De Regent, Sero, Regina, Jus.
SERO. Dat mag dus niet?
REGENT. De schalk! Heb jij geen schoffels jaren tijd gehad, om met je
nageslacht te práten? Jij wist, pioef—en heb ’r niet belet die vrouw
(Regina is op de kruk bij ’t boogvenster gaan zitten) en ’r
kornuiten—en wat ’r meer in ’t donker van die kasten en die krotten
hokt en krielt—te zien en op te zoeken!...
REGINA. ...Ik heb...
REGENT. Zet jij je tanden op mekaar en hou je tong ’r tusschen als ik
spreek!...
SERO. De eerste keer...
REGENT. Als jij dìen eersten keer rechtschapen poorter en ’n vader als
’t daar beschreven (gebaar naar testament op den grond) staat,
geweest—en je dat eigen kind—of was ’t van ’n ander soms,
hèhè!—gewaarschuwd en geranseld had, dan dwòng je mij niet—tot m’n
spijt (tot onze spijt, wat Jus?) om namens ieder poorter met ’n
vaderhart—verbolgen, diepverbolgen, door te tasten. Zachte meesters
kweeken...
SERO. (glimlachend) Rotte wonden... ’t Is niet kwaad bedacht!... (Een
stilte. Hij staat op, kijkt de gaanderij in, zet zich opnieuw, begint
met moeite) Ik heb mijn dochter niets gezegd, dien eenen keer, omdat,
omdat...
REGENT. ...Omdat! Vermaaklijk hoe-ie zit te henglen naar ’n leugen,
dood of levend!
SERO. ...Omdat ze nog zoo’n kleine droomster is...
REGENT. Wel! Wel!
SERO. ’r In ’r jonge meisjesdroomen met dàt harde, dàt haast niet uit
te spreken van hààr doen en laten, op te schrikken—ik heb ’t niet
gekund...
REGENT. Wel! Wel!
SERO. Ik heb—ik heb ’r laten—slapen.
REGENT. Ha-ha, ’n winterslaap van meer dan zestien jaar!
SERO. ’n Lenteslaap.
REGENT. Hoor je dat sprookje, Jus? De moeder hóér—de vader vijand van
den staat—en ’t kind (schel lachend) hè-hè-hè!, ’t kind—’n schoone
slaapster in ’t bosch!
SERO. Dat’s ieder kind.
JUS. Dan wordt ’t tijd, Uw Excellentie, dat ’n prins verschijnt,
ha-ha-ha!
REGENT. Ja, ja, ’n prinselijke porder met ’n bezemsteel!
SERO. Ze sprak, mijn kind—’k herhaal dien één’gen keer!—met zulk ’n
vreugde van ’r móéder, dat ik ’r droom niet met mijn ruwe knuisten
breken kon...
JUS. Als jij destijds—destijds—voor zooveel jaar gescheiden was, dan
wàs die vrouw geen moeder meer!
REGENT. Maar Jus—dat wist-ie niet, dat was ’m onbekend! Dat heeft-ie
nooit gehoord! Nietwaar? Nietwaar?
SERO. Al was ik duizendmaal gescheiden: ’n moeder is, ’n moeder
blijft—blijft—blijft. Dat ’s nóóit meer ongedaan te maken.
REGENT. Niet ongedaan, jij goochelaar met woorden! Ook niet door
overspel? Je Testament! Je boek met potloodstrepen!
SERO. Ook niet door overspel! Wat ook gebeurt: de vrouw die ’t kind
geboren heeft, blijft moeder—blijft dè moeder. Draagt niet elkeen ’t
merk, ’t moederteeken, waar de navelstreng doorsneden werd?
REGENT. Ha-ha-ha! Dat heeft verstand van alles—van staat, van kerk, van
kreeft, van navelstreng! En laat z’n schoone slaapster met ’r droomen
en ’r moederteeken naar snollen, sletten en d’r mansvolk loopen! (tot
Regina) Dat was ’n kluifje voor jouw mond—hé, jij daar! Slaap je? Gaf
de nacht te weinig rust, ha-ha!—dat was ’n voorjaars-snoepje, wat?—om
bij ’n deern van zeventien je móéderplichten waar te nemen! Als ik niet
ingegrepen had—door jou en hem en ’t delikate kroost (drie tegelijk)
van straat en bed te lichten—was dan vandaag of morgen ’t loon voor
d’eersten nacht gestreken—of is de goudvink al geknipt?
REGINA. (woest opstuivend) Dat lieg je, lieg je! ’k Ben zóó’n loeder
niet, om bij d’onschuldige oogen van m’n eigen kind...
REGENT. Vergeet jij, lichtekooi, dat ik de hoogste magistraat!
REGINA. (heftig) ’k Lap alle magistraten an m’n zool! Ik heb lang
genoeg m’n lippen stuk gebeten! ’t Zit me tot hier, tot hier! Mot ik
nog pootjes geven als ’k wor gepest!...
JUS. Als jij je toon niet matigt...
REGINA. Wat dan? Wat dan! Doe jij maar wat je wil! Ik ben geen wáárdin
voor me eigen dochter! Bij me in ’t huis heeft ze geen stap gehad, geen
stap! ’k Heb op m’n stoep gestaan, bang voor ’t zonlicht en de
menschen—en op m’n stoep heb ik met haar gepraat. ’k Weet wat ik
ben—plezier voor kerels in den nacht en goed voor alle vuil zóo als ’t
daglicht schijnt! ’k Weet wie ik ben! Maar zoo gevallen, om ’n kind,
dat ik gezoogd, aan dat bestaan, dat rot bestaan, te geven—’r na te
laten kijken als ’n schurftig dier—’r voor ’r jonge leven te verdoemen,
te vervloeken—’r ook te laten grienen uur aan uur—zoo’n smerig beest
ben ik nog niet, wor ’k nooit, nee nooit!
REGENT. Ze is vijfmaal op bezoek—bezoek geweest, zei je daar straks...
REGINA. Dat heb ’k niet gezegd!
JUS. Je liegt—jij liegt—ik heb ’t opgeschreven!
REGINA (snikkend). Ik zweer bij Jezus aan ’t kruis...
REGENT. Haha, dat zweert—dat durft te zweren!
REGINA. Ze heeft geen voetstap op m’n stoep gehad!
REGENT (kwaadaardig)... Voetstap of niet—over je stoep of niet—of ’t
dag of avond was of niet—gaat ons, de Overheid niet aan! Ze is
vijfmaal—vijfmaal...
JUS. Vijfmaal!
REGENT. Op bezoek bij jou geweest! Dat ’s duizendmaal te veel!
JUS. Artikel 85, vier...
REGINA (heftig). God mag me straffen met de ergste straf...
REGENT. (driftig dreigend). Dáár zitten en je driesten mond gehouen,
slet! En als jij weer, jij leugenaarster en jij lichtekooi... (zich
onderbrekend bij ’t over de trap binnenkomen van den Hopman door
Droomelot voorgegaan). Is dat—is dát ’t kind?