Annie, Dolf.
ANNIE. Mag ik terwijl ’n kopje thee?... We afternoonen af en toe... Ja,
dat is ’t portret van mevrouw.
DOLF. (handen op den rug onbeweeglijk)... Ja.
ANNIE. In de récréatiezaal staat ’r buste.
DOLF. (onbewegelijk) Zoo—’r buste...
ANNIE. (schenkend)... En snoezig-attent, meneer, hoe de oudste meisjes
op ’r geboortedag—die is ’r in gebeiteld—zonder dat iemand ’t wist, ’n
trophee van groen en bloemen... Melk en suiker?.. (hij luistert
niet)... Ik vraag of u melk en suiker...
DOLF. (zich driftig omdraaiend)... U moet me ’n dienst bewijzen,
mevrouw.
ANNIE. Ik?
DOLF. Ik wil ’n onderhoud met Hope.
ANNIE. Wat kan ìk...
DOLF. U is ’r vriendin—en ’k overdrijf niet—’r vertrouwde geworden....
ANNIE... Ze is tè zelfstandig, om zich door iemand..
DOLF. Door u wel. (nerveus-snel)... Ik moet ’r—wil ’r... Als ik ’r
aanklamp, ontloopt ze me, als toen ’k daar binnen kwam... Als ’k
schrijf, antwoordt ze niet... Ik ben niet meer die ik ben, daar geef ik
m’n woord op... Ik heb over ’n boel... Dat wil ’k ’t persoonlijk...
Daarvoor heb ’k de reis gemaakt... Dat zijn mijn záken.... Straks met
’r aan een tafel zitten, doe ’k nièt, of....
ANNIE. (schellend)... Goed. Gaat u een seconde daar. (wijst naar
rechtersuite)... ’t Meisje mag u niet zien. Maar: laten we mekaar goed
begrijpen, meneer Van Walden—ìk blijf ’r buiten—en tegenover m’n bèste
vriendin, gebruik ik geen omwegen...
DOLF... U kunt...
ANNIE... Weg! Weg! Weg! (Dolf af—dienstmeisje) Loop jij even naar de
overzij, Kaatje, kind, en vraag zuster Hope of ze bij me wil komen—zeg
’r dat ik alléén ben. (Dienstmeisje af—zij wenkt Dolf)... Dat is de
eenige onwaarheid. Meer jok ’k niet....
DOLF... Dank u voorloopig. Kan ’t hier?
ANNIE. Hier of hiernaast—àls ze wil...
DOLF. Dank u.
ANNIE. (terwijl hij gejaagd op en neer loopt) ’k Zou m’n thee niet koud
laten worden, meneer—we hebben nog wel ’n paar minuten.
DOLF. (zonder te luisteren, onrustig van den eenen stoel naar den
anderen verhuizend) Maanden en maanden, mevrouw, ben ’k ’n soort
Ahasverus geweest—iemand met ’n tic—een die zichzelf ’n zonderling
vond, ja, ja... (verzit)... Soms heb ’k getwijfeld of ’k hier recht
snik was, of ’n leventje van... van... plezier—zich begon te wreken,
zooals de brave, beste menschen, die karnemelk inplaats van bloed
hebben, mekaar wijsmaken... (loopt nerveus heen en weer, zit over
haar)... Ze kunnen je door altijd door op ’t zelfde te hameren, altijd
door aan te houden de suggestie opdringen, dat je, dat je.... hè!
hè!... dat je ’n, ’n schaduw naast je eigen schaduw ziet loopen... Als
’k verward praat, mevrouw, best mensch....
ANNIE... Zou u dat mevrouw nou niet ’ns eindelijk laten schieten?... Ik
heet Annie.
DOLF... Mag dat?
ANNIE... Graag.
DOLF... Zegt u—zeg jij dan ook Dolf?
ANNIE... Als u—als jij ’r niets tegen heb: natuurlijk....
DOLF... Ik heb ’n boel beroerdheid gehad, Annie—wat doet ’t me ’n goed,
dat ’k ’ns vertrouwelijk babbelen mag!—’n boel waarmee ’k in m’n eentje
moest uitvechten—met m’n eenen ik, die m’n anderen ik uitlachte, voor
de mal hield—met m’n eenen ik, die tegen m’n anderen ik zei: „je ben ’n
zot, ’n kwast, ’n idioot”—met m’n eenen ik, die m’n anderen naar de
tingeltangels dreef, naar vrinden, naar vrouwen—met m’n eenen ik, die
spotte, vloekte, met geld smeet—me whiskey en soda liet drinken, als de
andere te sentimenteel, te zwak, te willoos dee.... Van de eene
hotelkamer ben ’k naar de andere getrokken, bediend, naar de oogen
gekeken—grocjes slikkend, om te slapen, te slapen... Wakker liggen is
’t gemeenste, ’t vuilste dat je overkomen kan... Dat met m’n bril
waarover ’k daarnet grapjes uithaalde—’k voel me zoo ouwerwetsch gezond
als ’k ’t kàn, kàn—was niet ’t gevolg van minder-goede oogen—je kunt ’t
ook door slappe zenuwtjes krijgen.... ’r Komt ’n leeftijd bij ’n man,
dat-ie z’n draai zoekt, dat-ie z’n stuur onvast hanteert....
ANNIE. (opstaand)... Stil even—’k geloof... Ja.... Ga nog een oogenblik
(wijst de rechtsche suite. Hij verlaat de kamer. Tot Hope, die eerst
rondkijkt). Ik ben alleen.