ARTS. En jij? En jij? Nog altijd duizlig en eens af en toe ’n flauwte?
(Sero knikt glimlachend) Ja, ja, dat is ’t hart, ’t hart. Je hart dat
is vergroot, te groot; daar zijn geen kruiden voor gewassen! (tot
wachter met stoet) Ik dank je wel! (Wachter bij deur) Je moet geen
vrachten tillen en geen trappen loopen en naar—omstandigheden je
ontzien!
SERO. (spottend) Geen koffie en geen sterke drank?
ARTS. Nee, nee. Je tong!
SERO. Geen lange wandeltochten, geen tabak?
ARTS. Nee, nee. Je tong!
SERO. Niet dansen en geen zwaar verkeer met vrouwen?
ARTS. (afwezig) Nee! nee! (plots vinnig) Nee, Nee! Hoe heb ik ’t met
jou? Zit jij me voor de mal te houen? (Sero steekt z’n tong uit, schudt
’t hoofd).
2de WACHTER. Als u me noodig heeft, meneer de dokter!
ARTS. (wenkt hem heen te gaan. Wachter achter deuropening op en neer)
Gezien! Gezien! Je pols... Heb je vannacht geslapen? ... Nu!
SERO. ’k Lei op den grond en had geen fut meer in m’n bed te kruipen...
’t Is mal, ’t is zot, hoe je dan tobben kan en in ’t donker dingen
zwarter dènkt dan ze bestaan...
ARTS. (hem wenkend te zwijgen) Ja, ja! Hoe werkt je maag?
SERO. Heeft in de laatste dagen wat geluierd—en ’k heb geen beitel om
m’n brood voor ’t heilig avondmaal te brokken! (laat het brood dat hij
met de vrije hand opgenomen heeft op den grond vallen) Ik wou... Ik
wou... (strijkt zich moeilijk langs ’t voorhoofd) Vreemd, dat je ziel
zoo in en uit je lichaam gaat... (zakt achterover).
ARTS. (zich over hem buigend) Dat schijnt nog niet de láátste keer...
(tot wachter) Hé, jij—maak jij dat raam ’ns open!
2de WACHTER. Ja, als ’t móét—maar doen mag ik ’t niet!
ARTS. Als ik ’t zeg, dan is ’t noodig! Hij ligt in onmacht—vlug wat
buitenlucht!
2de Wachter. (met ’n sleutel het kastje van de lijn openend en het
tuimelraam vierend) Nou, as ’t lee an mijn, dan bleef-ie waar-ie leit!
De dokter heeft geen flauw benul, wat judas of die kerel is! Niet één
dief, niet één moordenaar, in ’t heele huis, zit zoo vol vuile praat en
vuile streken as deze gladde boef. An dat gaat niemendal verloren!
Gift, haat en ongeloof!
ARTS. Ja, ja,—maar ’t is ’n mensch, al deugt-ie niet, en zieke harten
geven zieke hersnen... Als-ie familie heeft en de Regent ’t wil, dan
moet gewaarschuwd worden. De veer van ’t werk is stuk.
2de WACHTER. ’t Werd tijd! (kinderstemmen buiten).
ARTS. Is ’r ’n vrouw?
2de Wachter. ’n Hoer.
ARTS. ’n Kind?
2de WACHTER. ’n Jong, hiernaast! Wordt door Zijn Excellentie
achterna-geloopen! Ik knijp ’n oogie dicht...
ARTS.. (de kinderstemmen bedoelend) Is dat de straat?
2de WACHTER. Nee, dokter, dat ’s ’t plein—en wat u hoort... (Sero zit
langzaam-tastend op).
ARTS. (wenkt Wachter heen te gaan) Wel, was ’t weer even mis?
SERO. (luistert hijgend naar de geluiden, zakt van het bed op de
knieën, snikt ’t steunend uit).
ARTS. Kom nu—dat’s niet zoo goed voor je, je op te winden!
SERO. (hem met armgebaar afwerend) Doe dan dat raam weer dicht!
ARTS. Dat raam weer dicht? ’t Is voor je bestwil nummer zooveel!
SERO. Doe dicht dat raam—ik heb ’t koud!
ARTS. Je heb ’t koud? Stop jij daarvoor je vingers in je ooren? ’t Is
buiten heerlijk warm!... Kom, kom, wees man! Wil je je vrouw nog zien?
(Sero schudt woest het hoofd) Je dochter dan? (Sero staart naar ijzeren
val, schudt het hoofd) Nee? Heb ’k goed begrepen?
SERO. (naar den val starend) ... Ik wil ’r zien, als ze geen tafel
heeft...
ARTS. Geen tafel... Wat zegt je nu...?
SERO. (moeilijk opstaand)... Ik had ’r geen—en aan de schuif is nog
geen hand geweest—geen wachtershand—en niet de hare... ’k Heb meer dan
zestig dagen, uur aan uur, en nacht aan nacht... Ben jij hiernaast
geweest? Hééft ze ’n tafel en ’n stoel? Dat kan ’k dien man niet
vragen, die me trapt en slaat op hoog bevel, en me op hoog bevel m’n
krachten heeft genomen, omdat ’n galg zoo-zeer de aandacht trekt van
raven en van menschen...!
ARTS. Bedaar nu, nummer-zooveel—of je heb ’r zelf aan schuld... En
praat gezonde taal...
SERO. (den stoel nemend en pogend er bij de schouw op te klimmen) Nee,
nee, dat kan de akrobaat niet meer! En ’t hoeft ook niet. Want aan de
schuif is niet getimmerd, niet geschroefd... En zij heeft jonge
beenen... (zit gebroken neer).
ARTS. Ik zal je laten brengen naar de ziekenzaal.
SERO. Dat is te laat—(naar omhoog kijkend) en wie weet nog te vroeg. Ik
wil hiér in m’n eentje sterven.
ARTS. Dat zeg je me bij elk bezoek, maar hier is toch geen plaats...
(omzichtig) Je vrouw en dochter kunnen bij je komen.
SERO. (de hand op ’t hart) Ik heb geen vrouw—en als ze heeft ’n tafel
met vier pooten, geen dochter meer!
ARTS. (goedig-sussend) Ja, ja, ja, ja! Dat meen je nu, en straks heb je
weer andre, dwazer kuren! (naar deur, keert terug) Wil je soms
schrijven voor je laatsten wil? Ik vraag dat, waar jij zèlf zoo telkens
weer van sterven spreekt!
SERO. M’n laatste wil... (diep ademend) Hè, ’k ben den ballast kwijt—ik
word weer mensch, nou dat te groote hart zich uitzet als ’n spons in ’t
water! M’n laatste wil, hahaha! Hoe ben ’k met zoo’n groot hart zoo
klein geweest daarnet te grienen! ’k Vermaak—dat kan ook zonder
testament—en vrij van zegel, registratie!—vermaak m’n geest en ziel aan
wie ’r bod op doet, rabbijnen zelfs, pastoors en wie den geldzak
kust!—vermaak m’n lichaam, huid en haar, ’t vet en ’t vleesch, aan
jonge maatjes in jouw vak van wetenschap, die uit geen béter kringen
krijgen ’t materiaal, om voor te snijden op de sectietafel... Vermaak!
Vermaak! In ’t leven is de zotheid baas!...
ARTS. De zotheid, zeg dat wel, vooral jouw zotteklap! Men maakt geen
grappen, als men kan vermoeden...
SERO. ...Dat binnenkort ’t zeldzaam-groote hart ligt in ’n glazen huis
met spiritus en met ’n varkensblaze-dak!
ARTS. ’t Is wel. Ik zwijg (bij de deur) ’k Zal je den priester sturen.
SERO. Waarom? Waartoe? Ik wil en geef geen absolutie! (De arts gaat
schouder-ophalend af. Buiten wordt het spelend rumoer der kinderen
sterker. Met de handen op den rug gevouwen, staart Sero eerst naar den
schoorsteenval, vervolgens zonder te bewegen naar de richting van het
geluid.)
’k Zou willen weten wat uit jullie groeit:
Ik ga en jullie komen pas den weg
Geloopen die zoo wonderschoon kon zijn,
Als niet de modder hing aan elken stap,
En elke nieuwe, jonge, vrije jeugd,
Weer in de óúwe leugens werd verstikt!
’k Zou willen weten of de lente, die
Uit jullie kleine kinderstemmen spreekt,
’n Zomer wordt die bloeiend opengaat
En aan de landen eindloos stuifmeel geeft!
’k Zou willen weten of de rijke vrucht,
Die van geen mensch en toch van iéder is,
Door jullie éénsgezind gegrepen wordt
En zóó gesteld dat nooit meer ruwe klauw
’t Kost’lijk aardgeschenk vernielen kan... (De gevangene boven klopt)
Dat zien wij twee, jij dief en moordenaar,
En ik, dìe langs de wegen ben gegaan,
Om zonder aarz’len mensche-plicht te doen—
Dat zien wij twee niet meer—maar zij—misschien...
(zet zich op stoel, sorteert).