TIENDE TOONEEL.

Rafaël. Rose.

ROSE (na een zeer lange stilte van de poort waarheen ze geweken is,

terugschuifelend—schuw) Rafaël.... (hij antwoordt niet) Rafaël.... (hij

zwijgt)..... Heb ’k zoo verkeerd gedaan? Had je ’m dan liever alleen

gelaten—’n blinde....

RAFAËL (haalt de schouders op). Weet ’t niet....

ROSE. Hij was zoo vreeselijk wanhopig! Ik dee ’t voor jou. ’n Man die

niet ziet....

RAFAËL (zacht). Zie jij wel?

ROSE (verbaasd).... Of ik niet zie?

RAFAËL (het kruisje uit zijn zak nemend).... Nee. Zoo min als hij.

Neem—je talisman terug....

ROSE (het niet aannemend—angstig). Je praat zoo vreemd—je maakt me

bang.... Wat ’k beloven wou—was enkel, alleen voor de vrede.....

RAFAËL. Voor dié vrede is ’t nog te vroeg—en te vroeg is ’t voor

ons....

ROSE. Te vroeg voor ons?

RAFAËL (smartelijk). Te vroeg. Te vroeg. Kom dichterbij—dichter—’k ben

ongevaarlijk (dwingt haar naast zich op de bank).... Vanmorgen, terwijl

’k je aarzelingen wegredeneerde—bedotte ’k mezelf—èn jou—dacht ’k, dat

wij—ik, jood-van-ras—jij, christin—als twee vrije vogels weg zouen

vliegen—geen koningsarenden: muschen, muschen... Jij wou meevliegen—ben

meegevlogen—maar met zooveel modder van god en godsdienst aan je

vleugels, dat je terugviel.... We zijn te vroeg op pad gegaan. Wáár we

vandaag waren neergestreken, zouen we in de dezelfde modder terecht

zijn gekomen. Nou—nou—dat moet je begrijpen—ga ’k alleen.

ROSE. Alleen?

RAFAËL. Dat heb je zelf gewild....

ROSE. O, Moeder Maria....

RAFAËL (pijnlijk nasprekend).... Moeder Maria..... Moeder Maria.... Zie

je—voel je dat we niet bij mekaar passen? Dat jij zoo vast in jóúw

ghetto zit, als vader in ’t zijne?

ROSE (bedwongen-heftig).... Dus, dus jij wil van me af—jij—jij, die me

je vrouw heette—die, alles—groote God!—alles van me gedaan kreeg...

(snikkend). O, o—ik die je vertrouwde....

RAFAËL. En àls we—àls we—wat de menschen noemen—getrouwd waren

geweest—(glimlachend).... in mijn of jouw kerk.... àls we? Zouen we dan

ook niet ’n anderen weg zijn gegaan—allebei—wanneer we mekaar in dat

huwelijk zoo heftig, zoo onoverkomelijk hadden afgestooten—als we ’t

vandaag, daarstraks deden? Jij heb niet begrepen. Ik niet. Dat is de

schuld van ons tweeën—nee dat is mijn schuld geweest.... ’k Zei je

vanmorgen, gister, eergister, telkens—dat ’k geen jóód ben—je voelde ’t

niet. ’k Zei: ’t wordt lichter—je voelde ’t niet. ’k Zei: ’n nieuwe

tijd breekt aan—je voelde ’t niet. ’k Zei: houen is niet genoeg,

Rose—je voelde ’t niet. Je heb hier—(wijst de plek op den grond) hiér

gestaan—met je meineedige vingers, om in ’n ander ghetto, dat ik

ontloopen was, te komen—terwijl ’k zoo dikwijls met je gesproken had—je

voelde ’t niet. Je voelde niets, niets, niets! (een stilte). ’t Is uit.

’k Kan je niet zeggen wat ’n pijn me dat doet—’t is uit....

ROSE. Uit? Uit?.... Doe jij dan anders dan degeen waarop je scheldt?

Schop je me niet op dezelfde manier weg? (onstuimig).... Is ’t ’n—’n

komedie—’n komedie voor Rebecca—afgehandeld met de rabbijn, terwijl ik

’t huis uit was?....

RAFAËL. Ga zoo niet door, toe....

ROSE. O, ’t gekonkel achter me rug—de gemeenheid om van me af te

kommen—terwijl ik zottin me op wou offeren—hou je mond!—’k geloof je

toch niet, jij met je prachtige verhalen, je listige leugens, jij....

Rafaël.... Jij jood.... (een stilte).

ROSE (snikkend). Dat heb ’k niet gezegd—dat zeg jij.....

RAFAËL.... Dat heb je gedacht—gedacht—ik heb ’t gevoeld—ik voel sterker

dan jij....

ROSE. Niewaar! Niewaar! Ik dacht niet—dacht niet.....

RAFAËL. Als ’k even later—even later was gekomen, zou je bij mijn hoofd

hebben gezworen.—Wat kunnen wij—wij—wij in de toekomst aan mekaar

hebben?

ROSE. Durf je—durf jij dat vragen—waar ’k je vanmorgen van ons kind

sprak?

RAFAËL (wijkt schrikkend terug).... Ons kind.... (wringt smartelijk de

handen).... Ons kind.... (een langere stilte).... Stak jij daarstraks

je vingers niet op, om ook dàt te versjaggeren?

ROSE (van de bank glijdend, zijn knieën omvattend). Als je ’t uit

maakt—versta je—drijf je me ’t water in... (zoent z’n handen).... Toe,

toe nou jongen—’t was toch alles om bij jou, bij jou te blijven—voor

jou zou ’k door ’t vuur gaan... voor jou èn voor ’t geheim dat ’k je

vertelde, ’t geheim van m’n zwangerschap....

RAFAËL (haar hoofd met beide handen opheffend en haar zoo

toepratend).... Als je wist wat je door je aarzeling, je nieuwe

aarzeling ondersteboven gesmeten heb.... Nee, verdedig je niet—ik doe

geen verdere verwijten.... Zeg me alleen, zonder eed—zonder

gelofte—kijk me an, recht in m’n oogen—dat je ’t an mij, an mij over

zal laten van ons kind ’n mensch—’n vrij mensch—te maken (met gebaar

naar wetsrol op deurpost) ’n mensch zonder dit (met gebaar naar

kruisje), zonder dat. Zeg me dat.....

ROSE (haar armen om zijn hals slaand) Dat zeg ’k je met mijn lippen op

jouw lippen!

RAFAËL.... Ons kind niet in zijn—niet in jouw ghetto—ons kind eindelijk

mensch—beloof je dat—oog in oog?...

ROSE. Dat beloof ’k—en die belofte zal ’k houen, als we maar eerst hiér

vandaan zijn....

RAFAËL. Buiten ontmoeten we dezelfde stakkerige ghetto-menschen....

ROSE. Niewaar!.... Zeg dat je van me houdt—dat je niet zonder me

kan—zooals je dat vroeger gezegd heb....

RAFAËL (voor zich uit starend, sterk ontwijkend).... Dat toon ik door

met je mee te gaan....

ROSE.... Zeg dat je weer heelemaal, heelemaal gelukkig ben....

RAFAËL (spottend-glimlachend, zonder haar aan te zien).. Heelemaal

gelukkig..... Volkomen gelukkig..... Onuitsprekelijk gelukkig, zoo

gelukkig dat ’k.... (tot Esther die in de deuropening komt).... Wil u

vader roepen—we wouen....

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 126 / 167 题