PATER. Van den Kwadè! (het geklop stopt)

DROOMELOT. En van den kwade. Amen! (bij het slot is Sero, al dien tijd

door den wachter, die voor de geopende deur heen-en-weer wandelde, in

bedwang gehouden, op de tafel gewipt, nu de wachter de deur sluit.)

PATER. Amen! En nu de katechismus, kind. Waar is ’t boek, dat ik heb

meegebracht?

DROOMELOT. Ligt op m’n bed.

PATER. Haal ’t hier—en leg dien ketting af—dien ketting met die

vrouwspersoon! Dat is je zesmaal al gezeid!

DROOMELOT. (aarzelend den ketting loshakend) ’t Is... ’t Is...

PATER. ’t Is ’n lichtekooi—en lichtekooien zijn verdoemd!

DROOMELOT. (af in slaapstee, keert met katechismus en zonder ketting

terug) Wat is ’n lichtekooi, Eerwaarde?

PATER. ’n Lichtekooi—’n lichtekooi—dat is ’n vrouw, die zóó gezondigd

heeft, zoo diep gezondigd, dat hel en vagevuur ’r wachten...

DROOMELOT. Gezondigd, hoe?

PATER. Hoe! Hoe! Met vleeschelijk begeeren! Wat zegt ’t zesde der

Geboden?

DROOMELOT. Eert uwen vader en uw moeder, opdat gij lang moogt leven...

SERO. (zacht) Mis! Mìs! Dat is ’t vierde...

PATER. (staat driftig op). Daar zou zelfs Job, toen hij melaatsch werd

en zijn wonden op den mesthoop met een potscherf krabde, van ongeduld

bij zieden! Zijn dan de tien geboden niet in je hoofd te stampen?... ’t

Zesde is: gij zult geen overspel bedrijven! En overspel is ’t werk van

alle lichtekooien—niet ’t werk, maar ’t te lui zijn, om te werken—want

wie wil werken wordt geen lichtekooi!... Sla op je boek! Zul jij nooit

wakker worden? Ik kan m’n tijd met jou niet heelemaal verdoen!

DROOMELOT. (bladerend) Wanneer m’n moeder is ’n—lichtekooi—en ze voor

eeuwig is verdoemd—hoe moet ’t dan, Eerwaarde, met dat andere gebod,

dat ik verkeerd genummerd heb, en dat zoo stellig zegt: eert uwen vader

en uw moeder, opdat gij lang moogt leven... Ik wil graag heel lang

leven...

PATER. Jóúw vader en jóúw moeder hèb je niet te eeren!... Eer kerk en

overheid!

DROOMELOT. Waarom m’n lieven vader niet?

SERO. Heel juist! Héél juist!

PATER. Omdat, omdat... Dat kun je op je vingers tellen. Omdat...

Omdat...

SERO. (z’n vingers spreidend) Ik sta al klaar.

PATER. Omdat jouw vader kent geen God (Sero telt achtereenvolgens z’n

vingers af)—omdat-ie niet den Sabbath heiligt—omdat-ie in den grond,

als vijand van de Kerk en van den Staat, roof, moord en diefstal

predikt, waar-ie kan!—omdat-ie valsch getuigt van óns, zijn meerderen

en naasten—omdat-ie andren leert ’t schaamteloos begeeren van huis en

land en os en ezel!

SERO. Nee, nee, we willen minder ossen, minder ezels, ha-ha-ha!

PATER. Heb jij dat ook gehoord? Dat lachen, boven of hier-naast?

DROOMELOT. (angstig) Nee, nee.

PATER. Sla op je boek! En als je ooit gelijkt je moeder, waar je ’t

voorbeeld heb van Jozef in ’t huis van Putiphar, van Judith die den

wreeden Holofernis doodde, van Susanna, de vrouw van Joakim, die—die

wàt?—die wàt?—laat je mij alles zeggen?

DROOMELOT. M’n vader heeft me nooit daarvan verteld!

PATER. Jouw vader moest gehangen worden!

SERO. Gehangen ook? Dat wordt ’n erfelijke ziekte—’k ben zwaar belast!

(luistert verschrikt naar geluid op de gang, wipt van den bijbel,

hervat het sorteeren)

DROOMELOT. (Is schreiend bij de tafel gaan zitten) Moet hij—moet hij

gehangen worden? Is-ie zóó slecht?

PATER. Of-ie zoo slecht is? Nog tienmaal slechter en doortrapter dan je

moeder! ’t Zijn allebei, maar hij ’t willigst en ’t gehoorzaamst:

slaven des Duivels, die op den oordeelsdag, wanneer de Heer verschijnt,

om levenden en dooden saam te richten, in eeuw’ge straffen zullen

ondergaan. En jij? Denk aan ’t uur, als heel de wereld in vuur en

vlammen zal verdwijnen!

DROOMELOT. (angstig) In vuur en vlammen?

PATER. Ook jij ben in de macht des Duivels, van Beëlzebub!

DROOMELOT. ’k Heb zooveel nachten niet geslapen uit angst voor wat u me

gezegd—van God en Dood—en van den Satan—en wat Hier-namaals komt...

PATER. Dat is je slecht geweten!

DROOMELOT. Wie is dan God—en wáár is-ie, Eerwaarde?

PATER. Dat leer ik je, als je in òns gelooft! Sla op je boek... De

zesde les was van...

DROOMELOT. De zonde die men erft...

PATER. Heel goed! Heb je de zevende geleerd? (zij knikt). Wanneer,

wanneer kwam de Verlosser? (Sero is, na door ’t deurgat gekeken te

hebben, wederom op de tafel gesprongen).

DROOMELOT. Dat weet ik niet...

PATER. Weet je dat niet! Weet je dat niet? Lees op en weet ’t morgen

wel!

DROOMELOT. „Omstreeks vier duizend jaar na Adam’s zonde is hij

gekomen”...

PATER. Wie?

DROOMELOT. Onze Verlosser...

PATER. (legt de hand op ’t boek, om haar het lezen te beletten). Kon

dan de mensch zichzelven niet verlossen?

DROOMELOT. (aarzelend)... Vader zegt ja...

PATER. Domine ne statuas illis hoc peccatum! Reken hun deze zonden niet

toe! (heftig). Ik vraag niet wat ’n loochenaar van God, die van geen

zieleheil wil weten, jou in z’n domheid zegt! (stapt driftig naar de

deur, beklopt die) En als je morgen weer te droomen en te slapen zit,

draag ik je voor voor straf! (heftiger) Al moet ’t met geweld, geweld:

je zult je buigen voor de heil’ge leer, want buiten ons is ’r geen

zaligheid!

2de WACHTER. Heeft u geklopt, eerwaarde pater?

PATER. (verwoed op en neer loopend—tot Wachter) Dat heb ik, ja! Zij

blijft den heelen dag den katechismus leeren!

2de WACHTER. En ’t half uur loopen op de plaats? ’t Is juist ’r tijd

van luchten!

PATER. Ze leert den katechismus, zònder frissche lucht! En jij, jij let

’r op! (glijdt uit) Wat is dat op den grond? Dat scheelt geen haar!

Moet ik m’n hals hier breken!

2de WACHTER. (bukkend) ’n Erwt? ’n Erwt! En daar nog een! En daar...

Hoe kan?... Wie heeft?...

PATER. Naar drie en veertig! Links of rechts?

2de WACHTER. Boven, Eerwaarde—deze zij—’k loop met u mee.

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 151 / 167 题