Rafaël. Rose.
ROSE (na een zeer lange stilte van de poort waarheen ze geweken is,
terugschuifelend—schuw) Rafaël.... (hij antwoordt niet) Rafaël.... (hij
zwijgt)..... Heb ’k zoo verkeerd gedaan? Had je ’m dan liever alleen
gelaten—’n blinde....
RAFAËL (haalt de schouders op). Weet ’t niet....
ROSE. Hij was zoo vreeselijk wanhopig! Ik dee ’t voor jou. ’n Man die
niet ziet....
RAFAËL (zacht). Zie jij wel?
ROSE (verbaasd).... Of ik niet zie?
RAFAËL (het kruisje uit zijn zak nemend).... Nee. Zoo min als hij.
Neem—je talisman terug....
ROSE (het niet aannemend—angstig). Je praat zoo vreemd—je maakt me
bang.... Wat ’k beloven wou—was enkel, alleen voor de vrede.....
RAFAËL. Voor dié vrede is ’t nog te vroeg—en te vroeg is ’t voor
ons....
ROSE. Te vroeg voor ons?
RAFAËL (smartelijk). Te vroeg. Te vroeg. Kom dichterbij—dichter—’k ben
ongevaarlijk (dwingt haar naast zich op de bank).... Vanmorgen, terwijl
’k je aarzelingen wegredeneerde—bedotte ’k mezelf—èn jou—dacht ’k, dat
wij—ik, jood-van-ras—jij, christin—als twee vrije vogels weg zouen
vliegen—geen koningsarenden: muschen, muschen... Jij wou meevliegen—ben
meegevlogen—maar met zooveel modder van god en godsdienst aan je
vleugels, dat je terugviel.... We zijn te vroeg op pad gegaan. Wáár we
vandaag waren neergestreken, zouen we in de dezelfde modder terecht
zijn gekomen. Nou—nou—dat moet je begrijpen—ga ’k alleen.
ROSE. Alleen?
RAFAËL. Dat heb je zelf gewild....
ROSE. O, Moeder Maria....
RAFAËL (pijnlijk nasprekend).... Moeder Maria..... Moeder Maria.... Zie
je—voel je dat we niet bij mekaar passen? Dat jij zoo vast in jóúw
ghetto zit, als vader in ’t zijne?
ROSE (bedwongen-heftig).... Dus, dus jij wil van me af—jij—jij, die me
je vrouw heette—die, alles—groote God!—alles van me gedaan kreeg...
(snikkend). O, o—ik die je vertrouwde....
RAFAËL. En àls we—àls we—wat de menschen noemen—getrouwd waren
geweest—(glimlachend).... in mijn of jouw kerk.... àls we? Zouen we dan
ook niet ’n anderen weg zijn gegaan—allebei—wanneer we mekaar in dat
huwelijk zoo heftig, zoo onoverkomelijk hadden afgestooten—als we ’t
vandaag, daarstraks deden? Jij heb niet begrepen. Ik niet. Dat is de
schuld van ons tweeën—nee dat is mijn schuld geweest.... ’k Zei je
vanmorgen, gister, eergister, telkens—dat ’k geen jóód ben—je voelde ’t
niet. ’k Zei: ’t wordt lichter—je voelde ’t niet. ’k Zei: ’n nieuwe
tijd breekt aan—je voelde ’t niet. ’k Zei: houen is niet genoeg,
Rose—je voelde ’t niet. Je heb hier—(wijst de plek op den grond) hiér
gestaan—met je meineedige vingers, om in ’n ander ghetto, dat ik
ontloopen was, te komen—terwijl ’k zoo dikwijls met je gesproken had—je
voelde ’t niet. Je voelde niets, niets, niets! (een stilte). ’t Is uit.
’k Kan je niet zeggen wat ’n pijn me dat doet—’t is uit....
ROSE. Uit? Uit?.... Doe jij dan anders dan degeen waarop je scheldt?
Schop je me niet op dezelfde manier weg? (onstuimig).... Is ’t ’n—’n
komedie—’n komedie voor Rebecca—afgehandeld met de rabbijn, terwijl ik
’t huis uit was?....
RAFAËL. Ga zoo niet door, toe....
ROSE. O, ’t gekonkel achter me rug—de gemeenheid om van me af te
kommen—terwijl ik zottin me op wou offeren—hou je mond!—’k geloof je
toch niet, jij met je prachtige verhalen, je listige leugens, jij....
Rafaël.... Jij jood.... (een stilte).
ROSE (snikkend). Dat heb ’k niet gezegd—dat zeg jij.....
RAFAËL.... Dat heb je gedacht—gedacht—ik heb ’t gevoeld—ik voel sterker
dan jij....
ROSE. Niewaar! Niewaar! Ik dacht niet—dacht niet.....
RAFAËL. Als ’k even later—even later was gekomen, zou je bij mijn hoofd
hebben gezworen.—Wat kunnen wij—wij—wij in de toekomst aan mekaar
hebben?
ROSE. Durf je—durf jij dat vragen—waar ’k je vanmorgen van ons kind
sprak?
RAFAËL (wijkt schrikkend terug).... Ons kind.... (wringt smartelijk de
handen).... Ons kind.... (een langere stilte).... Stak jij daarstraks
je vingers niet op, om ook dàt te versjaggeren?
ROSE (van de bank glijdend, zijn knieën omvattend). Als je ’t uit
maakt—versta je—drijf je me ’t water in... (zoent z’n handen).... Toe,
toe nou jongen—’t was toch alles om bij jou, bij jou te blijven—voor
jou zou ’k door ’t vuur gaan... voor jou èn voor ’t geheim dat ’k je
vertelde, ’t geheim van m’n zwangerschap....
RAFAËL (haar hoofd met beide handen opheffend en haar zoo
toepratend).... Als je wist wat je door je aarzeling, je nieuwe
aarzeling ondersteboven gesmeten heb.... Nee, verdedig je niet—ik doe
geen verdere verwijten.... Zeg me alleen, zonder eed—zonder
gelofte—kijk me an, recht in m’n oogen—dat je ’t an mij, an mij over
zal laten van ons kind ’n mensch—’n vrij mensch—te maken (met gebaar
naar wetsrol op deurpost) ’n mensch zonder dit (met gebaar naar
kruisje), zonder dat. Zeg me dat.....
ROSE (haar armen om zijn hals slaand) Dat zeg ’k je met mijn lippen op
jouw lippen!
RAFAËL.... Ons kind niet in zijn—niet in jouw ghetto—ons kind eindelijk
mensch—beloof je dat—oog in oog?...
ROSE. Dat beloof ’k—en die belofte zal ’k houen, als we maar eerst hiér
vandaan zijn....
RAFAËL. Buiten ontmoeten we dezelfde stakkerige ghetto-menschen....
ROSE. Niewaar!.... Zeg dat je van me houdt—dat je niet zonder me
kan—zooals je dat vroeger gezegd heb....
RAFAËL (voor zich uit starend, sterk ontwijkend).... Dat toon ik door
met je mee te gaan....
ROSE.... Zeg dat je weer heelemaal, heelemaal gelukkig ben....
RAFAËL (spottend-glimlachend, zonder haar aan te zien).. Heelemaal
gelukkig..... Volkomen gelukkig..... Onuitsprekelijk gelukkig, zoo
gelukkig dat ’k.... (tot Esther die in de deuropening komt).... Wil u
vader roepen—we wouen....