Hope, Annie, Dokter.
HOPE... Is-ie vort?
ANNIE. Daar.
HOPE. Waarom laat je me dan—je weet toch...
ANNIE. Omdat... (Hope gebaart naar de deur).... Hope! Hope!... Als ’k
je vriendin ben, je oprechtste, eerlijkste vriendin, die je beweert te
vertrouwen—is dat dan de brééde manier?... Ik verras je niet, niet met
trucs, niet met kleine listen—ik wou enkel ’n beroep op je verstand, op
je vérstánd, doen, Hope—waar je hart....
HOPE... Zachtjes—hij kan je hooren...
ANNIE... Ik zeg je een ding, zonder verdere argumenten, zonder
tusschenkomst die misplaatst is: je kunt tè hardnekkig in één
gedachtengang doorhollen—je kunt gelijk hebben en toch dwaas doen....
Ik laat je alleen—nee, je gaat nièt gelijk met me de deur uit!—je
blijft tien, tien, tien tellen, om ’n beslissing te nemen... (tot Dr.
Linden, die binnen wil komen).... Nee, Jan—je moet nog in ’t dorp voor
’t diner bestellen... Nee, niet binnen!...
DOKTER. Waar is Dolf?
ANNIE. Dolf—Dolf wandelt ’n moment aan ’t strand om ’n luchtje te
scheppen... Ik wou wat tafelbloemen laten komen en wat... Man, kijk
niet zoo achterdochtig!.... Onder de tafel zit-ie niet... (tot Hope)...
Als je dènkt, erg stevig dènkt, lieve meid, dènk dan zachtjes—vooral
zachtjes—in diè kamer slaapt Tilleke, ’t eene kind—(fluisterend)... in
de andere wacht ’t gróóte... (zich onderbrekend, tot Jan)... Wat
luister je?
DOKTER... Ik luister niet—ik zie ’n rare witte pet...
ANNIE... Hij is in z’n bloote hoofd.... Blaas je ’t lichtje onder de
thee uit, Hope... En zàchtjes voor Til?... (neemt Jan onder de arm—af).