NEGENDE TOONEEL.

Sachel. Rose. Rafaël.

RAFAËL. ’n Eed zònder getuigen.... Is dat vertrouwd, vader? (tot

Rose).... Ga door, ga door! Ga verder....

ROSE. (angstig).... Ik wou....

RAFAËL. (heftig).... Jij wou?.... Verder! Verder! Nog maar ’n paar

woorden had je te zeggen—verder! Ben ik de spelbreker? Ik?....

SACHEL. (onrustig) As je hier was, dan heb je gehoord....

RAFAËL. (heftig).... Dan heb ’k te veel gehoord! (op de poort toegaand,

keert terug—glimlacht moeilijk, bedwongen).... Staat ’r niet in

Leviticus—vader, dat je de naaktheid van je schoondochter niet mag

ontdekken....

SACHEL (niet begrijpend).... De naaktheid van me schoondochter?...

Begrijp je niet... Dacht dat jij, jij in de eerste plaats met ’n

schikking, die mijn ’n offer is—tevrejen zou wezen....

ROSE (schuw)... Hij was zoo diep, zoo diep-ongelukkig, da’k

beloofde....

SACHEL.... Dat ze beloofde—wat, wat, wat draai je d’r om heen as-ie ’t

weet!—dat ze ’n eed wil doen van òns te worden... jodin.

RAFAËL (glimlachend)... Jodin! Jij jodin! En ik—ik, die geen jood meer

ben! (tot Rose). Heb ’k je dat niet vanmorgen voor de zooveelste maal

gezeid, toen ’k de zilveren galg van je hals nam? (tot Sachel). Hebben

wij om datzelfde—nog vanmiddag—toen de Rebbe op bezoek was—niet als

vijanden, als vreemden tegenover mekaar gestaan? Wist jij dat niet,

vader?—(tot Rose)... En wist jij dat niet? Ben jij nog blinder dan hij?

Ben jij anders dan Rebecca?... Rebecca, ’r lichaam, ’r bruidschat—jij

àlles tegeef! (heftig). Ben ik zoo begeerlijk—ik warhoofd,

wetsovertreder—ik, zoon die gesteenigd most worden!—dat twee vrouwen op

één dag.... Ja, ze wéént, vader—ze weent, hahaha! Jij ben de sterkste!

Sterker dan ík! Wat kun je nou nòg?—Eerst heb je me als jongen

ongelukkig gemaakt—met ’n beweging van je voet—nou met ’t tasten van je

hand naar háár meineedige vìngers....

SACHEL (na een stilte). Nar—nar—groote nar, denk je dat zij je

verstaat, dat ik je versta?

RAFAËL (mat-glimlachend). Nee. ’t Is waar—jullie verstaan me geen van

twee....

SACHEL. Is ’r iémand die narrepraat verstaat?

RAFAËL. Nee, niemand!—De nar die geen wetsrol op z’n deurpost—geen

kruis aan z’n hals noodig heeft, wordt niet verstaan, nog niet

verstaan! Wat huil je? Ben ik ’n traan waard? Jullie hoort bij mekáár,

wel bij mekáár!

SACHEL. Is dat mijn dank—ònze dank? Da’s me te machtig—bij God te

machtig—(dreigend).... Maar me geduld neemt ’n end. Jij geen jodin—ik

geen christin!—jij geen wetsrol op je deurpost—geen gebod—geen eerbied

voor je vader—geen geloof in den Eeuwige-onze-God—ik geen zoon—(de hand

op de wetsrol leggend) geen zoon—daar zweer ik bij, omein wie omein!

Nou ken je ’t met haar alleen uitvechten—nou heb je de keus—de keus

tusschen ’n thuis hier of de wijde wereld.... (af).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 125 / 167 题