Rafaël. Rose. Sachel. Esther.
ESTHER. Sachel!....
SACHEL. Wat is ’r?
RAFAËL. De keus is gedaan—we gaan....
SACHEL. Dus toch? Toch! (tot Rafaël die zijn hand wil nemen).... Raak
me niet an! Vloek, vloek vloek over jou en haar!
RAFAËL. Over ons zéker—niet over ons kind....
SACHEL.... Over je kind, je kinderen, je kleinkinderen....
RAFAËL (rustig).... Nee—de toekomst laat zich niet vloeken.... (wil nog
eens de hand van Sachel grijpen—deze heft dreigend de vuist, wankelt
het huis in. Rafaël volgt Rose, die reeds tot de poort is geweken.)
ESTHER (die ze nagestaard heeft).... Og! ’k Hoef ’m geen verder leed
toe te wenschen!... (loopt naar de deur terug, schrikt als ze in de
opening staart).... Sachel! Sachel, wat doe je? Snij je je kleeren
stuk? ’r Is toch geen dooie....
SACHEL (den stoep afstrompelend, de handen verwoed in de scheuren van
z’n jas). Wee, wee—m’n zoon is gestorven! (hurkt op den grond, de
vingers in wanhoop in het haar).... Wee! Wee! Wee, dat ik ’m overleef!
Wee! Wee!........