Droomelot, Hopman, De Regent, Sero, Regina, Jus.
HOPMAN. Ja, Excellentie! ’t Heeft wat lang geduurd, omdat ik eerst wat
smakkers, schreeuwers en slampampers—vriendjes van hém!—van ’t plein
heb làten smijten... Ze wouen weten waarom hij...
REGENT (hem met de hand wenkend te zwijgen). Ja, ja! (tot Droomelot).
Ben jij....? Wat dichterbij. (stilte). Nog dichter! (stilte). Ben
je—bang? (stilte). Nu, schiet ’r geen enkel woordje over? Hoe is je
naam? (nijdig) Mij aankijken! Niet die mènschen! Je voornaam!
DROOMELOT. Droomelot!
REGENT. Droomelot! Droomelot! Hè-hè-hè! Is dat de nieuwste
christennaam? Wie heeft jou zoo gedoopt? In welke kerk?
DROOMELOT. In welke kerk? (haalt Sero aankijkend de schouders op) Dat
weet ik niet.
REGENT. Nooit in ’n kerk geweest?
DROOMELOT (na Sero aangekeken te hebben, angstig). Eens.
REGENT. Wel, wel! Al ééns! Tijdens ’n dienst?
DROOMELOT. ’n Dienst?... ’n Dienst?.... Dat weet ’k niet. Ik was ’r
heel alleen.
REGENT. Eens in ’n kerk! Eens in ’n kerk! Is ’t wonder, Jus, dat ze
verdwalen moest! Dus—bidden heb je nooit gedaan? (zij haalt de
schouders op). En dan dien éénen keer? Wat was dat toen?
DROOMELOT. De deuren stonden aan—’k heb enkel rondgekeken.
REGENT. Ha-ha-! Was ’t ’n synagoog, ’n kathedraal, ’n protestantenkerk?
(zij haalt de schouders op). Zoo, zoo! (een stilte) Ken je dien man?
DROOMELOT. Dat is—m’n vader.
REGENT. Ken je die vrouw?
DROOMELOT. Dat is—m’n moeder.
REGENT. Hoe weet je—dat die vrouw je moeder is?
DROOMELOT. Dat heeft m’n vader me gezegd.
REGENT. Ha, zoo!—Wanneer?
DROOMELOT. Altijd.
REGENT. Mij aankijken! Niet die menschen! En ook niet liegen,
droome-Droomelot! Altijd—dat is onmogelijk! Want voor ’n maand had jij
je moeder niet gezien!
DROOMELOT. Dat had ’k wel en iedren dag—al was ’t niet dichtbij.
REGENT. En iedre dag—hoe dan?
DROOMELOT. (haar medaljon bedoelend) Ik heb ’r hier gedragen.
REGENT. Laat zien! Laat zien! (zij treedt dicht op hem toe, opent het
medaljon, zonder den ketting los te maken. Hij neemt het in de handen)
Ja, ja—dat kàn ze zijn—’t kan... (betast haar blooten boezem) Maar als
je hier ’n kruisje droeg—in plaats van dat—dan zou—dan zou—wat?—wat?...
DROOMELOT (angstig-beschaamd achteruit wijkend, de handen in
bescherming voor de borsten) Vader!
SERO. (door Hopman weerhouden) Verdoemde ploert!
HOPMAN. Terug!
REGINA. Als jij ’r nog eens aanraakt, jij...
REGENT. Weg met dat wijf, weg met dien kerel! Weg! (De Hopman wenkt in
gaanderij. De twee rakkers schieten toe, terwijl de Soldenier Regina
terugduwt) Verzetten zich, omdat ik raad ’n kruis te dragen! Blijven in
opstand voor den hoogsten magistraat! Bedriegen, konklen, drijven saam
’t span van ontucht! (nijdig tot Droomelot) Hier! Dichterbij! En geen
onnoozle streken! Was jij—bij haar in dat bordeel?
DROOMELOT. In wat?
REGENT. In dat bordeel?
DROOMELOT. Bordeel? (aarzelend-onwetend) Nee.
REGENT. Hoe dikwijls heb je ’r bezocht—die vrouw?
DROOMELOT. M’n moeder?
REGENT. (kwaadaardig) Die vrouw, je moer—gaat mij dat aan! ’k Praat
toch geen Spaansch! Hoe dikwijls was je bij ’r? (zij staat in angstige
aarzeling bevreesd voor Sero’s glimlachend kijken)... Nu dan!
DROOMELOT. (benepen, zonder iemand aan te zien) Dat was, geloof ’k
ééns... (ziet vluchtig naar Sero).
REGENT. (woest) Eens! Eens in de kerk—eens in ’t bordeel—’t blijft
altijd eens! ’t Heele nest dat is bevuild! Hij heeft de waarheid in z’n
schaduw—zij liegt—en zij, zij slaapt, maar liegt ’t hardst van
allemaal! (tot Jus) Zijn klaar de stukken, Jus?
JUS. (een ganzeveer overreikend) Ja, Excellentie. Als u ze teekenen
wil?
REGENT (indoopend). Goed zoo. De schalk, die tienmaal door de mazen
glee, die tienmaal jou te glad was, Jus, de schalk die overal op plein
en markt „verhaalt”—ja, ja!—„vertelt”—ja, ja!—en zulk een teeder nekvel
heeft—gaat op dieet!... Ho, ho!... Dat is een vonnis met ’n monsterpen,
hahaha!... ’t Lijkje van m’n lijkenvlieg! Net door ’r taster en ’r kop
geregen! Adieu mijn vriend: de laatste eer, hahaha! (tipt met den
middelvinger tegen den penhouder en wrijft met den voet over het doode
insect) Rust zacht en met ’n R. I. P.! (teekent de stukken)... Zoo gaat
’t beter, zonder inktgemors... Die vrouw is vrij!
REGINA. Goddank!
REGENT (tot Droomelot). En jij—heb jij ’n keus—bij hem, bij haar?
DROOMELOT. Blijft vader hier?
REGENT. Ja, ja,—en kosteloos!
DROOMELOT. Dan blijf ik bij mijn vader.
SERO. Dat kan niet, Droomelot!
REGENT. O, ’t kan! ’t Hoofd van Staat—de Staat—heeft ruìmte voor z’n
kinderen!
REGINA. Mag ik ’r niet...
REGENT. Hahaha! Of zij! Of zij!... Hahaha! Wat jij ’r leeren kan—dat is
mij toevertrouwd! En hoe! Hahaha! (tot Hopman) Hier is ’t bevel! Je
plicht! Vooruit! Hahaha! Of zij! Of zij!... (af over trap met Jus).
HOPMAN. (tot de rakkers) Wat slapen jullie nou! Weet je geen raad! (zij
brengen Sero naar het hok, sluiten de traliedeur. Dan wenkt hij ze
Regina heen te voeren).
REGINA. Mag ik ’t kind...
HOPMAN. (grof) Nee, nee!
REGINA. Ik wou ’r enkel...
HOPMAN. (haar zelf bij een arm grijpend) Nee zeg ik, nee! (duwt haar
met de rakkers door de gaanderij-opening).