VIJFDE TOONEEL.

De Regent, Hopman, Sero, Regina, later Jus.

REGENT. (van de trap komend) Ho! Ho! Geen drie! Maar hopman, ’t is ’n

vrouw, ’n vrouw...

HOPMAN. ... Geen vrouw—’n lichtekooi, Uw Excellentie!

REGENT. ... Is dan ’n lichtekooi ’n man? Kom, kom! Jij blijft wel

rustig zitten dáár, ook zonder kussen in je rug, niet waar? Geweld bij

vrouwtjes, hopman, onverschillig wat ze zijn, dat heeft geen

pas—tenzij—tenzij je zwaar verliefd ben en ’t torteltje niet

trekkebekken wil, ha-ha-ha! (let Sero op)... Ha, onze vriend! Wees

welkom, welkom!

SERO. Dank u, Excellentie. ’t Zelfde. En nog meer.

REGENT. ’t Is kostlijk weer vandaag. ’n Tikje warm, ’n beetje felle

zon... (den schijn van ’t venster bedoelend)... Hindert je niet?

SERO. Nee, nee. Integendeel. Waar licht is, is ook vreugd!

REGENT. De schalk, de schalk! Dat blijft maar goed gemutst en

welbespraakt! ’t Is zeldzaam, zeldzaam! Ja, geniet ’r nog maar van. Wie

weet hoe kort ’t duurt—een trapje lager houdt ’t op...

SERO. De zon...

REGENT. ...De zon, de maan, de sterretjes—en wat de grappenmakers meer

in dicht en rijm bezingen... Heb je honger?

SERO. ’k Wist niet dat dàt Uw Excellentie intresseerde...

REGENT. Och ja—och ja!... Hoe meen jij dat?

SERO. ’k Meen dat ’t duizenden en nog eens duizend—’k meen niemendal...

REGENT. De schalk!... Nu had-ie moeite ’t in te slikken, ha-ha-ha! (tot

Jus, die de trap afgekomen, ’t laatste gehoord heeft)... Die man heeft

hier (betikt z’n voorhoofd) ’n koemaag, maar geen hersens—die kauwt,

herkauwt en kauwt zoo ieder uur op onverteerbaar tuig! Ha-ha-ha, ’t is

zeldzaam, zeldzaam!... Dus geen honger?...

SERO. Nee, nee...

REGENT. Geen trek in jonge kiekens of een malsch aan ’t spit geroosterd

boutje?

SERO. De koemaag hier verdraagt die zaken niet...

REGENT. Geen kreeftje, rood—óók rood—van woede om de hitte van ’t

water, met ’n roemer witten wijn?

SERO. Daar heb ’k juist vanmorgen mee ontbeten—en heel m’n buurt tot we

’r van kikten en ik ’n graat kreeg in m’n keel.

REGENT. Hoor je dat, Jus—ja Hopman lach gerust!—de schalk heeft

kreeften met ’n graat, ’n graat—en zonder schaal gegeten! Zoo praat dat

over alles, alles mee. Dat heeft verstand van staat en kerk en God weet

wat—en ook van kreeft, ha-ha-ha!

SERO. Als ’t dan geen graat was—en geen bastaardkreeftje—was ’t ’n

schaar—en als ’t geen schaar was, was ’t ’n ander ding om in te

stikken. In Godsnaam, Excellentie, eet geen kreeft!

REGENT. Ha-ha-ha, zoo’n levenslust! Geen honger dus?

SERO. Spijt me waarachtig, néé.

REGENT. Dat moet dan anders worden, Jus. Dat ’s ongewoon en maakt me

ongerust. ’n Man die ’t prachtig eten van mijn kok niet lust, geen

honger heeft—die driemaal weigert—is te zwaar doorvoed—en vroeg of laat

krijgt-ie vervetting aan z’n hart, z’n lever of z’n tong!

Sero. Ja, ja—m’n tong is welgedaner dan m’n buik!

REGENT. Is dat niet abnormaal? En zijn we niet verplicht zoo’n kanker

uit te snijden? (met gebaar naar ’n insect dat hij reeds ’n paar maal

verjaagd heeft). Wat wil dat lastig dier toch bij m’n hoofd?... Heb jij

geen honger, vriend, dan moet jij op dieet—en schap’lijk lang tot dat

je maag weer werkt en ook je tong wat minder welgedaan doorslaat,

ha-ha-ha! ’k Wed dat die kuur je helpt!

SERO. Dus ik blijf hier?

REGENT. Voor onbepaalden tijd.

SERO. Wel, wel—en zonder vonnis? Dat’s ’t nieuwste recht, ’n

vastenavondgrap, ’n luimige inval van z’n Excellentie...

REGENT. Niet waar? ’n Beetje kortswijl hoort ’r bij!

SERO. Ik vast zoolang die kortswijl duurt.

REGENT. Bezwaarlijk, vriend.

SERO. Wie niet gevonnist is—en niets misdreven heeft—heeft ’t

poorter-recht van iedren poorter—en móét voor schemer weer op vrije

voeten gaan! ’k Ben minstens tien keer hier voor dezen heer (met gebaar

naar Jus) gebracht en tien keer met beleefden groet weer losgelaten...

JUS. (lachend) Dat klopt (mede met gebaar naar insect)—hij was zoo

glad, zoo leep, zoo listig, Excellentie en zoo glibberig als ’n aal,

dat we ’m telkens lieten glippen, om de poorterwet in eer te houden....

REGENT. ’n Aal vat men niet aan met schoongewasschen handen... Dat doet

men met ’n scheutje zand... (beloert het insect op de tafel)... Wacht

even! Stil! Ha-ha, ’k heb beet! Twee hommels in een klap. Zoo. Even

drukken. Die spelen niet meer schuilei met m’n neus. O? Wil jij toch

nog—toch nog vliegen?... Wel ja (trekt ’n vleugel uit) Probeer ’t met

één vlerk!... Daar snapt-ie niets van: kijkt me zoo beteuterd aan, of

’k onze Lieve Heer persoonlijk ben, ha-ha-ha! (tot Regina).... Ja, kom

maar dichter bij... Je mag ’t wel zien!... Die is getemd, ha-ha!, en

loopt m’n hand rond of-ie kreupel is... Dat komt omdat de andre vleugel

’m te lastig is... Dan die ’r ook maar af... (’t insect op tafel

zettend) En kalm aan stappen—niet te wild—want op den inktpot is geen

klep—en reddingsgordels heb ik niet, ha-ha! Zoo zie je, Jus, hoe je met

handigheid, ’n kwajen hommel leert marscheeren, ha-ha-ha! (nijdig

uitvallend tot Regina) Is jouw plaats hier?

REGINA.... (angstig) U zei me zelf..

REGENT. Ik zei jou niets, niets, niets!

HOPMAN. Nee niets! Vlug achteruit! En op de bank gebleven!

REGINA. Wel allemachtig, ’k ben niet gek!

REGENT. (met de hand de tafel beslaand.) Hoor ik jou nog...! Wordt ’t

hoogste woord door straatgespuis en wijven uit ’t bordeel gesproken!

(tot Jus). Waar is ’t onwijze jong, ’t schaap, ’t kind?

JUS. Dat moet benee zijn, Excellentie.

REGENT. Hier laten brengen! (Jus gaat naar gaanderij) Nee—wacht nog

even. Die vrouw, die is te veel! (Hopman wenkt Rakker in gaanderij, die

Regina heen voert).

JUS. Wil u...

REGENT. Wil u... Wil u... Wil u... Als ik geen haast heb, hol je of ’r

brand is—en als ’k angstig uitkijk waar je blijft, kruip je met looden

ballen aan je beenen! Wat lach je nou? Ik maak geen pret, ben niet jouw

clown! (tot Sero, die weer met den rug naar de tralies zit)... En jij!

Ha-ha! Als jij niet weergaasch-rap de voorpui van je onbewoonbaar huis

vertoont, zal ik je blaren laten zitten!

SERO. Ik warm m’n rug in ’t uitgezochte zonnetje...

REGENT (tot Hopman). Haal ’m ’r uit! Kun je ’t alleen?

HOPMAN. Dat stuk karkas regeer ’k met twee vingers, Excellentie! (tot

Sero, dien hij uit de kooi trekt). Toe, maak wat voort!

SERO. Dank u zeer! Ik wist wel dat Uw Excellentie haar kostbren tijd

niet lang verspillen zou—en mij vóór ’t ongenoeglijk schemeruur weer op

’s lands kei zou zetten.

REGENT. (wenkend) Op die bank! Halt! Halt! Heeft men zijn zakken

onderzocht?

HOPMAN. Ik denk van ja...

REGENT. Jij denkt van ja—jij denkt van nee—wie denkt ’r ooit behalve

ik? Is één vermoorde koning niet genoeg? Moet ik op alles letten?

SERO. (op den eenen zak wijzend). Hier, Excellentie, zit ’n bom—en daar

’n handgranaat.... Eén vinger, die den weg niet weet, in deze donkre,

schrikkelijke grot—en ’n vulkaan, ’n donderslag vernielt mijn

ribbekast, maar ook ’t Hoofd van Staat!

HOPMAN. De handen op je rug!

SERO. Nee, nee. Dat doe ’k liever zelf. Als u mij kietelt, schiet ik in

den lach—en als ik lach, loopt ’t bommen-uurwerk af! (den eenen zak

ledigend). Dat’s een. (overreikt ’n stukkenden zakdoek). M’n

linnengoed, merk S. van een tot twaalf. Dat ’s twee, met minder

ezelsooren dan menig hooggeleerd gezelschap!

REGENT. Wat is dat voor ’n godvergeten boek? Lees voor! Lees voor!

HOPMAN. ’n Boek vol dikke potloodhalen.

REGENT. Dat vraag ’k niet! Lees voor! Lees voor! (tot Sero) Geheim

genootschap, schalk?

HOPMAN. (lezend) „Wij hebben (hier is wat doorgehaald) den, den... (dat

is onleesbaar!)... den strijd tegen de overheden, tegen de machten,

tegen de geweldhebbers der wereld”...

REGENT. Staat dat ’r woordelijk?

HOPMAN. Woordelijk!

REGENT. Je legt daar op beslag!

SERO. Dat is ’n eeuw of wat te laat—’t is te zwaar verspreid—In ieder

huis leit ’t met netter kaft op tafel, te pronk, te pronk—en ook Uw

Excellentie heeft ’t eens gelezen...

REGENT. (’t Boek dat de Hopman voor hem op tafel legt, op den grond

werpend) ’t Nieuwe testament, ’t testament! (tot Hopman) Ben jij

versuft of doe je mee aan drieste grappen, ezel, lomperd!

HOPMAN. U zei: lees voor—ik zag ’t wel...

REGENT. Hij zag ’t wel! Hij zag ’t wel! Als jij wat ziet, is ’t al lang

gevlogen! (weer zacht en valsch tot Sero) Loop jij met testamenten in

je zak? Is dat de nieuwste vinding, schalk? En haal jij daar in door

wat jou niet past? Heb jij patent als prediker? (vinnig) Je andre zak!

SERO. (dien ledig uittrekkend)... Verschijn en maak je reverentie! En

zonder dubblen bodem, Excellentie. Enkel met rijm! (De Hopman geeft ’m

’n por).... O! ’k Was juist uitgesproken! (zit op de bank).

REGENT. Hij was zoo goed op dreef. Dat ’s jammer, hopman. ’k Hoor graag

rakkers met wat overmoed. Vooral als ’r ’n kleine prikkel wacht.... Je

hebt soms muizen, die nog speelsch en dartel piepen, als poes licht op

den loer.... Ga zitten, Jus—en sla je wetboek op—maar heel voorzichtig!

De nieuwe soort die ik gekweekt—de zesvoeter met kromme beenen—kijk,

kijk: hij springt waarachtig over hindernissen!—die heeft vandaag z’n

laatsten vrijen dag... ’n Lijkenvlieg, hoe kwam ze hier?... ’k Heb

meelij met je larven, acrobaat! Jouw nageslacht zal in geen krengen

bruiloft vieren! Ho! Dezen weg! Die is versperd. Op last der overheid,

hahaha! (speelt met de vlieg, half over de tafel hangend) Ja, ja,—en nu

m’n andre kameraad. ’k Zou je bij m’n dressuur vergeten! Jij ben

gearresteerd, omdat, omdat...

SERO. ...Omdat ’k wat lastig ben...

REGENT. Lastig néé—welnee m’n brave vriend! De wet heeft mazen en je

kruipt ’r door. Dat is je recht! Je ben niet lastig: listig, lustig. Je

bazelt af en toe... (tot Jus)... Wat zei-ie gister op de groote markt?

Hoe was dat weer?

JUS. Hij zei: ’t volk dat wordt belogen en bedrogen door iedereen...

REGENT. Door iedereen? Door iedereen? Uitzondring ken jij niet? Dus ik,

ik als Regent, belieg, bedrieg?

SERO. Als ik dàt heb gezegd verbeur ik ’t vrij gebruik van deze tong!

REGENT. Bedoelen dee je ’t evenmin?

SERO. Niet dat ik weet.

REGENT. En denken, denken?

SERO. Zelfs niet dróómen, Excellentie—en bij God, de droom is van een

bandloosheid, wanneer je stevig slaapt en snurkt, om in een ijzer

dwangbuis op te sluiten!

REGENT. Dus ik ben uitgezonderd?

SERO. ’k Heb niet aan u gedacht—’k zou vloeken bij mijn zwaard en bij

mijn éér—als ik ’n zijgeweer bezat—en als ze op mijn eer in ’t

pandjeshuis ’n tiende penning of ’n knijzer schoten!

REGENT. (tot de vlieg) Ho! Ho! Verboden toegang, lijkenschenner!

(sarrend-zoet tot Sero) Jij ruit niet op?

SERO. Beweert dat iemand? Als ik ’t dee—had die meneer me niet

gehouden, voor jaar en dag?

REGENT. Jij scharrelt overal—langs veld en wegen—op markt en plein—in

dorp en kroeg—Wat doe jij daar?

SERO. Verhalen en vertellen.

REGENT. Vertellen? Wat?

SERO. Van alles, maar geen leugens. M’n vader, die door Zijn

Majesteit—Zijn Majesteit is dood—hij rust in vrede!—gehangen werd,

omdat-ie (vader—niet Zijn Majesteit!) anders bleef denken dan zijn

tijdgenooten—en dat hardop, hardop (was-ie maar stom geboren!)—m’n

vader leerde me al vroeg, al van m’n eerste jaren...

REGENT. Nu? Durf je niet? Wat leerde-ie?

SERO. Ben ’t vergeten... ’t Een’ge wat ik me herinner, als ’k de spons

hierbinnen wring—de koemaag, Excellentie!—is dat een fopspeen meerder

lucht dan moedermelk bevat—en dat—en dat—laat ’s zien—en dat als je

géén leugens zegt—de waarheid ongemerkt en ongevraagd en als ’n dief

zoo handig in je eigen schaduw loopt...

REGENT. Zoo’n roover, zoo’n bandiet! Verspreekt zich nooit! Loert als

’n schildwacht op ’t onraad van z’n woorden! Heel goed! Heel goed!...

Wat was ’t vanmorgen, Jus, toen ze ’m grepen?

JUS. Van morgen was ’t zoo’n herrie en zoo’n volte op de markt, dat ’r

met blank geklopt moest worden. Hij las ’n stuk van ’t nieuwe

testament, maar las ’t zoo, zoo uit mekaar getrokken en zoo sluwtjes

weer gekoppeld, zoo vol bedoeling en hiaten—als iets niet paste—dat ’t

geen tekst was, maar een oproerspreek...

REGENT. Aha!

JUS. ’k Heb zelf gehoord hoe-ie de poorters hitste... Een dienstknecht

is niet meerder dan zijn heer, dat staat geschreven—hij roept ’t zoo en

met zoo’n haat—en op zoo’n fellen toon, of ’r geschreven stond: ze zijn

gelijk!

REGENT. Jawel! Jawel!

JUS. Hij is ’n dagelijksch gevaar—en lacht geslepen om elk verbod, om

iedre wetsbepaling, iedre ordonnantie—en toch—en toch—toch is ’t nog

niet gelukt...

REGENT. De deksel op de doos te vouwen. (tot de vlieg) Ho, deze zij!...

Dus, dus: hardop beweer jij niets?

SERO. Niets dat niet elkeen mag! Hardop is lokvink voor de galg—en ’k

heb zoo teeder vel—(op z’n nek wijzend) hier in ’t bijzonder—vel dat al

springt als ’t de zeepkwast ruikt, dat ’k liever met ’n baard van weken

ga, dan met ’n gladde kin.

REGENT. Dan met ’n gladde kin—jij gladde vogel!

SERO. Mag ik m’n schoenen nu?... Of wil Uw Excellentie dat ’t volk, de

poorters, keerlen en de wijven me missen—en aan ’t vloeken slaan?

REGENT. Hij is vrij—dat spreekt vanzelf, voor wat-ie gister en vandaag

en vroeger nog niet zéi, maar dàcht, of ook niet dacht, maar droomde—de

sluwe vos.... Nee, laat je schoentjes nog wat rusten! (wenkt gebiedend

den Hopman) Die vrouw! Die vrouw! (Hopman wenkt Rakker) Al wou je, hier

op ’t slotplein, in gelijkenissen spreken—zoo dat de minderjaarge

koning als z’n vader neergeschoten werd—ik heb de poorterwet bezworen,

ik breek geen eed, ik doe alleen m’n plicht, als ’t moet, als ’t kan,

als ’t openbaar belang ’t dwingt en eischt (tot de vlieg, terwijl

Regina door Rakker weer binnen geleid wordt en op bank neerzit) Je

eigen schuld! Heb ik je niet gewaarschuwd, smakker? (Jus buigt zich ook

over den inktkoker) Wat doe je, als je ’t zwemmen niet verstaat, te

duiken in den put?... Die sterft een zwàrten dood, ha-ha!... (tot Sero)

Jij wordt beschuldigd... (zich onderbrekend, nijdig) Ken jij die vrouw?

(Sero knikt) Niet knikken! Antwoord geven!

SERO. Ik ken ’r—ja.

REGENT. (tot Regina) En jij? Heb jij ’n dochter van dat schepsel

daar?...

REGINA. We waren...

REGENT. (met de handen op ’t koord, snerpend) Ik vraag niet wat jij

was—’k vraag of je ’n dochter heb?

REGINA. Die hebben we... Een is gestorven...

SERO. ...Goddank!...

REGINA. ...Een leeft.

REGENT. ...Dat is jóúw dochter dus? (tot Sero) En ook de jóúwe? Verkies

je niet te spreken?... Blijf je zwijgen?...

SERO. Och, als ik zwijg, zal iedre steen ’t roepen! Ze is m’n vrouw...

REGENT. En met jouw weten is die vrouw ’n lichtekooi—en laat je ’r

hoereeren!...

REGINA. ...Ik ben...

REGENT. ...Je ben hier om je mond te houen en te blijven zitten, als ik

met andren praat!... Jij!... Wist je dat? Déélde je soms de

honingkoeken en pataten, die zij je huis indroeg—deelde je bed en beurs

en lippen—lief en leed, ha-ha! Had jij de kas, de tucht, bij dat

òntuchtig doen? Ging je door d’achterdeur, als vóór de klink gelicht

werd door ’n klant? Hoorde je niets en zag je minder nog? En had je zoo

bij winterdag twee warme voeten en ’n heet-gekruide maag?

SERO. (spottend) Misschien.

REGENT. Misschien! Misschien! Waar heb jij van geleefd in al die jaren?

SERO. Van manna en van lucht—èn—hoop doet leven!

REGENT. Noteer je, Jus—ontkennen doet-ie niet...

SERO. Oho—is dat de klem?... Is dat de val, en dat ’t spek? En denk je

dat ’n ouwe rat met haast geen tand meer in z’n bek, onnoozelweg z’n

grijzen staart daaraan verbeuren zal?... Ik heb die vrouw—mijn vrouw—in

volle vijftien jaar niet meer gezien—zie ’r vandaag voor ’t eerst

en—weer voor ’t laatst.

REGENT. En ’t kind?...

SERO. Laat dat ’r buiten!

REGENT. Hoe oud is ze? (Sero haalt de schouders op) O, ben je dat

vergeten?

SERO. (dof) ’k Zeg nòg eens: laat ’t kind ’r buiten...

REGENT. Nee, nee—’t gaat juist om ’t kind!

SERO. (opstuivend) Ik zeg...

HOPMAN. ...Zitten blijven!

REGENT. ...Of in z’n kooi!... Ei, ei—hij lacht niet meer! De snaak

trekt nieuwer soort grimassen! Ik vroeg: hoe oud?... Da’s zeldzaam!...

Zeldzaam, hoe ’n tong, straks vlijm geslepen, nu bot naar antwoord

zoekt! (tot Regina, haar in de wang knijpend) Is jouw geheugen,

zwartoog, knappe deern—jij ben de zonde waard, waarachtig, op m’n

woord!—ook zoo wormstekig... Is ’t wonder Jus, dat ze dat mensch ’ns af

en toe verschalkte?... Hoe oud of wel hoe jong?

REGINA. ...Zeventien!

REGENT. Zeventien?... Dan was jij zelf niet ouwer toen je trouwde?...

REGINA. (driest) Jonger nog!

REGENT. (haar kin streelend) Ha-ha, had ik jou toen gekend! ’n Jonge

duif, ’n jonge doffer, wat? De malste kippen zijn de kiekens, versch

van ’t nest! De grootste gaping in de poorterwet—ja, lach maar, Jus—is

dat ’t recht van d’allereersten nacht, ’t jus prima noctis, is

vergeten... (tot Regina) Je hoeft niet bleu en ook niet bang te zijn...

Voor àlle vrouwtjes, met of zonder man, of met dozijnen, ha-ha-ha!—buig

ik mijn krolschen rug! Ja, ja... Maar nu de zaken!... Je dochter heeft

je dikwijls opgezocht in deze maanden, niet?

REGINA. Dikwijls niet—soms eens, soms tweemaal in de week.

REGENT. Niet meer?

REGINA. Nee, Excellentie.

REGENT. Jìj gaat vrij uit—en zonder straf—’t is niet om jóú te

doen—biecht op!

REGINA. Ik heb ’r eerst ontmoet op straat—toen is ze vier, nee:

vijfmaal op bezoek geweest....

REGENT.... ’s Avonds?.... ’s Nachts?....

REGINA... ’s Morgens. Dacht u dat ik—als moeder..?

REGENT. Ik denk.... ik denk.... Dat raakt je niet! (plots weer fel)...

Zoo, zoo, ha-ha!... ’t klopt als ’n bus met wat ze ons berichtten! (tot

Sero). Jij, burger Sero, wist dat niet? Jij wist niet dat je kind, je

minderjaarge dochter, op bezoek ging bij ’n slet, ’n alle-kerels-lief?

(tot Regina die zich verdedigen wil)—Wat ben jij anders? Hou je

mond!—Jóú was dat niet bekend?

SERO. Ik wist van d’ eersten keer—toen ze mekaar op straat.... ’t Andre

heeft m’n kind verzwegen..

REGENT. Ja, ja.... Dàt antwoord wachtte ’k! Maar toen dien eersten

keer—heb jij je dochter niet gezegd wat of ’r moeder was en is?

SERO. Nee.

REGENT. Nee? Nee?

SERO. Nee!

REGENT. Waarom niet, ridder met de waarheid—in je schaduw?

SERO. Waarom? Omdat—omdat ’k niet wou.

REGENT. Heb je dat, Jus?.... M’n hulde!.... Dat wou niet dat z’n

dochter eerbaar bleef!

SERO. (met dreigenden glimlach) Pas op!.... (zich inhoudend). Ho, ho—ik

ging te ver....

REGENT. Ja, ’t gaat te ver! Bij God, ’t gaat te ver! ’n Vader die z’n

kind niet tegenhoudt op ’t ergste pad—’n minderjarig kind nog wel—zoo’n

liederlijke vader.... De wet!.... Sla op de wet!

JUS (glimlachend). Had ’t al aangestreept—hier staat (.... Artikel 82

Bis).... „De ouders die....”

REGENT. .... ’k Vraag niet van óuders—’k vraag van váders, die....

JUS. Dat’s 83 D, gewijzigd bij de wet van....

REGENT. ’k Vraag naar geen nummers van je wettenkraam.... Lees op!

JUS. „Hij die die ’t vaderlijk gezag misbruikt, mitsgaders bij zijn

kind of kindren ontucht kweekt...”

REGENT. Juist! Juist!

JUS.... „Wordt staande het delikt uit eerstgenoemd gezag ontzet en met

verlies van alle poorterrecht tot spinhuisstraf van hoogstens zeven

jaar gericht.” Artikel 83 E....

REGENT. ’t Is al genoeg! Ik dank je wel! (dicht op Sero) Glimlach je

nog schavuit?

SERO. Niet zoo dicht bij m’n handen, Excellentie! (lachend, om z’n

verwoedheid te bedwingen) ’t Is meer gebeurd, dat ’r ’n vuige moord

geschiedde, ha-ha-ha!—dader onbekend, ha-ha!.... (tot den Hopman, die

zich tusschen hem en den Regent plaatst, de hand aan het gevest) Ik zou

dat scheermes liever laten in z’n—in z’n schulp. Ik kruip al met ’n

vlotte buiging in de mijne! (zet zich weer op de bank).

REGENT (die achteruit-geweken is). Dat’s over ’t toppunt heen! Zag jij

’t Jus?.... Heb jij ’t opgelet? Dat dreigt!.... Dat heeft gedreigd!....

Dat heeft den moed gehad z’n vuisten op te heffen en me met oogen aan

te zien, of ik—hè-hè-hè!, hè-hè-hè!—of ik z’n maat, z’n rotgezel, z’n

chère confrère, hè-hè-hè! (tot den Hopman) ’t Kind! Hier met de eedle

erfgenaam van ’t schoone paar!... Dat heeft gedreigd, gedreigd!....

HOPMAN (Regina bedoelend). En die....

REGENT (nijdig). Dat kind, dat kind, de dochter van dien koppelaar!

SERO. Een oogenblik! Is mijn kind hiér?

REGENT. Ja, ja! Wij willen ’t zelve ondervragen, zelf getuigen laten.

En dan....

JUS..... Artikel 85, alinea vier: Wanneer zoowel de vader als de moeder

ontucht plegen, wijst het Hoofd van Staat dengene aan, die in de plaats

der ouders...

REGENT. .... In te grijpen weet! Juist! Juist! (wenkt den Hopman).

SERO. (glimlachend) Dus wordt mijn naam aan ’t ziek bedrijf dier vrouw

gekoppeld! (met aandrang) Een oogenblik! Ik vraag, verzoek—en als ’t

moet, dan sméék ’k—kan ’k meer?—om ’t kind niet te „verhooren”—niet in

’t bijzijn van ons twee.... niet onverwacht. Laat me alléén twee

woorden met ’r praten!

REGENT. Is-ie niet stom en doof en blind en dronken! (tot den Hopman)

Moet ik jou zesmaal orders geven! (Hopman wenkt Soldenier in gaanderij,

die bij de poort plaats neemt. Hij zelf gaat over de trap in ’t

paleis).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 138 / 167 题