Droomelot, Sero.
SERO. Ziezoo! Pischt! Pischt! De muizen piepen als de poes aan ’t
wand’len is! Pischt! Pischt! De baan is vrij van wakken en van
scheuren! Hoor je me niet? Ha-ha-ha, de dochter leest den katechismus
en de vader groene erwten... M’n kind, wat zit je stil!
DROOMELOT. Waarom heb je me niets geleerd van dat?
SERO. Van wàt, m’n kind?
DROOMELOT. Van ’t uur als heel de wereld in vuur en vlammen zal
vergaan, als op den oordeelsdag de Heer verschijnt...?
SERO. De oordeelsdag—de dag des oordeels, kind—gesteld hij kwam!—kan
geen van óns, die eeuwen lasten droegen, den last van ’t juk
bezwaren—en als ’n Heer verschijnt—gesteld hij kwam!—dan zullen
duizenden dien oordeelsdag hem zonder deemoed vragen... waarom zoo
laat, waarom eerst nu: ’r is zooveel, zoo schand’lijk veel gebeurd!
DROOMELOT. ’k Ben bang geworden hier, m’n vadertje! ’k Was vroeger zoo
gelukkig in ’t huisje bij ’t bosch—en nou—en nou... (hartstochtelijk)
Wat is ’r, vader, nà den dood! Is ’r ’n straf, ’n hel?
SERO. Nièt nà den dood, m’n kind!
DROOMELOT. Wat is de dood dan, vadertje?
SERO. M’n Droomelot, m’n liefste, liefste dochter—’r is geen dood...
DROOMELOT. Geen dood?
SERO. Dat heb je zelf gezien bij ’t grafje van je zuster, waar de
dood—dien jij nu als iets vrééslijks voelt—levende bloemen, varens,
mossen, zwammen en dat altijd knikkend parelgras—herinner je!—bij ’t
hoofd- en bij ’t voeteneinde plantte! Je zei me toen: „Hoe komen die ’r
op? ’t Was voor’n maand nog alles zwart en onbegroeid!”.. Ik
zei—herinner je!—dat heeft de blijde dood gedaan. De dood brengt
leven—en ’t leven lijkt weer dood te gaan, zoo maat’loos om en om, in
zooveel vormen en gestalten, dat niemand weet en niemand weten kan, wat
dood, wat levend is, en wat verschrikken mag. Als ik eens sterf—daar
hoef je niet zoo smartlijk bij te kijken: zou ’t leven dieper, schooner
zijn, als er géén grens bestond, geen ruimte voor vernieuwing?—als ik
eens ga (men gaat niet heen!)—en in de aarde rust (er rust daar
nièts!)—dan keer ik weer, m’n kind, in ’t groen van struiken en in ’t
koele water, in voorjaarsgeur die van de landen adem is—en als dan ’s
nachts een vogel roept of blaren suizen, de kleuters in ’t nest de
jonge veeren pluizen—of in ’n eenzaam uur de regen zucht en slaat,
’lijk in ’t stille donker iemand fluistrend praat—dan zie jij mij—en ik
zie jou en iedereen, omdat de dood niet denkbaar en niet móóglijk is—’t
leven wel!
DROOMELOT. Ik zou zoo graag in God gelooven!
SERO. Ik óók, m’n kind.
DROOMELOT. (dringend en klein-angstig) Hoe moet ik dan?
SERO. Doe zelf ’n keus—ik dwing je nièt!
DROOMELOT. Hij zegt: jij kent geen God!
SERO. Kent hij ’m wel—heeft hij ’m óóit gekend?
DROOMELOT. (dringender) Als onze Lieve Heer ’n teeken gaf...
SERO. (triestig) ...Zooals in ouwe tijden...
DROOMELOT. (gretig) Zooals in ouwe tijden, ja!
SERO. Als-ie dat dee—gesteld dat-ie ’t eens gedaan!—zou ’t niet
ellendig en wanhopig wezen? Zijn we niet dom en slaafsch genoeg, ook
zonder hemelteekens?
DROOMELOT. (moeilijk) Ik durf alléén niet denken vader!
SERO. Dat moet je toch!
DROOMELOT. (uitbarstend) Is ’r—ìs ’r ’n God? (hij schudt ontkennend het
hoofd) Je antwoordt niet! Ziet onze Lieve Heer ons niet?
SERO. Dat heb je driemaal in je leven me gevraagd.
DROOMELOT. Nee, nee, vandaag voor ’t eerst!
SERO. De éérste maal was je ’n kind en schrikte bij ’n visscher, die ’n
wurm reeg aan ’n angel, zooals ook Petrus deed—herinner je!—de dobber
dook—’n baars zat aan de lijn en stuipte met z’n kieuwen in ’t gras.
Die had den angel door z’n eene oog—en om den haak weer vrij te maken,
voor nieuwe wurmen, nieuwe baarzen...
DROOMELOT. (trillend) Trok-ie ’t oog ’r uit...
SERO. Jij bleef toen uren, uren stil, en vroeg: ziet...
DROOMELOT... Onze Lieve Heer dat niet?
SERO. De tweede maal—dat’s niet zoo lang geleen—was ’r ’n vrouw, die
met vier kinders zich voor goed te slapen lei bij ’n gebedenboek,
papieren van de bank-van-leening en bij ’n heeten, heeten pot—met doove
kolen... Een van de kleuterkleine lijkjes droeg jij in je armen naar de
straat. Je huilde en je vroeg: ziet...
DROOMELOT... Onze Lieve Heer dat niet?
SERO. Nee, nee, m’n kind—hij ziet het niet! Ik ken geen God, geen God
zooals die man jou straks wou leeren...
DROOMELOT. (starend) Jij kent geen oordeelsdag, geen dood, geen God...
Maar in den katechismus staat...
SERO. Staat vraag aan antwoord vàst-gekoppeld!
DROOMELOT. O vadertje—de stem van God...
SERO... Dat is een mensche-stem uit vróéger eeuwen! ’r Is vandaag geen
God—’r was ’r geen!
DROOMELOT. O vadertje—O schimp zoo niet!
SERO. Wie schimpt, m’n kind? Schimp ik, die zeg:... wil je een godheid
ééren—ontken hem dan, omdat hij anders één wordt met het vuil, de
leugen en ’t bedrog, ’t onrecht en de schand’, waarin wij leven! Schimp
ik, m’n kind, die van geen God wil weten, ’n God, die aarde, water,
vrucht en dier (met zooveel zorg en scheppingsvreugd gewrocht!) aan
ènklen laat en alle andren voor de ploegen spant! Schimp ik, die in ’n
mensch geen eeuwig lastdier zie—of schimpen zìj, die met den blinden
roep: „’r ìs ’n God!” dien God met wat op aard’ òn-godlijk en
òn-zeedlijk en verfoeilijk werk van mènschen is—vereenen...? Zeg je
vandaag: ’r is ’r een, dan stuit dat af op je verstand en je
geweten—dan heet hij goed wat wij terecht verdoemen—en wat wij haten,
heeft hij lief... Doe zelf je keus... Ik dreig je niet!
DROOMELOT. ’r Wàs ’r geen—’r is ’r geen... Maar morgen, overmorgen,
later, vader...
SERO. (starend-glimlachend) Wie weet?... Wie weet wat weer ontstaat uit
dankbare verbeelding! ’t Eene sprookje rijpt, ’t andre gaat... Wie weet
wat jij weer weten zal en komenden na jou! Wie weet wat heiligs groeien
kan, als iéder tijd krijgt om te denken en iéder tijd de wonderen te
zien? Wie leeft? Wie heeft geleefd? Wie leeft zich uit in droomen,
weet-begeerten? Wie, wie, m’n kind?
DROOMELOT. Dat weet ’k niet...
SERO. Ha-ha-ha, dat angstige gezichtje! De pater heeft gelijk: jij zal
nooit wakker worden! „Ik draag je voor voor straf!” En ook van mij
krijg je te leeren! Ha-ha-ha! Stil!... Stil!... Ik hoor twee zolen en
twee hakken bij de trap! (werpt pakje door spleet) Pak aan! En pas ’r
op! Als ik hier blijf...
DROOMELOT. Je blijft hier niet!
SERO. Stil! Stil! Dan geef je dat aan onze vrienden! En als de
katechismus je verveelt, leer dan mijn kraam, mijn rijmsel en mijn
afscheidsgroet van buiten! Dan wordt ’t niet gevonden en jij draagt ’t
mee! (hij springt van de tafel, sorteert—zij raapt het pakje op).