Dolf, Hope.
HOPE. (staat besluiteloos—hij opent haastig de deur)... U wou me...
DOLF... Spreken...
HOPE... Veel tijd heb ’k...
DOLF.... Niet—dat wist ’k. Willen we ’r bij gaan zitten? (een
stilte)... ’k Zal beginnen—met te doen wat mevrouw—wat Annie u
verzocht. (buigt naar de tafel, blaast het lichtje uit)... Zoo.
HOPE... Dus u luisterde?...
DOLF. Natuurlijk.—Als u geweigerd had, zou ik u nagewandeld
zijn—(zwak-glimlachend).... desnoods ’n scène op straat of in ’t
Gesticht gemaakt hebben....
HOPE... Zou u niet liever dadelijk zeggen....
DOLF. (met den ouwen glimlach).... Niet zoo hard—we zouen aan ’t
kind... (een drukkende stilte. Hij neemt de pop in de handen, laat die
een paar maal schommelen, legt haar weer op tafel. Buiten drie
verwijderde stooten van een stoomboot. Hij herneemt houdingloos het
gesprek)... Is dat ’n stoomboot?... Ja, dat is ’n boot—’k vraag naar
den bekenden weg... ’n locomotief op de golfjes kan ’t moeilijk zijn...
(een stilte—driftig staat hij op, loopt tot het venster, kijkt naar
buiten, keert terug, zet zich opnieuw over haar)... Als ìk m’n mond
hou—heeft u—heb jij—ik kan tegen jóú geen ú zeggen!—heb jij me dan
niks...?... In geen zes maanden hebben we elkander....
HOPE. (koel)... Bij mij—bij mij is nièts veranderd..
DOLF... Bij mij zooveel te meer. Interesseert ’t je niet te hooren wat
’k al dien tijd uitgehaald heb?
HOPE. Nee meneer.
DOLF. (ingehouden)... Hope, ’t is meer gebeurd, dat mannen, ziek door
’t verlangen naar ’n vrouw, ’n krankzinnige daad... Waarom drijf jij me
tot....
HOPE... (opstaand)... Doen we niet beter, meneer... Als u me voor dàt
heeft laten roepen...
DOLF. (opstaand—heftig)... Je zàl hìèr blijven—je zàl luisteren!
HOPE. (uit de hoogte)... Dat zal ’k stellig niet—ik heb niet één
reden... (stap naar de deur).
DOLF. (hartstochtelijk)... Ik wil dat je....
HOPE... ’t Kind....
DOLF... Je heb gelijk. ’k Span ’t paard achter den wagen—(met
moeilijken glimlach)... Je moet, al lijkt jóú dat ongeloofelijk, omdat
je me tóén m’n gezòndheid, m’n gezòndheid, m’n stevigheid verweet—je
moet wat consideratie met me gebruiken, m’n drift door de vingers
zien—Ik ben, dat heb ’k je vriendin al gezegd, niet meer die ik ben....
HOPE... Begrijp u niet....
DOLF... Vind me om af te ranselen, zoo weinig als ’k ’t zelf snap.
Zouen we niet nog even kunnen zitten?... M’n prikkelbaarheid, m’n
opvliegendheid, zal ’k geen tweede keer... (zij zit neer)... Je moet je
wel verbazen, niet waar, dat ik ’t flirten, ’t hofmaken, ’t inpalmen
van ’n vrouw al zoo verleerd schijn, dat ’k met ’n zotte onstuimigheid
jóú, net jóú, probeer te overtuigen.... Hope, ik zit op ’t oogenblik
zònder „supérieuren glimlach”—en àls-ie nog even terugkomt, moet je
denken dat ’n vos wel z’n haar—niet z’n... (ongeduldig)... Ik bazel!...
’k Zou... (een stilte)... Ik ben aan ’t zoeken geweest...
HOPE. (verwonderd)... Aan ’t zoeken?
DOLF... Naar—naar die vroegere liaison—wat ’k mama beloofde.
HOPE. Zelf? Heeft je „detective”...?
DOLF... Ik heb ’t persoonlijk, persoonlijk—zonder hulp—gedaan. Heb je
daarvoor geduld?
HOPE. Als ’k ’r u ’n genoegen....
DOLF.... Na je diepe, barre verontwaardiging, dien dag, ben ’k eerst
woest op je geweest, heb ’n paar weken op de lamste manier tot laat in
den nacht gefuifd—je krijgt alles, alles te hooren!—om me te
„wreken”.... En als ’k katterig thuis kwam, liep ’k met de meest
onzinnige gedachten, hoe ’k jou je caprices—je hoeft ’r niet op te
antwoorden—’t antwoord geef ’k zelf!—hoe ik jou je caprices betaald zou
zetten.... ’k Wou met Snip—pardon: Madame Lebeau trouwen—stel je voor,
hahaha!—’t zou ’n pan zijn geworden, hahaha!—Madame Lebeau op den
Burgerlijken Stand—om burgemeester Háán kippetjesvel te bezorgen—Hope
krabbel niet achteruit in je stoel—ik kan me niet héélemaal... niet
heelemaal in ’n andere huid steken—en omdat je daar even vriendelijk
keek, kwam de ouwe natuur... Exit... Nou zal ’k elk woord beloeren...
èlk ... Mag ’k ’n slokje nemen? ’k Heb dorst.
HOPE. Ga uw gang...
DOLF... Zoo. Nou heb jij ’t in je hand me bij slappe, kouwe thee te
hóúden...
HOPE... Zou u... Jan en Annie kunnen... en ik...
DOLF... Ik wou ’t je betaald zetten, ’t je inpeperen—en toen—en toen,
in ’n week dat ’k m’n kamer voor ’n zware verkoudheid moest bewonen,
waarlijk bewonen, zat ’k weer in de belabberdste, beroerdste
stemmingen, de historie wikkend, wegend... Ze háát je, redeneerde ’k:
larie—ze haat jou, zooals jij ’r zèlf háát.....
HOPE... Ik heb nog niets van uw gezóék gehoord..
DOLF... Komt! Komt!... Je moet niet op de vervolgen van ’n feuilleton
vooruit loopen...
HOPE... Telkens, telkens weer heeft u dien toon....
DOLF. (geprikkeld)... Dien heb ’k, heb ’k!—Laat me ’m warm houen
zoolang ’k nog kan—Je heb geen begrip, geen flauw begrip, niet de
minste voorstelling, hoe ’k door jou en mama uit m’n toon, m’n toon,
m’n toon geraakt ben!... Je heb nog niets van m’n gezóék gehoord—m’n
hopeloos... Nou komt ’t!... Ze zal buigen, buigen, nam ’k me voor... Ik
heb geen andere schuld dan honderden, duizenden... ’k Heb niet beloofd
te trouwen, daar niet aan gedacht—zou ’r om geschaterd hebben—zoo goed
als Kreeftje zelf.—Ze heeft zich aangeboden—was met soupertjes en ’n
Haagsch schouwburgje meer dan tevreden—was me niet trouw—scharrelde met
anderen als ik met vacantie naar huis was... Die gril, die kuur, die
bezetenheid van Hope—excuseer, dat was m’n beschouwing uit die dagen
van ongesteldheid en slapte—die nonsens die ze duizend tegen een mama
ingepraat heeft...
HOPE... Pardon...
DOLF... Je hoeft niets te beweren—je heb gelijk—ik vertel je m’n
gewroet van tóén!—die gril krijg ’k ’r alleen uit, door te bewijzen,
door ’r met de stukken in de hand te overtuigen—en dan kom ’k nog
compleeter de belofte aan mama na—’n belofte die ieder gedaan zou
hebben—ieder in dat geval... (een stilte. Hij neemt de pop van tafel
speelt er mee, terwijl hij onrustig voortpraat). Zoo, Hope, ben ’k
begonnen—zoo ben ’k niet geëindigd. Wat ’n spelletje leek, ’n pogen jou
„klein” te krijgen—wat de eerste dagen ’n onderhoudend inspannen van de
hersens werd—draaide op ’n maniakaal willen, ’n parforce-jacht, ’n
openscheuren van—van alles, neer... De familie van dien marinier, met
wien ’k—dat weet je—héb ’k uitgevonden—Z’n getrouwde zusters—z’n
broers—over ’t heele land verspreid—hadden moeite niet te lachen bij
m’n vragen over Kreeftje—met ’t rooie haar uit den
handschoenenwinkel—De posterijen heb ’k nagerejen voor ’t recu van den
aangeteekenden brief van papa—met de honderd gulden—op de minste klank
ben ’k afgegaan—in Holland—België—De registers van de—van de bordeelen,
wáar óok, in grootere en kleinere plaatsen, heb ’k... Verdwenen...
Verdwenen... De vrouw met ’t kind, ’t kind waarvan die brief zoo zeker,
zoo wanhopig-zeker, zoo pijndoend-zeker sprak....
HOPE... Pijndoend—pijndoend—Zegt ù pijndoend?
DOLF... Dat verbaast je—daar kijk je me bij aan.. Merk je dan niet, hoe
de gedachte van mama en jou ’n obsessie... (bitter)... hoe ’k langzaam,
als ’n slak zoo langzaam ben gaan voelen, dat àls dat kind nog leeft—en
’t kan leven—’t kan, kan!—dat dat meisje dan op ’t uur dat we hier met
elkaar praten, zoo verloren is—als—als... (start voor zich uit)... Ja.
Ja... Eens heeft Snip me in ’n hotel van vijfhonderd kamers gezocht, en
ontmoette me niet, omdat ze enkel m’n voornaam wist. Dat was ’n puzzle,
’n goeie mop... Als je ’n brief ergens opgeborgen heb, zeker
opgeborgen—en je vindt ’m niet, dan zoek je nijdig en zenuwachtig
tot-ie na dagen en dagen vloeken vlak voor de hand ligt—zooals dien
middag tusschen de sigaren... Maar dat levende menschen, levende, ’n
vrouw en ’n meisje van achttien verdwijnen, zooals ’n steen ’t achter
ons in ’t water, zou doen—en dat je ’r telkens over piekert, zonder
resultaat da’s... da’s... (laat de pop vallen)... Jij heb toen
gesproken van ’n radelooze zéé-van-menschen—dat was juist—de zee spoelt
weg, spoelt niet terug... (verschrikt opkijkend)... Hope, huil je?...
Waarom huil jìj, Hope?
HOPE... Omdat—omdat... Dat kan ’k nu niet zeggen.... Omdat... Willen we
niet verder....
DOLF... Niet verder?
HOPE. Nù niet... Je heb me verbazend... verrast—ik dacht niet aan de
mogelijkheid—dat jij—dat ù..
DOLF... Toe hou je an dat jij... Na de wandeling met de boschviooltjes,
die je droogde—nee, nièt droogde!—heb je nog maar één keer je u’s
vergeten—dien middag bij mij thuis... (haar z’n hand toestekend)...
Weiger je nòg, Hope?
HOPE... Geef me den tijd, om—om te overleggen—je heb me zoo
overrompeld...
DOLF... Om te overleggen... Moet je bij dàt overleggen... je verstand
„raadplegen”?....
HOPE... Je heb beloofd niet meer op te vliegen—Dolf! (legt haar hand
over tafel op de zijne)... Eens—laat me dat zeggen, zonder de intentie
bijna vergeten dingen levend te maken—eens trapte je m’n groote,
vreeselijk-groote genegenheid—door je ruwe overval in m’n
slaapkamer—dood—toen, in den nacht dat we samen bij ’t sterfbed van je
mama, in die hotelkamer waakten, had ’k ’n nièuwe vurige hoop—en we
gingen voor de tweede maal van mekaar. Hij houdt z’n belofte aan
mevrouw niet, dacht ’k—hij bréékt ’r niet: hij spot over alles heen—’t
wordt geen dáád—geen dáád...—toen heb ik me iets heiligs, plechtigs
voorgenomen: jou onder géén, géén omstandigheden te trouwen—mezelf aan
de kinderen hier te geven... Stuif niet op Dolf... Ineens die belofte
vergeten, zònder overgang voor de dèrde maal ’n heerlijk vertrouwen
in—in jóú vastgrijpen—dat durf ’k nog niet aan. We zitten, door ’n
wonder, door ’n wònder, beter, oprechter tegenover elkander, als we ’t
ooit, ooit.... Nee doe nu niet brusk, niet meer zoo hartstochtelijk als
vroeger... Van af de jaren dat ik als kind, zonder ouders—gedacht, maar
vooral gewrokt en gehaat heb—heb ’k verlangd, niet te zeggen hoe innig
verlangd... ’n eigen kind in achting voor mezelf—en m’n man groot te
brengen... Dwing me op ’t oogenblik niets met je oogen af—ik zeg niet
nee—niet ja—ik vraag uitstel....
DOLF. (geprikkeld)... Uitstel?... Nog eens uitstel...
HOPE... Ik ben bang dat wij—u en ik—(haastig) jij en ik....
DOLF.... Dat wij wat?...
HOPE. (moeilijk)... Dat we bij mekaar niet meer dat—dat geluk zullen
vinden.
DOLF. (hartstochtelijk)... Onwaar!... Onwaar!... Jij voelt dat zelf
anders...
HOPE... Misschien, misschien hèb je gelijk—laat me overleggen!—We
hebben mekaar in zoo’n tijd niet gezien—in geen maanden en maanden—Als
jij veranderd ben, ben ik ’t mogelijk ook....
DOLF... Met andere woorden: voor de derde maal de bons?... Verlang je
nog meer, nòg meer van me!
HOPE... Nee... Maar je moet ’t me met mezelf laten uitvechten.... We
zijn allebei ’n dagje ouder geworden.... (met moeite).... En ’k had ’t
me al zoo afgeleerd aan jou te denken—in de bezigheden van elken dag
hier....
DOLF... Dus...
HOPE... Stil!... ’t Lijkt me... (gejoel en geroep buiten).... Daar is
iets.... (gaat snel op het erkervenster toe).... Allemachtigste God!
DOLF. (naast haar)... Is ’r ’n ongeluk gebeurd?
HOPE. (tot ’n man buiten)... Is een van de kinderen? Hoor je niet!....
Is een van de kinderen?... (Stem buiten: „Een van de jongens,
zuster!”).
HOPE. Groote God—een van de kinderen in de sluis terwijl ’k ze zoo
gewaarschuwd heb!... Groote God—met de sluisdeuren open, als toen, als
toen.... (wijkt angstig van het raam).
DOLF... Steekt dan niemand van die lummels ’n poot uit!....
HOPE. (als in versteening)... Is niet te redden—is niet te redden—met
die strooming naar zee...
DOLF. (driftig en glimlachend)... Dat zullen we zien!
HOPE. (wakkerschrikkend)... Blijf hier! Blijf hier! Is één leven niet
genoeg!
DOLF. (met star-lichtende oogen)... Als ’k jou dàt kind in je armen
terugbreng—overleg jij dan nog?
HOPE. (heftig) Dolf, Dolf—bega geen krankzinnigheid!... Als, als ’t te
redden was, zouen die daar, de visschers en schippers...
DOLF... Ik zie ’t nog drijven—zie ’t—zie ’t! Bij m’n andere
dollemans-jacht, zag ’k niets, niets!.... (naar de deur). Jij wou ’n
daad, ’n daad...! Je zult je daad hebben....
HOPE. (heftig)... Dolf, ik smeek je, smeek je—doe ’t niet....
DOLF... Al zou je nou op je knieën—al zou je God en de engelen zelf....
(af).
HOPE... Dolf, Dolf....