De vorigen, Hopman.
HOPMAN. (op door de gaanderij). Wat is dat? (tot Rakker) Wat zit jij op
den grond?... En jij—is dat jouw plaats?.... En hoort die vrouw daar
achter?
RAKKER. (terwijl de Soldenier naar venster wijkt). Ik was—ik was
gevallen, hopman...
SERO. Ja, ja—dat kan ’k getuigen—’r zijn ’r meer gevallen hier...
HOPMAN. Mond gehouen allemaal! (tot Regina) Weg jij daar! (tot Rakker)
Wat had ik jou gelast?
RAKKER. Ik heb ’r minstens twintig keer gezeid (naar het linkerhok
wijzend) daar in te gaan...
REGINA.... Dat liegt-ie.
RAKKER. Lieg ik, Soldenier?
SOLDENIER. Ik heb ’t gehoord.
SERO. Ha-ha-ha!
HOPMAN. Wel alle duivels, is dat hier ’n bende! Als jij nog even kikt,
dan sla ’k je in de boeien!
SERO. O, mocht ’t niet?
HOPMAN. Nee—hier mag niks!
SERO. Niks is niet veel—maar als je ’t eenmaal weet genoeg.
HOPMAN. (tot Soldenier) Marsch! Ingerukt! Daar in ’t wachtlokaal! En
vlug! (tot Rakker) En jij, jij zal je uur onthouden... (Soldenier af).
RAKKER.... Ik heb ’r dertig maal misschien...
HOPMAN. (met driftig gebaar) Dat ’s dertig maal te veel! Jij heb te
dóén en niet te laten! Rechtsomkeer en marsch! (Rakker af) En jij
vooruit! (Smijt traliedeur voor Regina open) Versta je niet?
REGINA. Ik heb toch niet gestolen, niet gebedeld, ben niet dronken
langs den weg gegaan—ik heb geen nachtrumoer...
HOPMAN. ... Asjeblief.
REGINA. ... Wat heb ’k dan gedaan?
HOPMAN. Dat zal je later hooren! (trapt de schoenen).
SERO. Die arme schoenen maken nog de reis rondom de wereld.
REGINA. Nee—ik verdraai ’t!
HOPMAN. Wat zeg jij?... Wil jij niet?... Heb jij ’n wil? (grijpt haar
bij den arm)... Een, twee...