TWEEDE TOONEEL.

Sachel. Rose.

SACHEL (snauwend). Haast je da-je klaar komt! Stommeling! Te beroerd om

voor de duvel te dansen! Je had toch kennen hèlpen met te zeggen dat ’t

niks waard was! Je vreet ’r toch van mee! As ik ’n jódenmeid

had—die—die zou léeper zijn.

ROSE (schuw). As ’k ’n jodin was, had ’k ook motten zeggen dat de jas

zoo slecht niet was.

SACHEL. Wàt motten? Wie vraagt je? Wie, hè? Hè?

ROSE. Ik lieg niet.... Dat doe ’k niet....

SACHEL. Hou je bek! As jij tien jaar bij me ben, begrijp je nòg niks!

’t Zit niet in jùllie kop. Is er niet in te giéten. Wat draai je nou?

Je heb niet in die hoek noodig.... Wat scharrel je?

ROSE. Ik veeg ’t vuil bij mekaar.

SACHEL. Jij veegt? Jij veegt? Luilakken doe je, tijd vermorsen,

dagdieven!—’n Goeie jas, ’n kostelijke jas.—Ongeluk brengen jullie an.

Geen haar zegen. Schiet op! Sta me niet an te kijken! (Stilzwijgen).

Was jij op van nacht?

ROSE. Nee!

SACHEL. Waarom schrik je?

ROSE. Ik schrik niet.

SACHEL. Leugen! Leugen! Wàt dee je op?

ROSE. Ik ben niet op geweest.

SACHEL. Ik heb ’t gehoord. De klok had geslagen. Je liep op je kousen,

op de trap, in de gang.

ROSE (schuw). Niet waar.... Ik heb geslapen, ben me bed niet uit

geweest.

SACHEL. Je liegt! Ik heb hóóren loopen.

ROSE. Ik niet.... Ik niet....

SACHEL. Je deur heeft gekraakt—je ben in de gang geweest en de trap af

tot an de deur van de winkel.—Die was op slot. Die was op slot! Wat wou

je? Ik laat me niet bestelen. As ’k iets mis al is ’t de knop van ’n

speld, dan, dàn, dàn ben je ’r bij, dan ben j’r voor jàren bij—versta

je....

ROSE.... Ik bèn niet op geweest.

SACHEL. Kom hier! Heelemaal hier. Dichter bij. Nog dichter. Waar is je

hand? Zoo. Zeg ’t nou nòg is!

ROSE (angstig). Ik ben niet op geweest! Waarachtig niet. Geen

oogenblik. Ik heb...

SACHEL. Je liegt! Je hand beeft! Tuig! Tuig! Maar ik lèt op je. Geen

beweging maak je, of ’k zie ’t. En as ’k je snap, laat ’k je ’r uit

slépen of ’k zal geen gezond uur meer hebben!

ROSE (voortwerkend). Ik zou niet weten, waarom ik op zou staan—wàt ’k

in de winkel noodig zou hebben.

SACHEL. Jij zou niet weten! Jij! Bij tijjen willen jullie me doen

gelooven, dat ’k gek ben, hiet je liegen wat m’n óoren zien! Dat God

jullie straffe met mijn straf, dat jullie oogen wegkwijnen zooas de

mijne weggekwijnd zijn, dat jullie zoeken in die verdoemde nacht, zooas

ik zoek elk uur, elken dag! ’t Is om te huilen! ’t Is om je handen te

heffen tegen God—altijd nacht en vijanden om je heen, vijanden die je

niet zièt, vijanden die zich niet hoeven te verbergen, vijanden die

spotten zonder dat je d’r spot ziet, vijanden die lachen zonder dat je

d’r lach ziet, vijanden die je vóélt, hier, daar, overal, vijanden met

stemmen, waarin de leugen vastgevreten ligt...

ROSE.... Ik ben geen vijand.

SACHEL. Ik ken jou niet, weet niet wie je ben. Nooit zag ik je gezicht,

nooit je oogen. Pas heb je tegen me samen gespannen met die kleeren,

misschien wel wat van ’m angenomen! Je stond zoo dicht bij ’m...

ROSE. Nee! Niewaar!

SACHEL. En vannacht heb ’k je hóóren loopen. Wat dee je? Wat wou je? Je

hàd niet op te zijn. Wat dee je op de trap en benejen? Daar denk ik

over, daar tob ’k over òmdat je liegt. Nòu zit ’r wat achter. As je

gezeid had: ik wàs op, ik was ziek—dan—had ’k je geloofd, was ’t uit

geweest, heelemaal uit. Maar je wil me wijsmaken dat ’k niks heb

gehoord! Ik niks hooren! Ik, die op m’n ooren leef!

ROSE (aarzelend). Ik was ziek—vannacht.

SACHEL. Dus je wàs op.

ROSE. Ik was....

SACHEL. Waaróm zeg je dat noù pas?

ROSE. Weet ’t niet. Ik was bang.

SACHEL. Bang voor wàt?

ROSE. Bang voor.... Bang voor.... Ik kan me niet bewegen of ’k wor

afgesnauwd.... Ik durf niks meer zeggen.... Ik was bang—omdat ’k dacht

je wakker gemaakt te hebben.

SACHEL. Zoo. Zoo. Maar de tràp. Wat dee je op de trap?

ROSE. Dat herinner ’k me niet....

SACHEL. Ik vertrouw jou niet.... Jij ben ’s nachts nooit ziek.... En je

liegen, je verdomde liegen... Je kon wel ’n ànder plan hebben gehad....

ROSE. ’n Plan?...

SACHEL. Praat niet zoo onnoozel! Wie zegt me dat je niet stelen wou?

(Stilzwijgen). Nou? Zeg je niks?

ROSE. Wàt mot ’k zeggen?

SACHEL. Zoo. Zoo. Ze houdt d’r mond. Dan weet ze dat ’k héélemaal in ’t

donker zit.—Nou? Nou?

ROSE. Ik heb niks te zeggen. ’t Is te geméén om zoo iets te denken.

SACHEL. Te gemeen? Te gemeen! Gemeen is ’n ouwe man bedriegen en

beliegen.

ROSE. Dat heb ’k nooit gedaan.

SACHEL. Ik vertrouw jullie niet, me zuster niet, me zoon niet, niemand

niet! Tuig, allemaal tuig!

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 100 / 167 题