Sero, Droomelot, Kommandant.
SERO (beluistert de stappen, staat in nadenken, neemt van de tafel ’n
blad papier, tracht dat voor het deurluikje te hechten, doet zulks ten
slotte met speeksel. Dan draagt hij vlug de tafel naar de schouw,
schuift de papieren tezaam, wipt er op, tracht door de reet te kijken.)
Dat ’s net ’n hand te hoog!... Wat nou? Wat nou?... Aha! Ik kan...
(geklop—hij schrikt) Was dat hier boven of opzij?... (springt van de
tafel, luistert, spreekt de balken toe). Hoe wil je nu, m’n vrind, dat
ik je antwoord zonder stelten? Ik heb geen arm, die tot den hemel
reikt, en ook geen tijd! Of heb jij speeksel, dat ’t uren hardt? (neemt
neuriënd den bijbel van ’t rekje). ’n Vondst! ’n Vondst! Als ’k op den
bijbel stap, en op m’n teenen sta—kan ik ’r bij... (legt ’t boek op
tafel, betreedt den bijbel, springt bij sleutelgerammel opnieuw op den
grond.)
KOMMANDANT. Wat dee jij daar?
SERO. Den bijbel lezen.
KOMMANDANT. Den bijbel lezen met een blinddoek op je deur! (trekt het
papier er af). Ben jij soms bang dat ’k dáárvoor straf?
SERO. Dat weet ’k niet, meneer de kommandant! De een mag wel, de ander
niet de teksten lezen... Ik dacht...
KOMMANDANT. Wie heeft de tafel daar?
SERO..... Ik wou mijn cel een extra-schoonmaakbeurtje geven...
KOMMANDANT. Bijbel en schoonmaak sáám? Hoe doe jij dat, kornuit?
SERO. ’r Is geen tweede boek, meneer, dat meer tot schoonmaak port—dan
dàt, wanneer je ’t zoo aandachtig leest als ik!
KOMMANDANT. (snuffelend). Ik ruik hier wat. Is hier gerookt? Hou weg je
handen van je rug! Recht voor je uit, en basta met je slinksche
streken! Geen vuist! Ik wil je vingers zien! De tien—of ben jij
misgeboren!
SERO. (laat het stompje vallen). Daar zijn de welschapen tien! (met het
stompje sprekend). Had ik ’r twaalf gehad, dan had de aarde jóú niet
aangetrokken!
KOMMANDANT. Wie bracht dat hier?
SERO. Heb ’k in ’n hoek gevonden.
KOMMANDANT. In welken hoek—’r zijn ’r vier!
SERO. Ik heb ze nooit geteld, maar ’t schijnt te kloppen—in een ’r van.
KOMMANDANT. We zullen zien wie ’t laatste lacht, m’n goed-geluimde
vriend! En of jij niet te temmen ben! Bevalt ’t je zóó zeer—(Tweede
Wachter brengt brood en water) dat eten op ’n vasten tijd, de regelmaat
en de gelijkheid voor en achter—o, ja, dàt zal ’t zijn!
SERO. Dat is ’t juist!
KOMMANDANT (tot Wachter). Dit heerschap krijgt een week lang brood met
watersaus, omdat-ie schoonmaakt als-ie in den bijbel leest en in een
hoek wat heeft gevonden, dat in een hoek niet deugt! Hé! Halt! Neem mee
z’n inkt en z’n papier en breng ’m voor verzet en tijdverdrijf ’n baal
met erwten! En als-ie weer wat in een hoek vindt, dat zoo zeldzaam
stinkt, of als je je door hem laat paaien en besmoezen, zooals je
kameraad, die ook door hem is aangestoken, ook van z’n wijsheid heeft
geleerd, haha!—dan vlieg je ’r als de weerlicht uit! Verstaan? (Tweede
wachter tikt aan z’n pet) Water en brood en laten kletsen—geen woord
terug! Verstaan? (Tweede Wachter slaat nog eens aan) Laat zien wat je
daar heb! (Tweede wachter geeft hem de van de tafel genomen
papieren—hij leest terwijl Sero zitten gaat) Wat is dat voor
gezwets?... Wat wil jij van de zon—den dageraad?... O, moet ’t rijmwerk
zijn? (betikt z’n voorhoofd) Jawel!... (Tweede wachter buiten bij
deur). ’k Heb zoo ’n heelen stapel van ’n dief, die in de twééde week
al gek geworden is! (leest) „De zon kijkt lachend...” Ha-ha-ha, ’n zon
die lacht! ’n Zon die kijkt! Bravo!... „De zon kijkt lachend aan den
einder—het wordt een nieuwe dageraad—een jonge reus komt
aangetogen—bravo! bravo!—en strooit in akkers wonderzaad”...
Wonderzaad?... Ha-ha-ha! Ik weet voor jou ’n wonderzaad, boonen en
erwten, om keurig te sorteeren!... Daar mag jij dan, als jóú dat lust,
je moois bij zingen, grappenmaker!
SERO. Dat wil ’k daadlijk wel, meneer!... ’t Zijn nieuwe woorden op ’n
ouwe wijs... (zingt op de melodie van het vrijheidslied): „De zon kijkt
lachend aan den einder—het wordt een nieuwe dageraad.”... (tijdens het
gezang verschijnt Droomelot uit de linker-slaapstee).
KOMMANDANT. (schaterend van ’t lachen, omdat de Wachter Sero
kwaadaardig in den nek grijpt) Ha-ha-ha, daar heb je al je reus! Laat
’m maar los! ’t Kan geen kwaad! De steenen en de balken zijn geduldig
luistervolk! Eer jij, sinjeur, die nieuwe woorden en die ouwe wijs, of
ouwe wijs met nieuwe woorden, aan ’t gepeupel zegt of zingt, eer jij
weer buiten strooit je wonderzaad, eer jij je vrijheid krijgt terug—nou
we je eenmaal hebben—hebben achter slot en grendel, heer!—zal aan den
einder menig keer jouw zon met loensche oogjes kijken! (tot Wachter) ’t
Wordt geen week, maar veertien dagen brood met ’s morgens vroeg wat
water! En als-ie weer z’n ouwe wijs durft zingen, sluit je ’m in
boeien, dag en nacht! Vooruit. En stevig opgelet! En ooren toe!