droomelot, 2de Wachter, Sero.
2de WACHTER. (ontsluit Droomelot’s cel, laat haar binnen. Zij neemt
haar masker af, geeft dat den Wachter, die haar onder de kin strijkt.
Zij wijkt verschrikt achteruit) Hahaha! Doe niet zoo preutsch, jij leep
en listig ding! ’k Draag niet m’n oogen in m’n zak en ’k heb twee ooren
als trompetten! Ja, kijk maar lekker rond—’t wordt hier ’n fijne keet!
DROOMELOT. Wie heeft dat alles hier gebracht?
2de WACHTER. Wie?—Ik en m’n maats!
DROOMELOT. Wanneer?
2de WACHTER. Terwijl je werd gelucht! Hahaha, de heele wacht is
uitgeloopen, en heeft zich voor jouw deur ’n uitgezakte breuk gelachen!
Jij ben ’n bliksems-gladde, kleine helleveeg. Je moeder kan ’n puntje
an jou zuigen! En as je éven handig blijft, en ’m zoo zacht an ’t
lijntje houdt, ’m snoepen laat met mondjesmaat, en of je ’r tièn zoo
aan je vingers heb, ’m onverschillig op z’n koppie krauwt—dan lijm je
’m vast nog jaren lang en wat jij wil, krijg jij gedaan! Tik voor je
aan, met veel respect! En as je je bij hèm verveelt, in plaats van
elken dag kandij, ’ns watertandt naar mager spek: dan heb je maar ’n
kik te geven! Met veel respect! Hahaha! (treedt nog lachend bij Sero
binnen; nijdig) Raap op dat brood! Al smijt je ’r mee: je krijgt geen
ander! (Sero bukt zich, legt het op het bed. Wachter rukt stoel weg,
zet dien buiten, keert terug, sluit het raam. Droomelot heeft de
bloemen opgenomen, laat die vallen, zet zich op haar stoel.)
SERO. Móét ’t al dicht? Màg ’t niet langer open?
2de WACHTER. Je kan je zelf wel antwoord geven!
SERO. ’t Is toch ’n kleinen dienst dien ik je vraag!
2de WACHTER. Als ik je luchten wóú, heb je ’t verdomd! Je was te slap,
niewaar?, te ziek, niewaar?, om naar de plaats te loopen! Hier geef ìk
jou geen lucht, nog niet voor tien doktoren! ’k Vertrouw je net van
hier tot daar! Jij ben in staat, of anders zijn ’t je vrinden om bij
zoo’n open raam... Ha-ha-ha, heb ik je door?
SERO. (moeilijk) Mag ik vandaag?
2de WACHTER. Nou, wat? Leg niet te pruimen op je woorden!
SERO. Mag ’k vandaag—mee naar de plaats! Ik wou voor ’t laatst de zon
nog zien.
2de WACHTER. Wel, wel—nou zoo ineens? De tijd van luchten is
voorbij—moet je tot morgen wachten!
SERO. (spottend) Ik heb misschien geen morgen meer.
2de WACHTER. Daar làcht-ie om, ’t stuk ongeluk! Dàt wil de zon nog
zien! De zon, die draait ’r kooi niet in, as jij geen afscheid neemt!
Vooruit dan maar! ’k Ben gek gedorie da’k ’t doe! (laat sleutelbos
vallen)... Raap op! (Sero geeft hem de sleutels) Ha-ha, heb ik je goed
gedrild? Komt ’t ontzag ’r langzaam in? Als ik jouw vader was
geweest...
SERO. Was jij voorzeker in je bèd gestorven!
2de WACHTER. (’t masker gevend) Pak an! Zet op! Geen kletspraat
onderweg, geen teekens, geen gefluit!
SERO. Dat masker ruikt naar karneval!
2de WACHTER. Ha-ha-ha! (’t ook beruikend). Dat is ’t luch-ie van de
harem, hier dichtebij! Naastan wascht een ’r snuit met beter zeep dan
jij, omdat ze met Zijn Excellentie trekkebekt! (Sero rukt ’t masker af)
Zet op! Wat suf je nou? Vooruit! Je hoeft niet vies van ’r te wezen! As
jij as teef geboren was, liep ook de duurste reu je na! Zóó as ’t
voorjaar is, is iedre hond-van-ras z’n moer en stand vergeten en rent
in d’achterbuurt met ’t smerigst mormel mee!... (Sero laat ’t masker
vallen) Wat mier jij nou? Vooruit! Zet op!... En as je onderweg ’n
flauwte krijgt—ik ken je foefies, ouwe smakker!—giet ik ’n emmer langs
je leeg! (duwt hem voort).