SERO. Ha-ha-ha! Voor dieven soms? Hier wordt niet ingebroken... Ze
breken uit—als ’t kan.
DROOMELOT (angstig starend bij ’t kloppen boven) Hoor je dat tikken,
dat wel midden in den nacht!...
SERO. Ja, ja—dat is ’n moordenaar..
DROOMELOT. ’n Moordenaar! ’n Moordenaar!
SERO. Is dat zoo schrikkelijk? Heb ik je niet geleerd, dat iedre
moordenaar ’n mènsch is, die met zieke oogen ziet? M’n Droomelot, m’n
kind, m’n liefste dochter, kom tot jezelf! ’r Zijn geen spoken hier en
niet hierbuiten en nergens op de wereld, waar dan ook!...
DROOMELOT. Ik heb geen uur geslapen...
SERO. Waarom, waarom dan, niet?
DROOMELOT. Ik dacht aan jou—hoe door mijn schuld—mijn liegen dat ’k
maar ééns bij moeder was...
SERO. Jij ben de schuld van niets... Van niets, m’n kind... Als je
daarom geen zeven nachten heb geslapen, doe dan vannacht gerust je
moeie oogjes toe! En als ’t niet lukt, dan zet je ook je tafel en dat
dikke boek hier onder—en we praten met ons tweeën duizend uit of jij ’n
kleuter ben en ik ’n wijze man, die weet van alles, alles heeft,
ha-ha-ha! (een stilte—zij staart gejaagd voor zich henen) Lach je niet
mee?... Is ’r wat anders nog?.... Heb je nog meer geheimen dan dat van
moeder en dien eenen keer?
DROOMELOT. De pater zegt...
SERO. De pater? Welke pater?
DROOMELOT. De pater die hier komt...
SERO. Oho, ’k begrijp... Je heb geknield en dacht dat ik de looze,
list’ge Satan was... (een stilte—hij glimlacht smartelijk) Zijn ’r nog
meer, m’n kind die hier mijn plaats innemen? (zij schudt starend het
hoofd). Of helpen andren óók? (zij schrikt—ontkent). Je keek me vroeger
aan, als je ’n antwoord gaf... (zij blijft staren). Ik dwing je niet.
Heb ik dat ooit gedaan? Eer nieuwe vogels nieuwe nestjes bouwen, kies
jij je eigen, vrijen weg—en ik blijf achter.
DROOMELOT. En—jij blijft achter!
SERO. Ik heb—’t is niet de eerste maal, dat je ’t hoort—mijn vader aan
een galg zien hangen, omdat-ie tot z’n laatste prachtig uur—de waarheid
sprak, de waarheid die zoo simpel is en klaar en als ’t zonnelicht
doorzichtig—de waarheid dat een menscherug in zòrg gebogen de Schepping
hóónt—de waarheid dat er niet gedood mag worden de vreugde die een elk
aan groen en lucht en licht en blij-uit droomen heeft! Ik heb mijn
vader aan een galg zien hangen, toen ik jouw jaren had—twee lange dagen
tot de sneeuw een lijkwa om z’n schoudren spon en alle kinders naar die
vreemde sneeuwpop keken, waarlangs de raven vlogen op en neer. Toen,
Droomelot, heb ik mijn vingers opgestoken. Nou komt de beurt aan jou.
Want ’t leven is een gaan van graf naar graf en altijd verder—en altijd
opgewekt... Ik blijf hier in-gesloten, om wat ik erfde van m’n vader.
Als jij den draad laat glippen, en met den vijand, d’ouwen vijand
heult—heb ik misschien voor niets geleefd... (zij kijkt hem lachend
aan) Versta je kind?
DROOMELOT. (monter) ’k Versta alleen, dat we weer sámen door de wereld
trekken,—jij èn ik...
SERO. Nee, nee—ik wacht nog meen’ge oogst van erwten die uit peulen
doppen...
DROOMELOT. Als we weer samen zijn, vraag ’k jou hoe ’t moet—hoe ’t
is—hoe ’t worden zal—en als ’k niet durf, als ’k telkens omkijk...
SERO... Bang voor schaduwen en kloppen in den nacht...
DROOMELOT. Dan stap ik met jou mee, wáárheen je wil!
SERO. Ik wil zooveel, maar ’k zit hier vast.
DROOMELOT. Ik maak je los!
SERO. Maak andren los—en eerst jezelf, m’n kind...
DROOMELOT. Ik zal.... Ik zal.... (verstart bij sleutelgerinkel bij de
deur).
SERO. Je mond—je mond gehouen! (springt van de tafel omlaag, zet zich
vlug op den stoel met de zeef op zijn schoot, sorteert, terwijl hij
naar deurgat loert).