VIERDE TOONEEL.

Droomelot, Sero.

DROOMELOT. O, lieve God!...

SERO. Pischt! Pischt!

DROOMELOT. O, lieve Hemel, doe me niets!

SERO. Ik jóú wat doen? Herken je me dan niet?

DROOMELOT (angstig). Nee, nee! ’k Zie enkel vingers, die geen vingers

zijn! Als jij de Duivel ben...

SERO. De duivel—ik, ha-ha-ha! Wel, àlle duivels met en zonder

hinkepoot, wiè heeft dat zotte woord jou in je mond gegeven? Ik ben...

Kom dichterbij!... Pischt!... Pischt!... Waar steek je nou?... Als ik

nog harder schreeuw (kijkt onrustig naar kijkgat) kraait straks de

wachter onraad door de gangen!... Ik ben ’t... Ik!

DROOMELOT. (tegen den muur) Ach toe, ’k heb niet zoo véél misdaan...

SERO. Misdaan? Jij wat misdaan? ’k Begrijp je niet m’n kind! En als je

je zoo schuil houdt in dien hoek, en door je dwaze angst roet in ’t

eten werpt, dan maak je dat wij samen... Antwoord dan, Droomelot!... Of

ben je heengegaan!...

DROOMELOT. Nee, nee, meneer...

SERO. Meneer? Meneer! Ken je mijn stem niet meer—of klinkt ze zoo—zoo

anders in die steenen fuik? Wat weerga, moet ’k door die spleet mijn

kop en schoeren wringen, om jou te zeggen wié ik ben...?

DROOMELOT. (ontzet op de knieën vallend) O, satan, satan, ’k heb wel

veel gezondigd, maar ’k hield zoo van ’r—en ze is m’n moeder toch!

SERO. Daar sta ’k bij te draaien op m’n sokkel! Ha-ha-ha! O, Droomelot,

m’n kind—als ik ’n satan ben, dan word ik door den bijbel zelf gesteund

op ’t oogenblik! Was jij mijn stem zoo gauw vergeten? De stem die voor

je zong als je niet slapen kon, toen je nog bang was voor ’t

avonddonker en voor den stóúten wind en voor de maan, als ze zoo rood

en dik langs ’t dak van d’overbuurman kroop... De stem, m’n kind, die

bij je bedje boog en je deed luistren naar ’t spel van hoe ’n vader ook

’n moeder wilde zijn... De stem, m’n Droomelot, die later weer voor

iedre vraag van jou ’n antwoord had—en met je sprak van god en

menschjes—en van de menschen en ’n kleinen god...? Nou lacht je mondje

weer, ’t mondje dat daar straks zoo klagend heeft geroepen! Moet ’k nou

nóg vragen wie ik ben?

DROOMELOT. Jij ben—je ben m’n lieve vader. Ik dacht: nee, nee—dat zeg

’k niet... Ben je weer buiten, vader?

SERO. Buiten?

DROOMELOT. En mag ik met je mee?

SERO. Als ’t kon, dan zei ’k ja! Maar ’t heeft bezwaren, kind... Nee,

buiten is ’t niet! Eer allerveiligst-binnen! ’k Heb hier náást jou—is

dat niet machtig-leuk?... ’n kamer als een prins, een vorstlijk bed met

peluw en matrassen—(den bijbel bedoelend) een boekerij, die

eeuwenoud—(het rekje met kom bedoelend) een kast met kostbaar porcelein

(de drinkkan bedoelend)—een waterbekken en (de tobbe bedoelend) een

antiek bad—en dan—en dan: ik ben gezegend met een voorraad vruchten als

’k in geen zomer en geen winter heb geteld! En jij? Dat ’s keurig hier!

Je heb een kamer meer dan ik! Wel, wel, je wordt verwend!

DROOMELOT. O, lieve vader, ’k heb dáár al die nachten zoo’n

vreeselijken angst doorstaan!

SERO Voor wie? Voor wat?

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 148 / 167 题