Droomelot, Sero.
DROOMELOT. O, lieve God!...
SERO. Pischt! Pischt!
DROOMELOT. O, lieve Hemel, doe me niets!
SERO. Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?
DROOMELOT (angstig). Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers
zijn! Als jij de Duivel ben...
SERO. De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder
hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben...
Kom dichterbij!... Pischt!... Pischt!... Waar steek je nou?... Als ik
nog harder schreeuw (kijkt onrustig naar kijkgat) kraait straks de
wachter onraad door de gangen!... Ik ben ’t... Ik!
DROOMELOT. (tegen den muur) Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan...
SERO. Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je
je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t
eten werpt, dan maak je dat wij samen... Antwoord dan, Droomelot!... Of
ben je heengegaan!...
DROOMELOT. Nee, nee, meneer...
SERO. Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo
anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn
kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben...?
DROOMELOT. (ontzet op de knieën vallend) O, satan, satan, ’k heb wel
veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!
SERO. Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot,
m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund
op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor
je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t
avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood
en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop... De stem, m’n kind, die
bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook
’n moeder wilde zijn... De stem, m’n Droomelot, die later weer voor
iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en
menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god...? Nou lacht je mondje
weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou
nóg vragen wie ik ben?
DROOMELOT. Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg
’k niet... Ben je weer buiten, vader?
SERO. Buiten?
DROOMELOT. En mag ik met je mee?
SERO. Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind... Nee,
buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is
dat niet machtig-leuk?... ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met
peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend) een boekerij, die
eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend) een kast met kostbaar porcelein
(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en (de tobbe bedoelend) een
antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als
’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier!
Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!
DROOMELOT. O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n
vreeselijken angst doorstaan!
SERO Voor wie? Voor wat?