DERDE TOONEEL.

Sero, Droomelot, Tweede Wachter.

SERO (hij loopt onrustig van kijkgat naar schouw op en neer, terwijl

Droomelot de lamp uitblaast, daarna voor zich henen staart. Tweede

wachter draagt baal met erwten, rooster en tobbe binnen). Ik dank u

wel. Het was den derden dag, avond en morgen, dat God gewassen deed

ontspruiten... (laat telkens handen met erwten in den zak

terugslieren)... kruid dat zaad geeft naar de soort deszelfs, boomen

met vruchten en weer zaad daar in... Wat moet God denken, nieuwe

kameraad, als-ie in elken kerker menschen op den zèsden dag geschapen,

gestraft ziet met het ziften van den schoonen overvloed des dèrden

dags? Ha-ha-ha!... „Het zij tot spijze u!”... Tot spijze... Zou u me

willen zeggen hoe de Staat de klassescheiding hier verlangt?

2de WACHTER. Jij neemt de groote en de dikke ’t allereerst—kijk toe!—en

dan de kleine, slecht-gedroogde en de schriele! De stuk-gebarsten, die

met wormen, en ’t vuil dat overschiet, smijt je op zij!... Gezien?...

Gesnapt?

SERO (knikt). ’k Zal als de Hemelsche Genade de grooten, vetten, dikken

laten bovendrijven—en wat te klein, mismaakt, wormstekig of kapot,

smijten bij ’t vuil...

2de WACHTER. Begin en bek gehouen!

SERO. Hier heb je proletariërs—zakken vanzelf en ruimschoots door de

gaten van de zeef. Weg bij ’t vuil! Daar zijn wij tweeën, meen ’k,

bij...

2de WACHTER. Wij twee! Wij twee! Vergeet jij, pooier, dat ik draag ’n

koninklijke uniform! Dat ik jouw meerdre ben!

SERO. Mijn meerdere in knoopen-met-’n-wapen kameraad!

2de WACHTER. Ik ben jouw kameraad niet, vlerk!

SERO. Vandaag nog niet—maar morgen wel. En jij niet—dan je zoon...

(sorteert). ’k Heb meer gestaan voor jongens uit ’t volk, die me den

eersten dag met drek en steenen smeten—’k heb meer gestaan voor jongens

uit ’t volk, die net als jij met booze oogen keken... (De wachter gaat

onhoorbaar heen), die vuisten duwden bij m’n neus en met z’n allen

trapten op m’n hielen tot ik ’t dorp uit was... ’k Was in ’t begin de

vijand overal, met weinig, weinig makkers—’t eene zaad, herinner je de

Schrift, valt bij den weg en wordt vertreden en door de vogels

heengesleurd—’t andre valt op rots, verdort—’t derde wordt door doornen

neergehaald—’t vierde, dat in aarde wortel schiet, draagt honderdvoudig

vrucht.. Ieder mijn kameraad, heeft ooren om te hooren... (kijkt

glimlachend op, ziet dat hij alleen is) behalve jij naar ’t schijnt,

ha-ha-ha! Mogen je oogen ook zoo luttel zien! (schuift de tafel, na de

zeef op den stoel te hebben geplaatst, onder de schouw, bestapt den

bijbel, schuift den val omhoog, werpt een paar erwten door de smalle

spleet. Droomelot schrikt op, wijkt achteruit).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 147 / 167 题