Droomelot, Sero, Pater, 2de Wachter.
PATER (wordt door wachter binnengelaten). Liep je te praten met jezelf,
m’n kind?
DROOMELOT. Jawel, meneer...
PATER. Ik ben geen heer!
2de WACHTER. Dat weet jij toch!
DROOMELOT. Jawel—Eerwaarde...
2de WACHTER. As je ’t dan weet, wat zeg je dan voor stommiteiten! Geef
an den stoel—den stoel. En doe dat uit je eigen!—Eerwaarde heeft maar
op de deur te kloppen: ik hou hier dienst op deze gang! (neemt lamp
mee, sluit deur).
PATER (voor stoel dankend). Ik dank je wel, en ga ’r zelf op zitten. Ik
loop ’n eindje op en neer. Heb je vandaag gebeden?
DROOMELOT. Nog niet—ik heb geen tijd gehad.
PATER. Geen tijd? Geen tijd?.... Voor bidden nog geen tijd? Dan doe je
’t nu—en zoo dat ik ’t hoor! Of ben je ’t Onze-Vader wéér vergeten?
Vouw je handen en wat snel! (De wachter treedt bij Sero binnen, bekijkt
de tobbe, loopt stug heen en weer).
DROOMELOT... Onze Vader, die in de heemlen zijt...
PATER. Waar zoek jij nu dien hemel? Is die daar (gebaar naar grond) of
daar? (gebaar omhoog). Moet ik jou alles leeren?
DROOMELOT. Mijn vader zegt, dat aan den andren kant van d’aarde, die
rond moet zijn, de grootste hemel is...
PATER. Jouw vader is een gek en weet van God en hemel niemendal! Je
kijkt dáárheen als ieder mensch met goeie hersens... Vooruit!
DROOMELOT... Die in de heemlen zijt—geheiligd zij uw naam. Laat
toekomen uw Rijk! Uw wil geschiede in den hemel... (stokt).
PATER. (haar helpend). En op aarde!
DROOMELOT. En op aarde... En geef ons heden ’t daaglijksch brood....
PATER. Wat lach je nu! Men lacht niet als men bidt!
DROOMELOT. Ik lach, omdat hiér onze Vader ’t daaglijksch brood vanzelve
schenkt—en buiten, thuis, is ’t wel ’ns weggebleven...
PATER. Je mag niet lachen en niet babb’len en vooral niet denken, als
je bidt!... Vooruit!
DROOMELOT. En geef ons—geef ons heden ’t daaglijksch brood... (staart
droomend voor zich uit).
PATER. Nu! Nu!
DROOMELOT. Ik dacht...
PATER. ’k Zeg je nog eens—en nu voor ’t laatst—men denkt niet met
gevouwen handen!
DROOMELOT. ’k Heb eens ’n brood zien stelen, pater—en die man...
PATER. Die man, dat was ’n dief!... ’t Onze-Vader! En geen verder
praten!
DROOMELOT. En geef ons heden ’t daaglijksch brood! En vergeef ons
(stokt luisterend bij geklop boven)—en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij—gelijk ook wij vergeven... Dat is ’n moordenaar... Wat
moet ’t vreeslijk zijn, Eerwaarde... (hij beklapt ongeduldig de
tafel)... Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren... Amen!
PATER. Nee, nog niet amen! Hoe is ’t slot? En leidt... En leidt...
DROOMELOT. En leidt ons niet in de verzoeking...
PATER. (haar helpend) Maar verlos ons...
DROOMELOT. Maar verlos ons van de kwade menschen...