ZEVENDE TOONEEL.

Droomelot, Hopman, De Regent, Sero, Regina, Jus.

HOPMAN. Ja, Excellentie! ’t Heeft wat lang geduurd, omdat ik eerst wat

smakkers, schreeuwers en slampampers—vriendjes van hém!—van ’t plein

heb làten smijten... Ze wouen weten waarom hij...

REGENT (hem met de hand wenkend te zwijgen). Ja, ja! (tot Droomelot).

Ben jij....? Wat dichterbij. (stilte). Nog dichter! (stilte). Ben

je—bang? (stilte). Nu, schiet ’r geen enkel woordje over? Hoe is je

naam? (nijdig) Mij aankijken! Niet die mènschen! Je voornaam!

DROOMELOT. Droomelot!

REGENT. Droomelot! Droomelot! Hè-hè-hè! Is dat de nieuwste

christennaam? Wie heeft jou zoo gedoopt? In welke kerk?

DROOMELOT. In welke kerk? (haalt Sero aankijkend de schouders op) Dat

weet ik niet.

REGENT. Nooit in ’n kerk geweest?

DROOMELOT (na Sero aangekeken te hebben, angstig). Eens.

REGENT. Wel, wel! Al ééns! Tijdens ’n dienst?

DROOMELOT. ’n Dienst?... ’n Dienst?.... Dat weet ’k niet. Ik was ’r

heel alleen.

REGENT. Eens in ’n kerk! Eens in ’n kerk! Is ’t wonder, Jus, dat ze

verdwalen moest! Dus—bidden heb je nooit gedaan? (zij haalt de

schouders op). En dan dien éénen keer? Wat was dat toen?

DROOMELOT. De deuren stonden aan—’k heb enkel rondgekeken.

REGENT. Ha-ha-! Was ’t ’n synagoog, ’n kathedraal, ’n protestantenkerk?

(zij haalt de schouders op). Zoo, zoo! (een stilte) Ken je dien man?

DROOMELOT. Dat is—m’n vader.

REGENT. Ken je die vrouw?

DROOMELOT. Dat is—m’n moeder.

REGENT. Hoe weet je—dat die vrouw je moeder is?

DROOMELOT. Dat heeft m’n vader me gezegd.

REGENT. Ha, zoo!—Wanneer?

DROOMELOT. Altijd.

REGENT. Mij aankijken! Niet die menschen! En ook niet liegen,

droome-Droomelot! Altijd—dat is onmogelijk! Want voor ’n maand had jij

je moeder niet gezien!

DROOMELOT. Dat had ’k wel en iedren dag—al was ’t niet dichtbij.

REGENT. En iedre dag—hoe dan?

DROOMELOT. (haar medaljon bedoelend) Ik heb ’r hier gedragen.

REGENT. Laat zien! Laat zien! (zij treedt dicht op hem toe, opent het

medaljon, zonder den ketting los te maken. Hij neemt het in de handen)

Ja, ja—dat kàn ze zijn—’t kan... (betast haar blooten boezem) Maar als

je hier ’n kruisje droeg—in plaats van dat—dan zou—dan zou—wat?—wat?...

DROOMELOT (angstig-beschaamd achteruit wijkend, de handen in

bescherming voor de borsten) Vader!

SERO. (door Hopman weerhouden) Verdoemde ploert!

HOPMAN. Terug!

REGINA. Als jij ’r nog eens aanraakt, jij...

REGENT. Weg met dat wijf, weg met dien kerel! Weg! (De Hopman wenkt in

gaanderij. De twee rakkers schieten toe, terwijl de Soldenier Regina

terugduwt) Verzetten zich, omdat ik raad ’n kruis te dragen! Blijven in

opstand voor den hoogsten magistraat! Bedriegen, konklen, drijven saam

’t span van ontucht! (nijdig tot Droomelot) Hier! Dichterbij! En geen

onnoozle streken! Was jij—bij haar in dat bordeel?

DROOMELOT. In wat?

REGENT. In dat bordeel?

DROOMELOT. Bordeel? (aarzelend-onwetend) Nee.

REGENT. Hoe dikwijls heb je ’r bezocht—die vrouw?

DROOMELOT. M’n moeder?

REGENT. (kwaadaardig) Die vrouw, je moer—gaat mij dat aan! ’k Praat

toch geen Spaansch! Hoe dikwijls was je bij ’r? (zij staat in angstige

aarzeling bevreesd voor Sero’s glimlachend kijken)... Nu dan!

DROOMELOT. (benepen, zonder iemand aan te zien) Dat was, geloof ’k

ééns... (ziet vluchtig naar Sero).

REGENT. (woest) Eens! Eens in de kerk—eens in ’t bordeel—’t blijft

altijd eens! ’t Heele nest dat is bevuild! Hij heeft de waarheid in z’n

schaduw—zij liegt—en zij, zij slaapt, maar liegt ’t hardst van

allemaal! (tot Jus) Zijn klaar de stukken, Jus?

JUS. (een ganzeveer overreikend) Ja, Excellentie. Als u ze teekenen

wil?

REGENT (indoopend). Goed zoo. De schalk, die tienmaal door de mazen

glee, die tienmaal jou te glad was, Jus, de schalk die overal op plein

en markt „verhaalt”—ja, ja!—„vertelt”—ja, ja!—en zulk een teeder nekvel

heeft—gaat op dieet!... Ho, ho!... Dat is een vonnis met ’n monsterpen,

hahaha!... ’t Lijkje van m’n lijkenvlieg! Net door ’r taster en ’r kop

geregen! Adieu mijn vriend: de laatste eer, hahaha! (tipt met den

middelvinger tegen den penhouder en wrijft met den voet over het doode

insect) Rust zacht en met ’n R. I. P.! (teekent de stukken)... Zoo gaat

’t beter, zonder inktgemors... Die vrouw is vrij!

REGINA. Goddank!

REGENT (tot Droomelot). En jij—heb jij ’n keus—bij hem, bij haar?

DROOMELOT. Blijft vader hier?

REGENT. Ja, ja,—en kosteloos!

DROOMELOT. Dan blijf ik bij mijn vader.

SERO. Dat kan niet, Droomelot!

REGENT. O, ’t kan! ’t Hoofd van Staat—de Staat—heeft ruìmte voor z’n

kinderen!

REGINA. Mag ik ’r niet...

REGENT. Hahaha! Of zij! Of zij!... Hahaha! Wat jij ’r leeren kan—dat is

mij toevertrouwd! En hoe! Hahaha! (tot Hopman) Hier is ’t bevel! Je

plicht! Vooruit! Hahaha! Of zij! Of zij!... (af over trap met Jus).

HOPMAN. (tot de rakkers) Wat slapen jullie nou! Weet je geen raad! (zij

brengen Sero naar het hok, sluiten de traliedeur. Dan wenkt hij ze

Regina heen te voeren).

REGINA. Mag ik ’t kind...

HOPMAN. (grof) Nee, nee!

REGINA. Ik wou ’r enkel...

HOPMAN. (haar zelf bij een arm grijpend) Nee zeg ik, nee! (duwt haar

met de rakkers door de gaanderij-opening).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 140 / 167 题